Symptomen van de eerste liefde

Frans Meulenberg

Abstract

Symptoms of first love. After an initial exploration of literary and philosophical case-studies on ‘first love,’ I suggest that there are two main categories: the ‘temporary first love’ and the ‘first love addiction.’ In general stories about temporary first love tell only about temporary physical symptoms, like blushing, nervousness, eagerness, cold chills, and rapid heartbeats. Examples of this phenomenon include the novellas The love-crazed boy (1915) by Eduardo Barrios, and Vanwege een tere huid (Due to a tender skin) by Anton Koolhaas (1973). Unlike temporary first love, first love addiction is a far more severe and chronic disease than passing physical discomfort. Symptoms can be life-threatening as is shown in the novel Love in the time of cholera (1985) by Gabriel Garçia Márquez. In this novel the symptoms of first love resemble the symptoms of cholera (a weak pulse, gritty breathtaking, and cold sweat). Another example is Either/or (1843) by the philosopher Søren Kierkegaard, where the main protagonist stays faithful to his first love for the remainder of his life in spite of their broken engagement. No one is immune to a first love: all people are susceptible. But one should not underestimate the symptoms of first love, both mentally and physically. Some people never recover from their first-love-syndrome, where severe cases resemble a neurosis.

 De soundtrack van de eerste liefde duurt drie minuten en acht seconden… Het nummer First Love (1969) van de countryrockgroep Poco geeft een adequate samenvatting: het overrompelt iemand en het gaat vervolgens voorbij (zie kader). Zo zal het menigeen zijn vergaan. Ieder mens werd ooit voor het eerst verliefd. Hij of zij ervoer de horizonten van het volstrekt nieuwe, het intense met associaties van eeuwigheid en wat al niet meer. Vervolgens haalde de werkelijkheid – een nieuwe liefde, van wie dan ook – de jongverliefde rechts in, en verpulverde de grootsheid van de eerste liefde tot een passagère verschijnsel. Ogenschijnlijk, want de symptomen van de eerste liefde mag men niet onderschatten of miskennen, en zijn soms ingrijpender en langduriger dan vermoed, tot aan ware pathologie toe.

First Love

Today my First Love has arrived
Did you see her? Did you approve?
What if I asked this of you?
Would everything she’d say be true?

When I was young I played with toys
Games were small then, not so involved
My toys meant most of all
You know how kids are when they’re small

But now today I find a love has come to change my mind
It took some time to understand
Older people play little games in another way
Their castles crumble to sand
A lonely hour to withstand

Today my First Love is alone
Do you miss her? Is it so sad?
The tears you cry should be glad
Remembering her’s not all that bad

Today my First Love is alone

Poco

Er zijn diverse soorten verliefdheden en eerste liefdes: de Oedipale fase en complex voor jongens en meisjes tot de moeder, het Electra-complex van meisjes tot de vader, de basisschool-verliefdheid op de leerkracht of, op latere leeftijd, de kalverliefde voor dat ene klasgenootje. Voor dit essay wordt onder ‘eerste liefde’ verstaan die eerste liefde die vanaf de pre-puberteit optreedt. De voorbeelden die ik aanhaal, zijn alle van heteroseksuele aard, al is dat min of meer toeval. Problematisch is dit vermoedelijk niet omdat de ‘afdruk’ van de eerste liefde in alle seksuele varianten een even grote impact zal hebben.

Tsja, wat weten we van eerste liefdes, of zelfs van het overkoepelende begrip liefde? Waar te beginnen? Laten wij eerst kort naar het fenomeen liefde kijken om daarna snel over te stappen op de eerste liefde. Betaald als ze krijgen voor nijver denkwerk, lijkt het zinvol te rade te gaan bij filosofen. Daarbij richt ik het vizier eerst op Martha Nussbaums Love’s Knowledge, een boektitel die nauwgezet is gekozen. ‘Love’s Knowledge’ heeft namelijk een dubbele betekenis, want staat voor de kennis van het eigen hart, die door de ervaring van liefde wordt voortgebracht. Ervaring en inzicht zijn nauw met elkaar verbonden, maar ze zijn zo moeilijk te onderscheiden… Vrolijk stemt Nussbaum de lezer niet, door te wijzen op ons zelfbedrog in deze, dat niet-filosofen overigens uiterst herkenbaar zullen vinden en zelf bedacht konden hebben: “We maken onszelf van alles wijs over de liefde – over wie we liefhebben, en hoe, en wanneer, en of er echt wel sprake van is. We ontdekken ook ons zelfbedrog en corrigeren het”, schrijft Nussbaum ( Nussbaum 1998:139-140). Zo eenvoudig is dat echter niet, het corrigeren dat nodig is om ‘inzicht’ te verwerven: “De moeilijkheid wordt dan: hoe weten we te midden van deze verwarring (en verrukking en pijn) welke kijk op onszelf en welk deel van onszelf we kunnen vertrouwen? Welke verhalen over de toestand van het hart zijn betrouwbaar en welke zijn ficties waarmee we onszelf misleiden(140)?”

Inderdaad, hoe krijgen we meer kennis van het hart? Nussbaum werkt onder andere twee varianten uit, waarbij zij als vertrekpunt neemt Marcel Proust’s romancyclus A la recherche du temps perdu. De eerste methode is kennis van het hart vergaren door intellectueel onderzoek. In dit intellectuele onderzoek zoals Proust doet in zijn romans, staat reflectie centraal, waardoor “het periodieke ritme van het hart” zichtbaar wordt (162). “Reflectie maakt het immers mogelijk indrukken kritisch te beoordelen, ze tot een algemeen patroon samen te voegen, ze te classificeren en opnieuw te classificeren” (163). Reflectie is daarmee een vrij rustig proces, beheerst uitgevoerd, tamelijk rationeel, uitgevoerd op basis van eigen ervaringen.

De tweede manier om kennis op te doen gaat via hevige indrukken, kennis opdoen door ‘lijden’. Dat gaat stukken heftiger. “De stelling is dat de cataleptische indrukken eenvoudig door de manier waarop wij ze beleven onze instemming afdwingen en ons ervan overtuigen dat het zó en niet anders moet zijn” (147). Deze cataleptische indrukken definieert Nussbaum als “merktekens of afdrukken in de ziel” (147), die daar terecht komen door de heftigheid van de ervaring en de hoge soortelijke massa van de eerste liefdeservaring of verliefdheid: “De ervaring die je hebt als je zo’n indruk ondergaat, wordt vergeleken met een weegschaal die door een heel zwaar gewicht naar beneden gaat – je moet wel meegaan; je instemming wordt afgedwongen” (147-148). Liefde als lijden is een hevig proces én een tamelijk eenzame gebeurtenis. Al klinkt ‘liefde als lijden’ tevens een beetje topzwaar, want dit proces kan evenzeer ‘heftig mooi’ zijn.

Let wel, het gaat hier om het meermaals meemaken van liefdes of verliefdheden. Nussbaum zwijgt helaas over het fenomeen eerste liefde. In hoeverre zijn de twee varianten van toepassing op de eerste liefde? Deels, luidt een voorzichtig antwoord. Een eerste liefde kan, door zijn heftigheid, in sommige gevallen als een vorm van – heftig mooi - lijden gezien worden, een alles verpletterende indruk, die diepe groeven kerft in ziel of hart. Reflectie daarentegen is nauwelijks aan de orde. Sterker nog, daar lijkt meteen al een probleem te liggen rond de eerste liefde. Hoe meer ervaring, des te beter is reflectie mogelijk… Na een tweede, derde of volgende liefde ontdekken we “ons zelfbedrog en corrigeren het”, om de woorden van Nussbaum nogmaals aan te halen. Hiervan is bijna geen sprake bij de eerste liefde, omdat deze allereerste ervaring samenvalt met de allerprilste kennis van verliefdheid.

