Zelfstandig ondernemerschap door mensen met een lichamelijke beperking

Mariët L. Veen, Sierdjan Koster, Peter D. Groote

Abstract

This paper evaluates the role of self-employment for people with disabilities. Self-employment can be seen as a means to circumvent barriers that people with disabilities face on the labour market. The advantages of self-employment, such as more flexibility, autonomy and control over work time and the layout of the work place, are particularly important for them. We asked twelve self-employed people with disabilities about their motivations for starting their own businesses and about the effects that decision had had on their lives. The interviews showed that the impairments and the barriers they faced on the labour market because of those impairments were not prime motives for starting their businesses. Their impairments did, however, play a catalyzing role. The impairments were also important in the (positive) effects of self-employment on their lives. Several respondents indicated that their self-employment had given them the opportunity to live their lives in ways that fitted them.

In Nederland hebben meer dan anderhalf miljoen mensen een matige of ernstige lichamelijke beperking (de Klerk 2007). Dat is ongeveer tien procent van de bevolking. Deze mensen hebben met elkaar gemeen dat ze zich in een kwetsbare positie op de arbeidsmarkt bevinden. Om volwaardig te participeren in de samenleving is het voor mensen met een beperking van belang deze positie te verstevigen (van den Hoogen et al. 2008; van den Brink-Muinen et al. 2007). Werk is namelijk belangrijk bij het aangaan en verkrijgen van sociale relaties, en het kan status, eigenwaarde en een politiek en sociaal bewustzijn creëren (Ashton en Maguire 1991; McDowell 2002; Verheul et al. 2001). Het hebben van een (betaalde) baan is de norm in de samenleving (Jehoel-Gijsbers et al. 2007; Kelly 2001) en voor veel mensen zijn het hebben van een baan en de kenmerken van die baan zelfs direct bepalend voor hun identiteit (Dyck 1999).

            In de politiek, die zich sinds ongeveer tien jaar richt op een inclusief beleid, waarin ‘meedoen’ en integratie hoog op de agenda staan, is het vinden van passend werk dan ook een belangrijk speerpunt geworden (van den Hoogen et al. 2008).

            Wij verwachten dat zelfstandig ondernemerschap een manier van werken zou kunnen zijn die goed past bij de capaciteiten en speciale wensen van mensen met een beperking (Henricks 2002; Jehoel-Gijsbers et al. 2007; Minderhoud & Korver 2003). Zelfstandig ondernemerschap biedt immers meer flexibiliteit, autonomie en controle (Schur 2002 en 2003).

            Om inzicht te krijgen in de mogelijkheden van zelfstandig ondernemerschap voor mensen met een beperking, is het van belang meer te weten over de motieven en ervaringen van ondernemers met een beperking. Daarom zijn twaalf mensen met een eigen bedrijf en een lichamelijke beperking geïnterviewd. De interviews gingen over de vraag in hoeverre hun lichamelijke beperkingen een rol gespeeld hebben in hun keuze voor zelfstandig ondernemerschap en welk effect dat gehad heeft op hun maatschappelijke participatie en kwaliteit van leven.

 

Literatuur

De moeilijke positie van mensen met een beperking is overal ter wereld zichtbaar in arbeidsvoorwaarden, werkloosheids- en armoedecijfers (Hall 1999; Minderhoud & Korver 2003; Oliver 1991; Schriner 2001). Tabel 1 vat deze indicatoren samen. Vanwege verschillen in definities van zowel ‘beperkingen’ als indicatoren, is het alleen mogelijk om binnen dezelfde rij vergelijkingen te maken, en niet tussen de verschillende rijen.

 

Bron

Jaar en land

Mensen met beperkingen (licht/zwaar)

Hele populatie (inclusief mensen met beperkingen)

Arbeidsparticipatie

Van den Brink-Muinen (2007)

2006, Nederland

40%

63%

 

Jehoel-Gijsbers et al. (2007)

2003, Nederland

49% (59%/31%)

64%

 

Greve (2009)/

European Commission (2010)

2002, EU

55% (62%/48%)

64,2%

 

Blanck et al. (2000)

1998, Verenigde Staten

30,4%

82,3%

Inkomen (berekend naar fulltime baan)

Blanck et al. (2000)

1997, Verenigde Staten

29513 USD

37961 USD

Gemiddelde werkweek (in uren)

Van den Brink-Muinen (2007)

2006, Nederland

28

35

Percentage van werkende mensen die fulltime werken

Blanck et al. (2000)

1998, Verenigde Staten

63,9%

81,5%

Tabel 1: Situatie op de arbeidsmarkt voor mensen met beperkingen

 

Deze slechte positie op de arbeidsmarkt heeft te maken met de manier waarop de maatschappij met mensen met beperkingen omgaat. Meer dan door hun eigen lichaam worden zij beperkt door de sociale en/of fysieke barrières die de maatschappij oplegt (Worth 2008; Gleeson 1999). Hall (1999) omschrijft hoe “… ‘disability’ een sociaal geconstrueerd concept is, en niet een natuurlijk gegeven ervaring” (Hall 1999: 141; eigen vertaling). Dat betekent dat de maatschappij op zo’n manier met mensen met een beperking omgaat dat hun beperking een handicap wordt. Dat gebeurt ook op de werkplek. Mensen met een beperking kunnen op sommige werkplekken gezien worden als ‘niet op hun plaats.’ Dat betekent dat ze niet overeenkomen met de “verwachte relaties tussen plekken, betekenissen en gebruiken” (Cresswell 2004: 104; eigen vertaling). Ze voldoen soms niet aan de signalen over wat wel en niet ‘hoort’ op een bepaalde plaats (Sibley,1995). Een voorbeeld hiervan is dat men vaak niet verwacht iemand in een rolstoel achter de receptie van een chique hotel aan te treffen.

            Dit ‘niet op zijn plaats’ zijn, gebeurt vooral op zichtbare werkplekken en in representatieve functies. Daar is het stereotiepe beeld van hoe een representatief lichaam eruit zou moeten zien dominant (McDowell et al. 2007). Het speelt echter ook bij andere functies. Werkgevers beoordelen mensen vaak impliciet op hun beperkingen (op wat ze niet kunnen) in plaats van op hun talenten (op wat ze wel kunnen), en discrimineren onbewust op basis van hun eigen verwachtingen over wat ze wel en niet zouden kunnen (Schur 2003; Blanck et al. 2000; Imrie 2001).

            Anderzijds speelt ook het individu en zijn of haar beperking, de ‘impairment’, een rol. Mensen met beperkingen kunnen te maken hebben met vermoeidheid of mobiliteitsproblemen, wat obstakels op de arbeidsmarkt kunnen zijn (van den Brink-Muinen et al. 2007). Ze hebben vaak behoefte aan extra flexibiliteit en autonomie in hun werktijden en in de inrichting van de werkplek (Blanck et al. 2000). Werkgevers zijn niet altijd in staat te voorzien in de benodigde aanpassingen, vanwege de kosten of de aard van het beroep (Cordingly 2007).

Er bestaat een interessante analogie met een andere sociaal-culturele groep die vergelijkbare problemen op de arbeidsmarkt ondervindt, en waar al meer onderzoek naar gedaan is: vrouwen (Ashton & Maguire 1991; Apitzsch 2003). Omdat vrouwen hun baan vaak combineren met de zorg voor hun gezin hebben zij net als mensen met een beperking vaak behoefte aan flexibiliteit in hun werktijden (Edwards & Field-Hendrey 2002; Hildebrand & Williams 2003; Ekinsmyth 2008). Daarnaast hebben ook zij te maken met sociale barrières op de arbeidsmarkt. Net als aan mensen met beperkingen, worden aan vrouwen vaak bepaalde stereotiepe karakteristieken toegeschreven over hoe zij in een bepaalde baan zouden functioneren (Heilman & Chen 2003). Kupferberg (2003: 91) maakt de analogie heel concreet: “Vrouwen komen de arbeidsmarkt op met een sociaal geconstrueerde handicap” (eigen vertaling).