Noodzakelijke wreedheid

Men merkt het in de regel niet snel, maar filosofen lijken soms net gewone mensen. Zij eten, drinken, slapen, plassen, worden verliefd en gaan dood. Je leest daarover in hun werken in de regel niet vaak. Maar er is een uitzondering: Søren Kierkegaard (1813-1855). Veel maakte hij niet mee in zijn korte leven, maar tot het allerbelangrijkste behoorde een verloving, in 1840, die hij een jaar later verbrak. Biografen worstelden met de vraag: waarom verbrak Kierkegaard de verloving met de zeventienjarige Regina Olsen? Een mooi meisje, een goede partij - haar vader was staatsraad - daar lag het dus niet aan. Dat het evenmin uit een gebrek aan liefde was, bewijst de hardnekkigheid waarmee Kierkegaard zich tot aan zijn vroege dood in 1855 bezig hield met hun verloving. Zij was zijn eerste en enige liefde. In zijn dagboek beschrijft Kierkegaard in 1849, acht jaar na dato, hoe de breuk tot stand kwam, tegen háár wil. Hij had zijn verlovingsring teruggestuurd met het verzoek hem te vergeten. Zonder resultaat, zij weigerde hem los te laten. Totdat zij hem vroeg of hij nooit wilde trouwen, en Kierkegaard antwoordde: “Jawel, over tien jaar, als ik uitgeraasd ben, dan heb ik weer een jong meisje nodig om mij te verjongen.” Dit antwoord, waarin hij zich opzettelijk voordeed als een flierefluiter, gaf de doorslag. En in het dagboek staat: “Zij haalde een klein papiertje met een woord van mij erop, dat zij op haar borst droeg, te voorschijn, scheurde het stil in stukken en zei: Je hebt een wreed spel met mij gespeeld.” Zelf spreekt Kierkegaard van “een noodzakelijke wreedheid.” Zijn voorgewende lichtzinnigheid moest het voor haar makkelijker maken zich van hem los te maken ( Heumakers 2000).

Wat onverklaard blijft, is het waarom van de breuk. Daarover lezen we wel iets in zijn eerste grote boek Enten-Eller (Of/Of) uit 1843. Iemand mag een verloving verbreken, schrijft Kierkegaard “wanneer iemands individuele leven dermate ingewikkeld is dat het zich niet openbaren kan. Is er in je innerlijke ontwikkelingsgeschiedenis iets onuitsprekelijks, of heeft je leven je tot medeweter gemaakt van bepaalde geheimen, kortom heb je je op de een of andere manier in een geheim verslikt dat niet uit je is te trekken zonder dat het je je leven kost, trouw dan nooit” ( Kierkegaard 2000:187). Dit hoofdwerk van Kierkegaard bevat een heel hoofdstuk over ‘eerste liefde’, al bezigt hij een literaire truc om glimpjes van zijn privéleven te kunnen prijsgeven. Hij schrijft namelijk een ‘recensie’ van het fictieve toneelstuk De eerste liefde – een blijspel trouwens - en in de inleidende pagina’s schetst hij de totstandkoming van die recensie (waarbij hij voortdurend zijn eigen eerste liefde beweert te ontmoeten). Dit gedachte-experiment biedt ruimte voor overpeinzingen, zoals over de betrekkingswaan die hij ervoer, al noemt hij dat zelf natuurlijk niet zo: “Alleen aan haar wilde ik denken, aan mijn liefde; alles wat er gezegd werd ter ere van de eerste liefde wilde ik op haar betrekken en op mijn relatie tot haar.” Het thema van het toneelstuk omschrijft hij als volgt: “de eerste liefde is de ware liefde, en men heeft maar eenmaal lief” ( Kierkegaard 2000:271). Deze stelling – Kierkegaard lijkt die te onderschrijven – ondergraaft zijn eigen voormalige verloofde. Na het verbreken van hun verloving, verklaart ze tegenover hem dat haar tweede verloving haar ‘eerste liefde’ is. Hij noteert dan:

Is men zo ongelukkig meerdere keren te beminnen, dan is toch elke keer de eerste liefde. De stelling is namelijk een sofistische stelling. Bemint men voor de derde keer, dan zegt men: deze, mijn tegenwoordige liefde is pas mijn ware liefde, maar de ware liefde is de eerste, ergo is deze derde liefde mijn eerste. Het sofistische is hierin gelegen, dat de bepaling ‘de eerste’ tegelijk als een kwalitatieve en als numerieke bepaling moet fungeren (271).

De opmerking dat de ongelukkige die meermaals bemint, eigenlijk telkens weer de eerste liefde bemint, vindt zijn pendant in een hoofdstuk uit Of/of. In het Het dagboek van de verleider is zijn alter ego Johannes een berekenende verleider. Maar niet van het type Don Juan: hij is geen polygame vrouwenjager, maar in principe monogaam. Hij jaagt op het unieke, en geeft aan één bepaalde vrouw de voorkeur boven alle andere.

Terug naar de dagboeken. Hoe verslaafd Kierkegaard bleef aan zijn eerste liefde blijkt uit deze ontroerende passage: “Ik neem haar mee in de geschiedenis. En ik die in mijn zwaarmoedigheid slechts één wens had, de wens om haar te bekoren - daar zal die mij niet geweigerd worden, daar ga ik naast haar, als een ceremoniemeester begeleid ik haar in triomf en zeg: Maak alsjeblieft een beetje plaats voor haar, onze eigen lieve kleine Regina” (Heumakers 2000).

Laten wij, na deze korte verkenning van de eerste liefde, het filosofische domein even rusten en de blik richten op de schone letteren die een bijzondere vorm van kennis en ervaring behelzen.

Bellettrie als bron van kennis

Ieder mens moet, met vallen en opstaan, zelf maar uitzoeken wat voor mens hij wil zijn, en hoe hij in de wereld wil staan. Onze dagelijkse ervaringen staan daarbij voorop en zijn een uitstekend hulpmiddel. Bijvoorbeeld, intieme relaties geven vorm en betekenis aan ons leven. Relaties – met de subkenmerken liefde, vriendschap, altruïsme, betrokkenheid enzovoorts – zijn bouwstenen voor wie en wat wij zijn en willen zijn. De geboorte van een kind, de ziekte van een familielid, een gezamenlijke geschiedenis als goede vrienden: dit alles verschaft ons nieuwe inzichten, een betere en meer adequate visie op het leven en de rol die wij daarin spelen. Bovendien schenken ervaringen en aanpalende emoties ons redenen om naar eigen inzicht moreel te handelen. Volwassen en volgroeide emoties plaveien de weg naar een helder beeld van de wereld en mogelijk naar een ‘beter’ mens.

‘Echte’ ervaring is weliswaar een belangrijke bron voor de morele attitudevorming, maar dat kan nimmer de enige bron zijn. Reflectie alleen is onvoldoende. Simpelweg omdat wij te weinig meemaken: hongersnood, moord, kindermishandeling, dierproeven, oorlog of een dictatuur, wij hebben er een (moreel) oordeel over, zonder dat wij dit noodzakelijkerwijs aan den lijve hebben ondervonden. Er is meer voeding nodig. In welke zin kunnen de schone kunsten – literatuur, toneel, film - daarbij helpen? Fictie schenkt ons gedetailleerde beelden, indringende beschrijvingen van levens en karakters, plus de complexiteit hiervan. Kortom, voedingsstof voor morele overwegingen. Hoe? Door te wijzen op subtiliteiten van zaken die onze aandacht verdienen, scherpt fictie ons vermogen aan om morele nuances te onderscheiden. Verhalen die ons begrip aanleren, verwijzen ons naar datgene waar het ‘echt om gaat’, zoals de Amerikaanse filosoof Tony Cunningham het noemt (Cunningham 2001:5):

Fiction provides detailed pictures, thick descriptions, of live and character, its complexities, the workings of inner life, pictures of particular people leading particular lives in particular circumstances. It provides the right stuff for concrete, particular deliberation. It directs our attention to the subtleties and nuances of what should rightly command our attention. It thereby hones our capacities to see clearly and choose wisely. It sharpens our ability to perceive moral subtleties and nuances. Because it maps the complexities truly, it does do justice to creatures just like us, in a non-detached way, thus speaking to our heart, to ‘the heart of what matters’.

Fictie voedt de morele attitudevorming, geeft inzicht, nuanceert, scherpt aan, vlakt af en wat al niet meer. Behalve het vermogen tot ontroering heeft fictie bovendien morele kracht. De retorische kracht van het verhaal dat ogenschijnlijk niets tracht te bewijzen, is groter dan die van de wetenschappelijke tekst die de lezer juist wel tot een bepaald inzicht wil brengen. Betekent dit dat fictie heilig is? Nee. Maar fictie is vaak werkelijker is dan welke werkelijkheid ook. Feiten moeten verteerd worden. Pijn moet voelbaar zijn. Na­voel­baar­heid vraagt om stilering. Hoe bestaat het dat wij de gruwelen in de wereld vrijwel zonder emoties op het jour­naal bezien, en steeds opnieuw met afschuw en dichtgeknepen ogen van de spanning kijken naar een film als The deer hunter en dan vooral de scene met het Russisch roulette? Hoe bestaat het dat mensen keer op keer huilen bij het zien van de film Gone with the wind? De Belgische filosofe Patricia de Martelaere formuleerde in haar o zo fraaie boek Een verlangen naar ontroostbaarheid de volgende hypothese: “Van werkelijkheid over reportage naar fictie is er weliswaar een afname van praktisch belang en relevantie, maar deze zou weleens gepaard kunnen gaan, althans in bepaalde gevallen, met een toename van beleefde intensiteit en identificatie”( De Martelaere 1993:142).

De eerder genoemde Martha Nussbaum ziet trouwens ook de tekortkomingen van filosofie tegenover kennisname van romans, toneel en films. Zij constateert dat filosofie veel meer literair moet zijn om ruimte te maken voor liefdesverhalen, en een houding bij de lezer te bewerkstelligen die open is, actief en toch poreus. Ze geeft ons een advies:

Een verhaal biedt een visie op liefde en kennis van liefde. Bij het lezen van het verhaal schorten we onze aanvankelijke twijfel op; we laten toe dat we worden geraakt door de tekst en door de personages die door de tijd heen met ons converseren. Misschien vergissen we ons, maar we staan onszelf toe te geloven. De houding die we tegenover een filosofische tekst hebben, kan daarbij vergeleken krampachtig en liefdeloos lijken – we vragen naar redenen, onderzoeken en betwijfelen iedere stelling, proberen helder te maken wat duister is. (…) Tegenover een literair werk (…) zijn we nederig, open, actief en toch poreus. Tegenover een filosofisch werk zijn we bij het verwerken van de argumenten actief, beheersend, erop bedacht om geen flank onbeveiligd te laten en geen raadsel onopgelost. Dit is natuurlijk te simpel en schematisch; maar het zegt wel iets. Wat ontbreekt is niet enkel emotie, hoewel dat er ook bij komt. Het is ook passiviteit – vertrouwen, de aanvaarding van onvolledigheid. (….) Om ruimte te maken voor liefdesverhalen moet de filosofie meer literair zijn, meer gelieerd aan verhalen, en moet ze meer respect tonen voor wat raadselachtig en onafgesloten is dan vaak het geval is ( Nussbaum 1998:180-181).

Raadselachtig en onafgesloten… Dat maakt een korte excursie langs enkele literaire werken over eerste liefde zinvol én spannend. Op zoek naar de symptomatologie van de literaire eerste liefde…

Ziek van verliefdheid

De rij auteurs die over eerste liefde schreven is erg lang. Om maar tien willekeurige namen te noemen: Stendhal, Toergenjev, Tolstoi, Nabokov, Biesheuvel, Joyce, Pavese, Mariás, Tomasi di Lampedusa, Machado de Assis. In het vervolg zal ik ingaan op vier illustratieve voorbeelden. Ziekte en liefde gaan hand in hand in de roman Liefde in tijden van cholera van Gabriel García Márquez ( García Márquez 1986) De jeugdliefde van Fermina Daza heet Florentino Ariza, en hij is het voornaamste slachtoffer van de ziekte die eerste liefde heet. Florentino Ariza is een onecht kind van de reder don Pío Quinto en Tránsito Ariza, arm en laaggeschoold. Hij woont bij zijn moeder die een garen- en bandwinkeltje drijft. Zijn vader, die hem nooit wettelijk erkende, stierf toen Florentino tien jaar was. Na de dood van zijn vader gaat Florentino werken bij het postagentschap, waar hij brieven sorteert. Hij ontpopt zich als een getalenteerd violist en leest graag sentimentele poëzie: “het enige dat voor hem duidelijk was, was dat hij van proza en verzen de voorkeur gaf aan verzen en dat hij daarvan weer de voorkeur gaf aan liefdesgedichten, die hij vanaf de tweede keer dat hij ze las zonder opzet uit zijn hoofd leerde en dat ging des te gemakkelijker naarmate rijm en metrum van betere kwaliteit waren en de inhoud hartverscheurender was” (116). Florentino droomt weg bij romantische gedichten van lokale schrijvers.

Wanneer Florentino een telegram bezorgt bij de familie Daza, ziet hij Fermina voor het eerst en is op slag verliefd. Ze is dan dertien. Er ontstaat een intensieve briefwisseling. Haar strenge, ongetrouwde tante Escolástica - de moeder van Fermina is overleden - staat de briefwisseling oogluikend toe maar vreest de ongenade van vader Lorenzo Daza als het uitkomt dat zijn dochter omgaat met de arme Florentino. De briefwisseling wordt er in de jaren daarna niet minder intens op, en Florentino vraagt haar tenslotte ten huwelijk. “Het is goed,” schrijft zij terug, “ik trouw met u als u mij belooft dat u mij geen aubergines zult laten eten” (111). Neemt ze het aanzoek serieus? Het lijkt er niet op. Maar het aanzoek van de fantasierijke Florentino oogt eveneens onbezonnen: hij kent zijn vriendin enkel van de brieven en observaties uit de verte als hij op het bankje in het Evangeliënparkje tegenover haar huis zit.

De jonge Florentino zat daar maandenlang op een vaste plek in het park, alleen om Fermina te zien. Hij spreekt haar lange tijd niet aan. Dan schrijft hij haar een brief. Zijn lichamelijke conditie gaat snel achteruit, terwijl hij op haar antwoord wacht:

Toen Florentino Ariza haar voor het eerst had gezien, had zijn moeder het allang ontdekt voor hij het haar vertelde, want hij was zijn spraak en zijn eetlust kwijt en lag nachtenlang met open ogen te draaien in zijn bed. Maar toen hij op het antwoord op zijn eerste brief begon te wachten, kwamen er als complicatie bij zijn verlangens aanvallen van diaree en groen braaksel, verloor hij zijn richtingsgevoel en leed hij aan plotselinge duizelingen en zijn moeder schrok hevig, omdat zijn toestand niet leek op de ongeregeldheden van de liefde, maar op de verwoestingen die de cholera aanricht (95).