            Er bestaat al een uitgebreide literatuur over zelfstandig ondernemerschap als een manier voor vrouwen om uit hun achtergestelde positie op de arbeidsmarkt te ontsnappen (de Goey et al. 2009; Verheul et al. 2001; Heilman & Chen 2003; Kupferberg 2003). Als zelfstandig ondernemer is het gemakkelijker om in deeltijd te werken, zelf te kiezen welke uren je wilt werken en controle te houden over je werktijden en werkplek (Wellington 2006). De mogelijkheid tot het combineren van werk en zorg blijkt inderdaad voor veel vrouwen de belangrijkste motivatie te zijn om hun eigen zaak te beginnen (Bruins & Snel 2008; Dirks et al. 2003; Hildebrand & Williams 2003). Mandos et al. (2001) en Stigter (1999) noemen zelfs een percentage van 60 procent van de vrouwelijke ondernemers waarvoor dit de belangrijkste motivatie zou zijn.

            Wereldwijd starten inderdaad steeds meer vrouwen hun eigen onderneming (Baycan Levent 2002; Dirks et al. 2003) en wordt vrouwelijk ondernemerschap belangrijk in het midden- en kleinbedrijf (Carter & Bennett 2006; Ekinsmyth 2008). Ook in Nederland is het percentage vrouwelijke ondernemers in de laatste twintig jaar aanzienlijk gegroeid, tot 33% van alle starters in 2007 (Bruins 2003; Bruins & Snel 2008).

Als problemen op de arbeidsmarkt van vrouwen en van mensen met een beperking analoog zijn, is het aannemelijk dat ook te veronderstellen van de oplossingen. Natuurlijk verandert zelfstandig ondernemerschap niets aan de fysieke beperkingen die mensen hebben. Het geeft een persoon echter wel de autonomie om zelf beslissingen te nemen over “de afstemming van inzetbaarheid en bedrijfsvoering” (Minderhoud & Korver 2003: 6). Ook als zelfstandig ondernemer heb je te maken met beeldvorming en vooroordelen, maar deze problemen lijken beter beheersbaar wanneer je eigen baas bent (Heilman & Chen 2003). Bovendien kun je een deel van de vooroordelen en discriminatie omzeilen omdat je niet aangenomen hoeft te worden door een werkgever en zelf kunt inschatten wat je wel en niet kunt. Daarnaast kan het werken vanuit huis en het communiceren via internet en telefoon een deel van het probleem van ‘niet op zijn plaats’ zijn verminderen.

            Secundaire data lijken te bevestigen dat zelfstandig ondernemerschap aantrekkelijk is voor mensen met een beperking. Voorlopige cijfers suggereren dat ondernemerschap door mensen met een beperking snel groeit. In de Verenigde Staten hebben mensen met een beperking bijna twee keer zo vaak een eigen onderneming als mensen zonder beperkingen (Ravesloot & Seekins 1996; Blanck et al. 2000). In Nederland werkt 13 procent van de mensen met matige of ernstige beperkingen als zelfstandige, tegenover 9 procent van de mensen zonder beperkingen. Dit komt neer op een aantal van ongeveer 37.000 zelfstandigen met matige of ernstige beperkingen (Jehoel-Gijsbers et al. 2007).

 

Data en methoden

Voor het empirische deel van het onderzoek hebben we twaalf gesprekken gevoerd met ondernemers met een lichamelijke beperking. Omdat het moeilijk bleek om deze mensen te vinden, zijn de respondenten niet op andere criteria geselecteerd. Dat betekent dat als iemand zichzelf als lichamelijk beperkt kwalificeerde en een eigen onderneming had dan wel van plan was er één op te starten, we ze vroegen om mee te werken. Zeven respondenten zijn gevonden omdat ze in de media geweest zijn. Door middel van de sneeuwbalmethode vonden we er daarna nog twee. Verder ontmoetten we twee respondenten op een congres voor chronisch zieken en reageerde één respondent op een bericht geplaatst op een digitaal sociaal netwerk. Omdat deze manier van selectie wel vereist van de respondenten dat ze zichtbaar durven zijn in de samenleving en hun verhaal willen delen, is het mogelijk dat de uitkomsten enigszins gekleurd zijn en dat de respondenten extraverter of activistischer zijn dan de gemiddelde ondernemer met een beperking.