Zijn moeder voelt de zwakke pols, hoort de “zanderige ademhaling en ziet het bleke zweet als van een stervende” (95). Het braaksel is groen, en hij heeft diarree. De moeder weet dat de symptomen van de liefde gelijk zijn aan die van de cholera. Een geneesmiddel bestaat niet en de geraadpleegde arts constateert dat hij geen koorts had, nergens pijn, en “het enig concrete dat hij voelde was een dringende behoefte te sterven” (95). De dokter schrijft aftreksels van lindebloesem voor om de zenuwen bezig te houden en verandering van omgeving om troost te zoeken in afstand. Maar Florentino Ariza wil juist het tegenovergestelde: genieten van zijn martelaarschap. Uiteindelijk krijgen hij en Fermina toch een heuse relatie die, zoals iedere eerste liefde, intens is. Wanneer Fermina Daza hem echter na een langdurige gedwongen scheiding en een vurige briefwisseling weer ziet, schrikt zij:

Zij voelde niet de schok van de liefde, maar de afgrond van de ontgoocheling. In een seconde werd haar de omvang van haar zelfbedrog volledig onthuld en ze vroeg zich geschrokken af hoe ze zolang en met zoveel wreedheid een dergelijke hersenschim in haar hart had kunnen uitbroeden. Ze kon hoogstens denken: “Mijn God, arme man!” (158).

Een tragisch moment: het drama heeft zich voltrokken maar Florentino beseft dat nog niet. Hun levens zijn als ijsschotsen over elkaar heen geschoven zonder dat hij het merkte; hij tintelt van geluk want in zijn gedroomde leven lopen zij nog steeds met elkaar in de pas. Dezelfde middag stuurt ze Florentino een kort briefje: “Vandaag, toen ik u zag, besefte ik dat dat van ons niet meer dan een illusie is” (158). Fermina is gedurende haar afwezigheid meer volwassen geworden, terwijl Florentino bleef hangen in zijn liefdesfantasie voor het meisje. Hun schijnbaar zorgeloze ontmoetingen waren feitelijk hopeloze ontmoetingen. Voor haar is de zaak afgedaan, hem rest ontgoocheling. Levenslang.

Fermina trouwt met de arts Juvenal Urbino. Florentino wordt zijn eigen vijand omdat hij vastloopt in het rouwproces over de verloren jeugdliefde. Hij koopt de spiegel waarin zij ooit keek, om haar denkbeeldige spiegelbeeld te bewaren. Hij zal 132 genummerde brieven schrijven zonder ooit antwoord te krijgen. Hij deelt met talloze vrouwen het bed terwijl de tijd verstrijkt en Fermina vordert in haar huwelijk. Wat leert ons de tijd? Wijsheid komt pas tot ons als ze nergens meer goed voor is. Het zal jaren duren eer Florentino, dan lijdend aan allerlei ouderdomskwalen zoals constipatie, beseft dat dokter Juvenal geen vijand is, maar dat beiden verbonden zijn door de aanbidding van dezelfde vrouw. Twee ploegossen onder het juk der liefde, met dit verschil dat de één een beantwoorde en de ander een onbeantwoorde liefde koestert. Zelfs in de windstilte van de jaren, als oude man, na een leven lang als kille vrouwenverslinder te hebben gesleten, dooft Florentino’s liefde niet. Het zal, na hun breuk, eenenvijftig jaar, negen maanden en vier dagen duren, vooral hij Fermina weer kan aanspreken.

Florentino is verbijsterend in zijn vastberadenheid, aandoenlijk in zijn illusieloosheid. Pas op hoge leeftijd ontraadselt dokter Urbino de geheimen van de cholera, terwijl Florentino als oud man de valkuilen van de hartstocht kent en de luchtspiegeling van de ontgoocheling: voorbij de liefde. Zowel de slachtoffers van de cholera als die van de eerste liefde horen in quarantaine.

Fijn verdriet

In 2007 verscheen een klassieke novelle van de Chileense auteur Eduardo Barrios in een Nederlandse vertaling: De jongen die gek werd van liefde ( Barrios 2007). De korte novelle stamt uit 1915, en staat te boek als de mooiste studie van de kinderpsyche uit de Latijns-Amerikaanse literatuur. De hoofdtekst bestaat uit het dagboek, bijgehouden door een ongeveer tienjarig jongetje, wiens naam onbekend blijft. De tekst wordt in- en uitgeleid door de man die het schrift met het dagboek bij toeval vond.

De jongen is mager, ziet een beetje pips, heeft spillebenen, een huidskleur als dorre aarde, gele tanden en een sombere aanleg. Maar vooral is hij verliefd op Angélica, een meisje dat een aantal jaren ouder is. In korte, eenvoudige en kinderlijke zinnen doet hij verslag van deze verliefdheid. En de symptomen van de eerste liefde – want zo ziet de jongen het zelf - liggen voor het oprapen: nervositeit, bloed dat naar het hoofd stijgt, blijheid en verdriet die stuivertje wisselen:

Het is iedere keer hetzelfde…! Ik wil niets liever dan haar zien, en horen, en aanraken, en haar dicht tegen me aan voelen, en dan verdoe ik zo mijn tijd… Het maakt me razend! Waarom ben ik zo nerveus? Maar ik kan er niets aan doen; zodra ik weet dat ze op bezoek is, kan ik niet meer nadenken! Wat moet ik doen? Als ze zeggen dat ze er is voelt het alsof ik een stomp in mijn maag krijg, het bloed stijgt naar mijn hoofd, en dan worden mijn benen slap en krijg ik het overal koud en begin te rillen, en in plaats van snel naar haar toe te gaan, ren ik naar de achterkant van het huis, ik kan het niet helpen (11).

Natuurlijk, hij kende de emotie verdriet al wel, maar denken aan Angélica is een “fijn verdriet” (17). De verliefdheid is zijn geheim. Zijn wispelturige moeder durft hij niets te vertellen, en in de nabijheid van zijn geliefde Angélica valt hij helemaal stil: “Ik ga het haar binnenkort vertellen. Maar wanneer ik bij haar ben weet ik niet hoe ik moet beginnen. Als ik ver weg ben, heb ik het idee dat ik alles tegen haar kan zeggen” (27). Naarmate de geschiedenis vordert, worden de symptomen ernstiger: slapeloosheid, concentratieverlies, nauwelijks nog in staat om huiswerk te maken. Maar op sommige momenten betoont hij zich ook sluw. O zo graag wenst hij de bloedrode roos die Angélica draagt mee te nemen, maar hij doet het voorkomen alsof de roos voor zijn moeder bestemd is.

Hoewel nog heel jong, heeft hij al enig besef van secundaire ziektewinst: aandacht. “Als ik zo heel stilletjes naast haar zit, wou ik soms dat ik ziek was, dan zou ze alleen over mij en niemand anders praten en heel lief doen” (12). Keer op keer wil hij langs haar huis lopen, enkel om haar te zien, azend op luttele ontmoetingen. Soms durft hij dat inderdaad te doen, andere keren staat hij bevend als een riet, met angstzweet op het gelaat, op de hoek van de straat, niet in staat nog één stap te verzetten.

Het keerpunt, ten kwade, komt als Angélica aardig doet tegen een andere knul. Jaloezie giert door zijn bloedvaten, en hij lijkt daardoor alle controle over zichzelf te verliezen. Sombere buien duiken meer en meer op, tot aan doodswens toe: “Zou ze ziek zijn? En als ze nu doodging… Ja, ja; het is vast een doodzonde om dat te denken; maar misschien is dat wel het beste, dan ga ik ook dood en dan is alles voorbij” (47-48) . De conditie van de jongen gaat achteruit, maar de dokter constateert alleen maar een lichte bloedarmoede, schrijft pillen voor, en geeft de moeder het advies zijn lichaam in te wrijven met eau de cologne. Hoe ziek hij ook is, Angélica komt niet langs… In zijn ijldromen prevelt hij over zijn verliefdheid, en zo ontdekt zijn moeder het geheim. De jongen vindt het nu wel best, het is goed dat Angélica zijn geheim hoort, meent hij, aan het eindpunt gekomen van zijn moedeloze denken. Hij is erbij als zijn moeder Angélica inlicht over de verliefdheid van haar zoon. Maar deze reageert heel anders dan hij hoopt, prevelt slechts “Goh. Wat zielig. (…) Echt waar?, och arm” (56). De jongen staat hooguit in de kantlijn van haar leven. Hij eindigt in krankzinnigheid, “slachtoffer van het giftige licht dat harten te vroeg beroert en hen in die vlammende, duistere draaikolk stort, de zoete gruwelijke draaikolk van de Liefde”, zoals de inleider het ietwat pathetisch verwoordt (8).

Later, jaren later, zou de auteur in een interview toegeven dat hij de novelle baseerde op zijn eigen jeugdervaringen. Barrios kende overigens een opvallende carrière: hij was onder andere koopman, vertegenwoordiger, boekhouder, gewichtheffer in een circus én minister van Onderwijs. Dit terzijde.

Relatiegeschenk van de duivel

De Nederlandse pendant van Barrios’ intens gevoelige novelle verscheen in 1973: de roman Vanwege een tere huid van Anton Koolhaas ( Koolhaas 1984). Deze zet meteen de toon in de openingszinnen: “Alle ramen van het huis van de eerste geliefde hebben de eigenschap, dat zij zelf er onverhoeds voor kan verschijnen. Die vensters zijn daardoor rusteloos als een te dunne huid, die bij iedere emotie bloost of juist helemaal wit wordt, of vlekkerig als er spanning zijn” (7). Hiermee zijn de belangrijkste symptomen van de eerste liefde geduid. Het paradoxale karakter van de eerste liefde ervaring omschrijft Koolhaas als volgt: “De eerste liefde van een meisje of een jongen is eigenlijk een soort relatiegeschenk van de duivel. Het ziet er onbeschrijflijk begerenswaardig uit, maar uitpakken leidt tot verslagenheid en cynisme” (28).

Over de symptomatologie van de eerste liefde komen we verder weinig te weten uit deze roman, maar als fenomenologische studie blijft de roman, decennia na verschijning, ontroeren. Van het voorspel:

Bijna barstend van de vragen die ze te stellen hadden. Aan elkaar; maar ook aan datgene dat hen omringde en met grote aandrang zich aanbood om hun leven te worden (66).

En het gevoel in een soort vacuüm van onwetendheid te belanden:

Ze betraden bij wijze van spreken samen een luchtledig. Over wat dat ‘samen’ inhield dat hij niet veel.

Vooralsnog was het de verschrikkelijke aanwezigheid van een ander, in een wereld van gevoelens waarvan er nog geeneen was afgerond en waardoor de ander alles ondersteboven ramt wat er is. Daardoor is die ander alles behalve welkom; maar wel noodlottig, want er is nu al niets meer te doen. De inbreuk is gemaakt, maar stom genoeg ook gezocht (52-53).

Met vlak daarna al het besef dat het ooit voorbij zal gaan:

Ze leefde en alles wat ze zei als ze samen waren, raakte de grond van zijn bestaan, al was het allemaal even futiel en mogelijk onzinnig. En al wist hij dat dit verloren zou gaan, die totale afhanke­lijkheid van zinnetjes en woorden van een ander. Het zou zelfs moeilijk zijn om er zich later nog iets van te herinneren, van die teksten en wat ze betekenden. ‘Nee – laten we een bank nemen in een echt laantje.’ Wat is dat nou helemaal? Niettemin is het iets om van streek te raken. De eerste keer ‘we’ in de eerste plaats; dan het naast elkaar lopen, met nu en dan een trapper van haar of zijn fiets gevoelig tegen de schenen, door de allereigenaardigste jachterige en onstabiele manier van lopen in een wereld die ineens geen tekens en signalen van herkenning of herinnering meer heeft, maar is teruggebracht tot de lijnrechte glinstering van de kabel waar een koorddanser over loopt (80-81).

De liefde tussen de twaalfjarige jongen, Jokke, en het even oude meisje Takkie gaat ook voorbij. Vanaf dat moment zijn het kinderen die zich “de toekomst herinnerden” (174). Onvermijdelijk is die afloop. Immers, constateren volwassenen aan het eind van het boek: “in iedere vrouw is een meisje gestorven (…) en in iedere man een jongetje” (163). Waarbij Koolhaas meedogenloos opmerkt: “Liefde kijkt niet op een dood meer of minder” (173).

Eerste liefde als ballingschap

Tot zover lijkt de representatie van eerste liefde in literatuur een – onversneden - uiting van romantische liefde. Als contrapunt een tegenhanger: Samuel Becketts novelle Eerste liefde, geschreven in 1946 maar pas 24 jaar later gepubliceerd ( Beckett 2006)Na de dood van zijn vader, heeft een man niet langer een kamer en neemt zijn toevlucht tot een bank in het park. Dat is het decor voor het inleidende tafereel. Daar ontmoet hij een vrouw, zijn eerste en enige liefde. Romantisch? Wis en drie niet. Liefde? Nauwelijks. Het heet zo:

Wat liefde wordt genoemd is ballingschap, met af een toe een ansichtkaart van thuis, zo voelde ik het die avond. Toen ze klaar was, en mijn eigen ik, het getemde ik, zich hersteld had met behulp van een kleine bewusteloosheid, was ik alleen (77).

Dat is de eerste avond al! Toch is er ook sprake van een zekere lust, al is dat een grimmig soort Beckettiaanse opwinding:

Ze begon zich uit te kleden. Als ze niet meer weten wat ze moeten doen, kleden ze zich uit, en dat is waarschijnlijk het beste wat ze kunnen doen. Ze trok alles uit, zo traag dat het een olifant nog zou prikkelen, behalve de kousen, waarschijnlijk met de bedoeling mijn opwinding tot het kookpunt te brengen. Toen zag ik dat ze loenste (86).

De humor uit het vorige fragment wordt verpulverd door de grauwheid van een constatering als deze: “Ze stoorde me ernstig, zelfs in afwezigheid” (77). Het troosteloze begin van een troosteloos huwelijk met, gepast, een troosteloze scheiding. Terugkijkend op diens leven geeft Beckett de man deze twee slotregels mee: “Ik had misschien andere liefdes moeten hebben. Maar liefde laat zich niet dwingen” (94).

Overwegingen: Vrouwelijk onrecht

Zoals gezegd, is uitsluitend gekeken vanuit de optiek van mannelijke auteurs die een eerste liefde beschrijven die gericht is op een meisje of vrouw. Nergens komt vrouw aan het woord die haar relaas doet, nergens is een jongen het object van begeerte, nergens dweept een meisje grenzeloos met een eerste liefde. Terwijl ze dat in werkelijkheid wel degelijk doen, natuurlijk. Deze keuze is deels ingegeven door methodologische overwegingen: een eenduidig perspectief (mannelijk) krijgt de voorkeur boven een gemengd perspectief (mannen en vrouwen). Anderzijds is het opvallend dat een eerste verkenning van bellettrie leert dat het aantal mannelijke auteurs dat schrijft over eerste liefde, vele malen groter lijkt dan het aantal vrouwelijke auteurs. Eén voorbeeld: in het boek Eerste liefde – Zeventien nieuwe Nederlandse verhalen ( Donk, Donath Tieges & De Vries 1983) staan zeventien verhalen, vier daarvan geschreven door een vrouw. Doen vrouwen dat minder? Schrijven over hun eerste? En zo ja, waarom? Omdat mannen/jongens niet inspirerend genoeg zijn? Omdat binnen de kunst in het algemeen het vrouwelijke geldt als verpersoonlijking van emotie, liefde, schoonheid, adoratie? Dat we daar als ‘publiek’ door beïnvloed zijn waardoor een beschrijving van een liefde - eerste of niet - haast per definitie aan mannen is gegund? Zijn vrouwen minder vatbaar voor de muziekdoos der herinnering dan mannen? Is het eenvoudiger en/of reëler om te schrijven over de lyrische ledematen van een vrouw dan die van een man? Vragen die hier geen antwoord krijgen… De keuze, ten behoeve van dit essay, voor een mannelijke invalshoek heeft een ongewild gevolg: de vrouwen uit de hier behandelde verhalen komen er bekaaid van af. Zij zijn het immers die alsmaar afwijzen, met gebrekkige empathie, en soms zelfs koud en bot. Ook in die zin doet dit essay vrouwen onrecht. Al zijn vrouwen daar in de loop der eeuwen aan gewend geraakt, wennen zal het nooit.