            Op andere aspecten is de groep relatief divers (zie tabel 1). De groep bestaat uit vier mannen en acht vrouwen, variërend in leeftijd van 18 tot 73 jaar. Zes respondenten zijn met hun beperking geboren; de zes andere liepen deze beperking of ziekte later in hun leven op. Elf bezitten al een eigen bedrijf, één heeft plannen om een bedrijf te starten. Tien respondenten werken vanuit huis (of zijn van plan dat te gaan doen) terwijl twee respondenten een speciaal bedrijfspand hebben.

            Alle interviews zijn getranscribeerd en vervolgens gecodeerd en geanalyseerd in MaxQDA, een computerprogramma voor inhoudsanalyse. Vanwege het exploratieve karakter van het onderzoek was het alleen mogelijk de overkoepelende structuur van het gebruikte codeschema van te voren aan te geven. De lagere orde codes zijn door middel van ‘open coding’ (of ‘free coding’) opgebouwd. Zo konden we de interviews ook zoveel mogelijk zelf ‘laten spreken’.

Respondent

Geslacht

Leeftijd

Beperking/Chronische ziekte

A

Vrouw

39

Aantasting kraakbeen à rolstoel

B

Man

55

Dwarslaesie à rolstoel

C

Man

42

Nierziekte

D

Vrouw

33

Bindweefselafwijking à rolstoel

E

Vrouw

18

Hersenbeschadiging (gedeeltelijk verlamd) à rolstoel

F

Man

73

Dwarslaesie à rolstoel

G

Vrouw

34

Spastisch à rolstoel

H

Vrouw

39

Spierziekte à rolstoel

 I

Man

64

Blind

J

Vrouw

53

Chronische pijn/ whiplash

K

Vrouw

36

Spierziekte à rolstoel

L

Vrouw

42

Gedeeltelijk verlamd

Tabel 1: Kenmerken van de respondenten

 

Resultaten

De gesprekken gaven informatie over drie belangrijke thema’s. Dat zijn: (1) de mening van de respondenten over hun positie op de arbeidsmarkt en de bredere samenleving; (2) hun motieven voor de keus voor zelfstandig ondernemerschap; en (3) de effecten van deze beslissing op hun leven.

Arbeidsmarkt

Over het algemeen zien de geïnterviewde respondenten zichzelf niet als deel van een ‘achtergestelde’ groep. Volgens hen zijn voorzieningen in Nederland goed en zijn mensen met een beperking volwaardig lid van de maatschappij. “Je hebt hier zoveel dingen die goed zijn. Goeie voorzieningen. (…) In het buitenland is het allemaal niet zo makkelijk. (…) Voor gehandicapten. Die doen niet zo echt goed mee, zoals hier.” (respondent B)

            Veel respondenten menen zelfs dat er in Nederland soms een beetje té goed voor hen gezorgd wordt. Volgens hen zijn Nederlandse instanties te beschermend, en komt er, op het moment dat je een beperking oploopt, een ‘zorgwals’ over je heen om alles over te nemen. Door deze zorgwals leer je niet om voor jezelf te zorgen en is er geen ruimte voor zelfontplooiing en eigen initiatieven. “En dan zijn we in dit land niet echt positief ingesteld. (…) Maar je krijgt wel te horen wat er niet goed [is] en vooral wat er niet kan. (…) En ik kom heel vaak tegen, nu nog jammer genoeg, dat op het moment dat mensen een beperking hebben, ze van de buitenwacht toch wel vaker te horen krijgen van: Dat kan jij niet, maar dat moet je ook vooral niet willen omdat je het waarschijnlijk niet kan.” (G) Over de uitkeringsinstanties hebben de respondenten dezelfde soort ideeën. “Er wordt niet per persoon goed gekeken. Je bent een geval en er worden dingen ingevoerd in de computer en er komt een functioneringslijst uit en daar moet je maar aan voldoen.” (L) Ze hebben vaak het gevoel dat deze instanties liever hebben dat ze werkloos zijn, en daarmee aan een bepaalde norm voldoen.