Toon en timbre van dit essay en de meerderheid van de gekozen citaten zijn sensitief. Eenzelfde toon ademt het populaire KRO televisieprogramma Memories waarin mensen, vaak na tientallen jaren, hun eerste liefde weer herontmoeten. Pure ‘emo-tv’ zoals het in modern jargon geldt. De aantrekkelijkheid van het programma ligt hierin, volgens presentatrice Anita Witzier: “Wat het programma voor mij aantrekkelijk maakt is de universele emotie die er aan ten grondslag ligt: het gevoel verliefd te zijn, van iemand te houden, je eerste zoen, is iets wat ieder mens meemaakt in zijn leven. Het is prachtig om van mensen te horen op welke manier zij dat hebben beleefd en nog steeds beleven. Dat maakt het een heel persoonlijk programma” ( http://memories.kro.nl/anitawitzier/anita.aspx). In elke aflevering zijn de oud-geliefden dolblij elkaar weer te zien. Maar is het verstandig om de eerste liefde, jaren na dato, weer te zien? De meningen zullen uiteenlopen. Fervent tegenstander van de herontmoeting is Youp van ’t Hek die in zijn show Schreeuwstorm zijn afkeer uitspreekt over “mensen van vroeger” die zich plotseling aandienen. In parafrase:

Sommige mensen moet je nooit meer terug zien. Zoals je eerste liefde, waaraan je zulke diepe en tedere herinneringen hebt. Een tijdje geleden trad ik op in Emmen. Na afloop ging de kleedkamerdeur open en stond ik oog in oog met mijn eerste liefde, let wel veertig jaar later. Ik wist niet dat er zoveel rimpels in een lijf pasten. En dat begon meteen als een dragonder tegen me te kakelen. Zo iemand denkt dat je op haar leven zit te wachten…. (…) Maar het allerergste is als je eerste liefde op een dag tegen je zegt: “Weet je dat ik al oma ben?” Maar dat is nog niets in vergelijking met de zin die daarop volgt: “Weet je wel hoe leuk het is om oma te zijn?” (Van ’t Hek 2007)

Toegegeven, het is een conference, maar als antidotum tegen de pure romantiek hier zeker welkom.

Overwegingen: Museumstukken

Herinneringen zijn vluchtig. Toch wil de (voormalig) verliefde die weemoed graag tastbaar maken. Dan Rhodes beschrijft in zijn wonderbaarlijke roman Antropologie de flat, na het vertrek van de geliefde, als een museum. Rhodes (2000:59):

Museum

Ik heb onze flat omgetoverd tot een museum. Bezoekers kunnen zich vergapen aan de gracieuze pumps die ze heeft achtergelaten, of aan de band waarmee ze haar haren uit het gezicht hield dat ik zovele malen heb gekust. Er zijn kasten vol foto’s en brieven die ze me heeft gestuurd. Aan de muur prijkt een ingelijste verjaardagskaart, met drie grote zoenen erop, in zilverkleurige inkt. Er komen nooit bezoekers, maar ik ben er wel elke dag en houd mijn hoofd dan zo stil als ik maar kan. Ik zou niet willen dat er hersencellen verloren gaan waarin dierbare herinneringen liggen opgeslagen.

Overdreven? Die associatie met een museum? Nauwelijks. In 2007 werd in het Berlijnse kunsthuis Tacheles een expositie ingericht onder de titel Museum der gebrochenen Beziehungen. Voor deze expositie stonden gewone mensen allerlei attributen af die hen herinnerden aan een teloorgegane liefde, plus het verhaal achter die liefde. Tot de museumstukken behoorden onder andere verlovingsringen, een trouwjurk, inline-skates, liefdesbrieven, een Vespa, galstenen, het houten been van een oorlogsveteraan (“de prothese bleek duurzamer dan onze relatie”, aldus de man), en zelfs een bijl waarmee een vrouw ooit de huisraad van haar ex te lijf ging ( Anoniem, 2007).

Bij het afscheid van de eerste liefde beginnen de zwerversjaren – de volwassen jaren – die zich al meteen aan de horizon aftekenen. Hooguit een enkeling zal een museum inrichten. Men verbindt de herinnering echter maar al te graag aan een relikwie, van veel lichter allure als de arme Florentino deed door de spiegel te kopen waarin Fermina ooit keek, of de roos die het arme jongetje ontfutselde aan de aanbeden Angélica, namelijk een ring, armband, brief, foto, boek, riem, haarborstel of haarlok. Dat is wat tastbaar resteert van de eerste liefde: relikwieën. Zoals Joseph Brodsky het uitdrukt:

Van elk geloof resteren

in de regel alleen maar relikwieën.

Oordeel over liefdes kracht, nu ik de dingen,

die jij hebt aangeraakt, tijdens je leven

vol pathos verander in heiligheden ( Broksky 1991:63).

En als Brodsky elders in dezelfde bundel schrijft:

Over twintig jaar kom ik de leunstoel halen,

waarin je tegenover mij hebt gezeten (59).

doet dat sterk denken aan de spiegel van Florentino. Attributen zijn belangrijk, niet alleen voor het koesteren van een liefde maar ook voor een tegenovergesteld doel: wraak. Zo krijgt minnares Elena te maken met de wraakgevoelens van de bedrogen partner die haar hele collectie van 39 strijkijzers daarbij in de strijd gooit:

Met een haak begon ik de bh’s en slips van Elena op te vissen. Ik hengelde ze naar binnen, legde ze op de strijkplank en verschroeide ze. Iedere keer gebruikte ik een ander strijkijzer om weer een andere afdruk achter te laten: grote en kleine zwarte driehoeken, brede en smalle. Daarna liet ik het kledingstuk op de patio vallen. De trut gaf mij de schuld, maar bewijzen kon ze niks. Ik ging door, nam nog meer voorzorgsmaatregelen, dat wel.

De bh’s en slips liet ik voor wat ze waren en ik breidde mijn strijkijzerpraktijken uit tot broeken, jurken en rokken. Ik schroeide ze daar waar de teef me het meest raakte. In al haar kleding brandde ik een gat ter hoogte van haar kruis, waar Nacho zo door was gehypnotiseerd. Elena stopte met kleding ophangen in de patio en op een dag verdween ze ( Barrios 2001:115).

Dit fragment stamt uit de zinderende ‘verhalenroman’ Ziek van liefde van de Spaanse Nuria Barrios die, verderop in het boek, een kort verhaal de titel gaf Het verlangen, bij de oren gevangen:

Ik ga je een verhaal vertellen.

Het verlangen is een haas. Het verschijnt, verbergt zich met een sprong in je armen, en met een sprong verdwijnt het weer.

Daar komt het. De obsessie mikt, schiet en bewaart de gewonde haas in een hoge hoed. Iedere nacht steekt zij haar hand in de donkere diepte en haalt het verlangen er bij de oren uit. Daar is het, ze vindt het altijd: gevangen, verminkt, van haar.

Pathologische liefdes. En welke liefde is dat niet (143)?