            Ondanks dat 8 van de 12 respondenten al een baan hadden voordat ze begonnen met hun eigen bedrijf, vinden de meesten toch dat ze inderdaad een ongunstige positie op de arbeidsmarkt hebben. De mate waarin ze dit vinden, verschilt echter nogal. Sommige respondenten hebben begrip voor de moeilijkheden die het aannemen van iemand met een beperking met zich meebrengt. Zij vinden slechts dat werkgevers een beetje flexibeler zouden moeten zijn; “Dus ik denk dat daarin ook gewoon een heleboel lessen te leren zijn en ervaring is op te doen.” (J) Aan de andere kant van het spectrum bevinden zich de respondenten die zich echt gediscrimineerd voelen; “Maar als je opbelt dan is het vaak al van, als je zegt dat je een handicap hebt (…) dan zeggen ze vaak gelijk al nee.” (E) En “Maar die worden gewoon iedere keer van, ja sorry maar we hebben al iemand anders. Ze zeggen het nooit rechtstreeks natuurlijk. Maar je merkt het gewoon wel.” (L)

            Daartussen bestaan veel andere meningen, zoals het gevoel dat wanneer je een beperking hebt, je jezelf meer moet bewijzen, en dat je vaak onderschat wordt. “Ze denken gewoon dat weet hij niet of dat kan hij niet of dat kunnen wij wel vlugger of beter..” en “Want in loondienst blijf je altijd de tweede viool spelen. Dat is bijna nooit dat je dan een toppositie bereikt.” (I)

            Ze erkennen ook het sociale aspect van het hebben van een beperking: “Die rolstoel hoeft ook geen beperking te zijn, als de samenleving er maar op ingericht zou zijn. Al die winkels met een trapje of een drempel, dán heb ik een beperking. De mensen realiseren zich vaak niet dat de maatschappij je meer gehandicapt maakt dan nodig is.” (H)

Motieven voor ondernemerschap

Alle respondenten gaven blijk van een sterke ‘self-efficacy’. Dat betekent dat ze een groot vertrouwen hebben in zichzelf, in hun eigen kunnen, en het vermogen om hun doelen te bereiken (Coutu et al. 2007). Veel respondenten gaven aan zich te focussen op hun mogelijkheden en kwaliteiten. “Dus ik ga steeds meer uit van wat ik kan, en niet van wat ik niet kan.” (B) “Maar als je het toch eenmaal hebt, kun je er beter leuke dingen mee doen (…) Er zijn veel mensen die denken meer aan wat ik niet kan. Je moet meer denken aan wat je wel kunt.” (H)

            Bovendien hadden de respondenten een sterk geloof in hun interne ‘locus of control.’ Dat houdt in dat ze geloven dat ze zelf de regie en controle hebben over wat er gebeurt in hun leven (de Wit 1991). “En dan denk ik ja, er is er maar eentje verantwoordelijk voor jouw leven. Er zijn wel andere mensen bij betrokken die daar invloed op kunnen hebben, maar de verantwoording en het veranderen dat is er maar een. Dat ben jij.” (G) “Ik heb geleerd dat, niet mijn omstandigheden bepalen mijn levenskwaliteit, maar hoe ik daarmee omga.” (B)