De zorgvuldigheid waarmee men herinneringen en relikwieën bewaart, maakt dat weinigen geheel loskomen van de eerste liefde, al is de herinnering zelden nog pijnlijk, eerder gedrapeerd in weemoed. Het is het koesteren, niet zozeer van de concrete liefde, als wel de herinnering aan die verliefdheid, alsook aan het vermogen op die wijze verliefd te zijn geweest, ingekleurd met speciale pasteltinten. Een eerbetoon aan de eerste liefde, hoe dan ook, want liefde is waarnemen, en wel op de allerscherpste manier.

Beschouwing: Het kalf der liefde ontleed

De rij auteurs die over eerste liefde schreven is erg lang, zoals gezegd. Voor een enkele auteur ligt in de eerste liefde ervaring zelfs de bakermat van het schrijverschap. Dat geldt voor Jorge Luis Borges en Vladimir Nabokov – die in het geheel niet de koele, cerebrale schrijvers zijn die men denkt. Borges: “Een vrouw, de eerste die de goden hem gaven, had hem opgewacht in het duister van een onderaards gewelf en hij zocht haar overal in gangen als stenen netten en op hellin­gen die in de donkere diepte verdwenen” ( Borges 1988:9). Nabokov in de roman Masjenka:

Hij was een god die een verloren gegane wereld herschiep. Langzaam maar zeker deed hij die wereld herleven, speciaal voor het meisje dat hij er niet in durfde te plaatsen voordat alles kant en klaar was. Maar door haar beeld, haar aanwezig­heid en de schaduw van haar herinnering werd hij gedwongen ook haar zelf te doen herleven - en met opzet verdrong hij haar beeld omdat hij dat geleidelijk, stap voor stap wilde naderen, net zoals negen jaar geleden ( Nabokov 1994:46).

De eerste liefde is een grote inspiratiebron én thema in Nabokovs werk. Hij schreef, behalve Masjenka, het verhaal Eerste liefde ( Nabokov 1996), dat later – in lichte bewerking - verscheen als hoofdstuk in zijn autobiografie Geheugen, spreek ( Nabokov 1992a). Ook de complexe roman Ada ( Nabokov 1992b)is, naast veel andere dingen, vooral eerste-liefde-roman.

De hier gepresenteerde bellettrie is geen representatieve steekproef. Toch is de keuze voor deze werken ook weer niet lukraak: Kierkegaard is ervaringsdeskundige, García Márquez’ boek is een klassieker, Barrios beschrijft een obsessieve vorm van eerste liefde, Koolhaas daarentegen het vluchtige, en Beckett draait het, zoals altijd, om. Zodoende doemen de contouren op van de kenmerken, symptomen en soms zelfs pathologie van de eerste liefde. Het woordje ‘symptomen’ is enigszins misleidend. Want deels gaat het om ‘echte’ symptomen, anderzijds wordt het begrip ‘symptoom’ hier soms gebruikt als metafoor. Vermoedelijk zou de term ‘tekens’ beter zijn, ware het niet dat ‘symptoom’ zo’n verleidelijk en mooi woord isHet Nederlands heeft helaas geen equivalent voor het Engelse ‘signs and symptoms’ van een diagnose, zijnde verschijnselen die iedereen kan waarnemen en bijbehorende zaken die eerder door de ‘lijder’ zélf worden gevoeld. Op tien meter afstand zie je namelijk dat iemand verliefd is, vaak al eerder dan het slachtoffer dit zelf beseft. Het is vruchtbaar om de tekenen van de eerste liefde te bezien vanuit het perspectief ‘ziekte’. Het doet niet alleen recht aan medisch jargon dat ook in het alledaagse taalgebruik rond (eerste) liefde wordt gehanteerd (in termen als ‘ziekelijk’ of ‘besmetting’), maar articuleert bovendien scherper het onderscheid tussen eerste liefde als voorbijgaande, noodzakelijke levenservaring en de pathologische variant van eerste liefde, zoals we zullen zien.

Waar de communis opinio wil dat een eerste liefde een weliswaar gloedvol, doch verder onschuldig verschijnsel is (denk maar aan de licht denigrerende term ‘kalverliefde’), benadrukken romanciers het paradoxale karakter ervan. De kwalificaties liegen er niet om: “relatiegeschenk van de duivel”, “fijn verdriet”, “noodzakelijke wreedheid”, de vergelijking tussen cholera en eerste liefde wier slachtoffers in quarantaine horen, en liefde als “ballingschap.” Een schrijver zoekt pathos, hij wenst drama, en het fenomeen ‘eerste liefde’ blijkt voldoende drama te bevatten voor aangrijpende romans.

Over de vatbaarheid voor eerste liefde bestaat geen twijfel: vrijwel niemand is immuun, iedereen raakt ooit ‘besmet’, vanwege onze tere mensenhuid. Er lijken twee soorten eerste liefdes te bestaan: de min of meer onschuldige passagère vorm, en de chronische variant. De basissymptomen van de twee varianten zijn eender: verlegenheid, blozen, bleke huid, stamelen, zwijgen, versnelde hartslag, opwinding, duizelingen, verdriet. Bij de meeste mensen verdwijnen deze symptomen bij het doven van de liefde. Dat geldt voor zowel ‘echte mensen’ als ‘papieren mensen.’ De lichte vorm valt te vergelijken met een fikse infectie die door adequate medicatie (lees: levenservaring ofwel het aloude medische ‘de tijd heelt alle wonden’) te verhelpen is. De eerste liefde is een, noodzakelijke, rite de passage, waarna een meer volwassen leven zich ontplooit.

Een enkeling echter loopt helemaal vast in het drijfzand van de eerste liefde, en ontwikkelt de chronische variant, een heuse pathologische vorm. Dat zijn mensen met karaktereigenschappen als introvert, dromerig, (over)romantisch met een neiging tot somberheid (Florentino Ariza en de naamloze jongen uit de novelle van Barrios), zonder dat de voorspellende waarde van die kenmerken erg groot is. Indicaties zijn een zanderige ademhaling, aanvallen van diaree en groen braaksel (Márquez), bloeddrukdaling, toenemende somberheid, jaloezie (Barrios) en ietwat overdreven betrekkingswaan (alle auteurs). Ze worden een soort stalkers, en koesteren de langgerekte zonsondergangschaduw van de eigen persoonlijke waarheid.

Het is niet gemakkelijk om heuse alarmsymptomen aan te wijzen, al mag krenking als zodanig gelden: de openbare vernedering die de jongen in de novelle van Barrios moet ondergaan, drijft hem richting waanzin. Maar ook de meer impliciete krenking van Florentino Ariza (als hij beseft dat zijn geliefde Fermina, in weerwil van wat hij meende, juist niet liefdevol aan hem dacht) kan de beslissende factor zijn die hem in de pathologische variant doet terechtkomen. Tegen deze chronische, obsessieve variant – lijkend op een verslaving, met kenmerken zelfs van een neurose - is geen kruid gewassen: aftreksels van lindebloesem noch het lichaam zalven met eau de cologne helpt. Deze chronische vorm is een ‘ziekelijke’ eerste liefde, de lichte vorm leidt alleen maar tot de mogelijkheid van een gezonde relativering.

Relativering of niet, met de teloorgang van de eerste liefde, ging ook iets ‘definitiefs’ verloren. De natuurlijke onschuld. “De inbreuk is gemaakt”, schreef Koolhaas, “maar stom genoeg ook gezocht.” Wat de kennismaking met de eerste liefde zo heftig maakt, is het ontbreken van een referentiekader. Het is volstrekt nieuw, niet toetsbaar aan eerdere ervaringen. Bij elke daarop volgende liefde is dat referentiekader er voortaan wel. Om die reden koestert menigeen een zwak voor zijn of haar eerste liefde.

Eerste liefde… het is zo’n mooi onderwerp. Toch is het na deze verkenning nog knap lastig daarover iets zinnigs te zeggen, laat staan te concluderen. Wat maakt dit onderwerp zo weerbarstig? Nussbaum helpt ons bij het definiëren van ‘liefde’, maar niet van ‘eerste liefde.’ Kierkegaard bespreekt het onderwerp uit eigen ervaring, maar laat toch niet het achterste van zijn tong zien. Bij de romanschrijvers doemen weer andere problemen op. In de eerste plaats is er het probleem van de leeftijd waarop men een eerste liefde meemaakt. Er zullen kleine of grotere verschillen zijn of dit gebeurt in de pre-puberteit, puberteit of pre-adolescentie, enkel en alleen al door het verschil in algemene levenservaring. Daarnaast speelt er nadrukkelijk een conceptuele verwarring: niet alle romanschrijvers – noch deze essayist – maken in alle gevallen een zo zuiver mogelijk onderscheid tussen verliefdheid, liefde, verliefd worden, verliefd worden op het idee verliefd te zijn, of zelfs verliefd zijn op het idee verliefd te zijn geweest.

Daarnaast zijn niet alleen bepaalde eigenschappen van de schrijver, maar ook die van de lezer van belang. Hoe oud is men als men leest over de eerste liefde? In welke tijd leeft men? Een goed voorbeeld hiervan is Goethes Das Leiden des jungen Werthers. Het waren indertijd louter de adolescenten die zich door dit boek het hoofd op hol lieten brengen. En de adolescenten van vandaag kijken wel beter uit om zich te verhangen voor een eerste liefde – mag men hopen – al zal ook de hedendaagse verliefde zich opmerkelijk willen kleden voor zijn of haar liefde. Bovendien hangt de uitspraak van Kierkegaard nog steeds als een slagschaduw boven deze tekst: er zijn meer eerste liefdes… De eerste liefde is niet altijd dezelfde eerste liefde.

In dit essay kwamen filosofen, romanschrijvers, dichters en een cabaretier aan bod. Als voorlaatste krijgt een politicus het woord, namelijk de fameuze Engelse staatsman en toenmalig minister-president Benjamin Disraeli (1804-1881) die stelde: “De betovering der eerste liefde is de onwetendheid dat zij een keer kan eindigen” ( Anoniem 1963).

Epiloog: koorzang

Herlezen, wat een heerlijke bezigheid is dat toch. Tevreden leg ik het zojuist gelezen boek, Lente in Fialta, neer. In de werkkamer klinkt Chöre für Doris van Karlheinz Stockhausen, naar een gedicht van Verlaine. Het koor beweegt zich strak en gelijkmatig, terwijl de lyrische sopraansolo - die de nachtegaal, de stem van de eerste liefde, verklankt – er doorheen fladdert. Kan iemand schrijven over eerste liefde, zonder met lichte weemoed in de achteruitkijkspiegel van de eigen levensgeschiedenis te blikken? Nauwelijks. Eerst kijk ik in mijn herinnerkistje, gevuld met schriften, kaartjes, brieven, de beduimelde pasfoto, de door een latere liefde verscheurde foto (een onvergeeflijke daad, nog steeds) en de armband met daarin haar naam gegraveerd. Lisette, het kleine, fragiele en gevoelige meisje uit mijn jeugd. Met het donker, golvend haar. Polsen en enkels als twijgjes. De eerste liefde… Geen slachtoffer van de pathologische variant, gelukkig, zo blijkt uit een brief van haar, geschreven enkele jaren na dato:

‘Onze tijd’ ben ik niet vergeten. Je ontmoet elkaar, ervaart wat vriendschap is en gaat weer verder, ieder zijn weg, maar neemt toch iets van de ander mee. Dat ‘iets’ doet ons nu schrijven. (…) Ik vind het fijn dat we elkaar niet helemaal verloren hebben en hoop dat dit ook niet gebeuren zal.

Dat ‘iets’ is de kern van vriendschap, in haar ogen, en de sintels van de eerste liefde. Waaraan ik zou willen toevoegen: weinig bepaalt ons mensen zozeer als de levens die we niet hebben geleid.

Ook na 35 jaar is er altijd nog contact, onregelmatig maar zonder uitzondering vol aangename warmte. Men blijft, hoe dan ook, elkaars vertrouweling. Nog steeds woont ze in haar geboorteplaats, Beeg, een Zuidlimburgs kerkdorp aan de Maas. Haar kinderen zijn inmiddels nagenoeg volwassen, maar zij is onverminderd even mooi als destijds. Het beeld van de eerste liefde wordt immers gebalsemd. Vlak voor afronding van dit manuscript, stuurde ik haar de tekst en vervolgens kon ik mij niet bedwingen en belde twee dagen later met haar. Ietwat lacherig én serieus met elkaar sprekend over de symptomen van de eerste liefde. Met schepjes putjes gravend in de zandbak vol herinneringen, waren wij het vrij snel eens: “Elke latere liefde is een imitatie.”

Noot

Frans Meulenberg is research-associate ‘Medical Ethics and Fiction’, at the Department of Medical Ethics and Philosophy of Medicine, Erasmus MC/University Medical Centre, Rotterdam, The Netherlands. E-mail address: frans.meulenberg@woordenwinkel.nl. Personal website: www.woordenwinkel.nl (in Dutch).

Met dank voor de kritiek op eerdere versies vooral aan prof. dr. Louw Feenstra, en daarnaast dr. Joost Haan, prof. dr. Inez de Beaufort en drs. Henk Maassen

Literatuur

Anoniem
1963 The pocket book of quotations. New York: Pocket Books.
2007 Liebeskummer lohnt sich. Der Tagesspiegel, 23-10-2007.
Barrios, E.
2007 De jongen die gek werd van liefde. Rotterdam: Ad Donker.
Barrios, N.
2001 Ziek van liefde. Amsterdam: Uitgeverij 521.
Beckett, S.
2006 Eerste liefde. Amsterdam: Atlas.
Borges, J.L.
1988 De maker. Amsterdam: Bezige Bij.
Brodsky, J.
1991 De herfstkreet van de havik. Amsterdam: De Bezige Bij.
Cunningham, A.
2001 The heart of what matters: The role for literature in moral philosophy. Berkeley/Los Angeles/London: University of California Press.
De Martelaere, P.
1993 Een verlangen naar ontroostbaarheid – Over leven, kunst en dood. Amsterdam/Leuven: Meulenhoff/Kritak.
Donk, A., Donath Tieges, W. & De Vries, W. (red)
1983 Eerste liefde – Zeventien nieuwe Nederlandse verhalen. Amsterdam: Meulenhoff.
Heumakers, A.
2000 De liefde van een zelfkweller - Søren Kierkegaard vertaald. NRC Handelsblad, 21-4-2000.
Kierkegaard, S.
2000 Of/Of. Een levensfragment, uitgegeven door Victor Eremita. Amsterdam: Boom, Amsterdam.
Koolhaas, A.
1984 Vanwege een tere huid. Amsterdam: Van Oorschot.
Márquez, G.G.
1986 Liefde in tijden van cholera. Amsterdam: Meulenhoff.
Nabokov, V.
1992a Geheugen, spreek. Amsterdam: De Bezige Bij.
1992b Ada. Amsterdam: De Bezige Bij.
1994 Masjenka. Amsterdam: De Bezige Bij.
1996 Eerste liefde. In: Verzamelde verhalen 2. Amsterdam: De Bezige Bij.
Nussbaum, M.
1998 Wat liefde weet – Emoties en morele oordelen. Amsterdam: Maarten Muntinga.
Rhodes, D.
2000 Antropologie & 100 andere verhalen in 101 woorden. Amsterdam: Vassalucci.
Van ’t Hek, Y.
2007 Schreeuwstorm. Uitgezonden op Nederland 1, 29 december 2007.