            Interessant is dat in literatuur over ondernemerschap zowel self-efficacy als een interne locus of control als belangrijke determinanten voor (succesvol) ondernemerschap gezien worden (Rauch & Frese 2007; Delmar 2006). Toen we de respondenten specifieker naar de belangrijkste reden voor hun ondernemerschap vroegen, gaven ze inderdaad bijna allemaal een antwoord waaruit hun ondernemende karakter bleek. Sommige respondenten gaven aan een eigen bedrijf gewoon helemaal te zien zitten: “Omdat het mij heel erg leuk lijkt om mijn eigen bedrijf te hebben. Ook alles eromheen en alles gewoon zelf, zelf dingen doen.“ (E) “Na een aantal jaren dacht ik van nou ik vind het [mijn oude werk] hartstikke leuk, maar ik wil het eigenlijk nog liever voor mezelf doen.” (J) Anderen hebben een sterke behoefte aan autonomie: “Ik ben niet iemand die graag onder leiding werkt.” (I) “Ik houd niet zo van baasjes.” (B).

            Het ondernemende karakter bleek ook uit het feit dat een aantal respondenten antwoordde dat ze een gat in de markt hadden ontdekt, of dat ze dachten het zelf beter te kunnen doen dan een bestaand bedrijf: “Zodoende ben ik eigenlijk gaan kijken op internet, is er een bedrijf die dat werk doet? (…) Nou ja, dat was er niet. Dus toen dacht ik dan ik ga het zelf wel doen.” (K) “Je hebt gewoon iets te bieden wat anderen niet hebben.” (H)

            De beperkingen van de respondenten en de problemen op de arbeidsmarkt die daarmee gepaard gaan zijn dus helemaal niet de belangrijkste argumenten voor het opzetten van een eigen bedrijf. In plaats daarvan bleek het ondernemende karakter van de respondenten het belangrijkste geweest te zijn. Toen de respondenten gevraagd werd of ze dachten dat ze, als ze geen beperking gehad zouden hebben, ook een bedrijf gehad zouden hebben, antwoorden ze dan ook bevestigend: “Ik was wel zeker een bedrijf gestart.” (C) “Dat past wel bij mijn persoonlijkheid om zelf iets te doen.” (B)

            Na de bevestigende antwoorden, volgde meestal wel een nuancering. Want dat de beperking bij bijna alle respondenten niet de belangrijkste motivatie is geweest, betekent niet dat deze geen rol heeft gespeeld. Voor alle respondenten gold namelijk dat hun behoefte aan flexibiliteit een secundaire rol had gespeeld: “Ja, dat ik mijn eigen tijden kon indelen.” (K) “Ik denk eigenlijk wel dat het een extra motivatie was. Het gaf me net dat extra duwtje.” (J) Voor sommige respondenten gold dat hun beperking wel degelijk van grote invloed is geweest op het verloop van hun carrière en indirect ook op hun keuze voor het ondernemerschap. Eén respondent zei dat hij naast zijn ondernemende karakter ook het gevoel had niet echt een andere keuze te hebben: “En toen ben ik op de lagere school eigenlijk al begonnen met het idee van, nou, als ik wat wil, moet ik voor mezelf beginnen.” (I) Een andere respondent gaf aan dat hij vanwege zijn lichamelijke conditie niet meer het werk kon uitvoeren wat hij in het verleden deed, waardoor hij uiteindelijk zijn hele carrière omgooide; “Dat is gewoon een praktische keuze, het is het beste wat mogelijk is op dit moment.” (B) Een derde respondent vertelde dat zijn beperking hem de mogelijkheid had gegeven om zijn oude baan te verlaten en te gaan doen wat hij echt leuk vond; “Voor mij is het een geluk bij een ongeluk geweest. Niet dat ik het niet graag anders gehad had, maar deze kant zit daar ook aan.” (F) Twee respondenten (L en A) zeiden dat ze altijd al wel een eigen bedrijf hadden willen hebben, maar dat hun beperking ervoor gezorgd had dat ze het veel eerder hadden gedaan dan anders. Ze hadden liever eerst meer ervaring opgedaan, maar konden door hun beperking niet meer blijven werken bij hun oude werkgever. Om toch hetzelfde werk te kunnen blijven doen, begonnen ze hun eigen bedrijf, waardoor ze de flexibiliteit kregen die ze nodig hadden.

            Ondanks dat bijna alle respondenten dus aangaven dat hun beperking niet de belangrijkste motivatie vormde voor hun keuze voor ondernemerschap, was er één (D) die zei dat dat voor haar wel gold. Deze vrouw is zo ernstig beperkt dat ze de meeste tijd thuis liggend doorbrengt en eigenlijk niet haar huis uit kan. Ze heeft lange tijd geen baan gehad toen ze de mogelijkheid kreeg een on-line uitgeverij over te nemen, wat ze vanuit haar bed kon doen. Ze vertelde dat dit voor haar de enige manier was om te werken.

Effecten van ondernemerschap

Omdat acht van de twaalf respondenten al een baan hadden voor ze ondernemer werden is het erg moeilijk conclusies te trekken over in hoeverre zelfstandig ondernemerschap kan leiden tot meer participatie. Van de vier respondenten die uit een positie zonder werk kwamen, was het ondernemerschap voor twee van hen het begin van hun carrière. Eén respondent (L) had een paar jaar voor het fulltime moederschap gekozen. Toen ze daarna niet gemakkelijk weer een baan vond, koos ze voor het zelfstandig ondernemerschap, omdat ze dacht dat dat de beste manier was om het werk wat ze graag deed uit te kunnen voeren.

            Eén respondent gebruikte het ondernemerschap wel echt als een manier om toegang te krijgen tot de arbeidsmarkt. Omdat zij al actief was in vrijwillige functies, leidde het voor haar niet tot meer sociale contacten. Wel zorgde het ondernemerschap ervoor dat ze zich beter ging voelen over zichzelf; “Maar ik had wel altijd zoiets van dan werk ik tenminste ook eens. Ja, je faalt voor je gevoel, nee falen dat niet, maar het was ook nooit mijn bedoeling om volledig thuis te zitten. (…). Ik moet ook wel zeggen dat ik er een beetje trots op ben.” Ook denkt ze dat het werken goed is voor haar eigen ontwikkeling: “Ik denk dat ik er ook een stukje zelfverzekerder door ben geworden. (…) Ik denk dat het voor mijn ontwikkeling in het algemeen ook gewoon wel goed is geweest. (…) Nou ja, ik heb wel ontdekt sinds ik zelf gewoon werk dat er gewoon veel meer kan. Dat wist ik ook wel. Maar er is natuurlijk veel meer mogelijk dan je denkt.” (D)

Ditzelfde beeld blijkt uit de interviews met de overige respondenten. Omdat ze allemaal al een actief leven leidden, zorgde het ondernemerschap niet voor meer sociale contacten. Integendeel, twee respondenten gaven zelfs aan dat ze het best eenzaam vonden om hun eigen bedrijf te hebben, omdat het betekende dat ze geen collega’s meer hadden; “Toen ik werkte bij dat accountantskantoor, had ik bijvoorbeeld ook collega’s die ook vrienden waren. Dan kwam je ook bij mekaar op visite. Maar dat heb je in principe nou niet. Want je gaat niet zomaar op visite bij een klant ’s avonds. Nee, dat doe je niet.” (L)

Alle respondenten zagen echter wel andere positieve effecten van hun ondernemerschap. Een effect wat vaak genoemd werd was een gevoel van trots en voldoening; “Ik heb iets wat ik zelf heb opgebouwd. Terwijl ik nierpatiënt ben. Ja, ik ben er zeker trots op.” (C) “Dat je juist heel veel eigenwaarde ervoor terugkrijgt, eigenwaarde van mijn leven kunnen opbouwen, ik hoef mijn hand niet meer op te houden.” (F) De respondenten zeggen dat ze gegroeid zijn en dat deze manier van werken ze goed laat voelen over zichzelf; “De mogelijkheid om te ontdekken waar mijn talenten liggen en dat het dus wel kan. Het enige wat ik wilde was een eigen huis en een baan. Niet eens veel geld. Ik wilde gewoon mijn plekje in deze wereld.” (G)

Niet alleen voelen de respondenten zich beter over zichzelf, ze voelen zich als ondernemer ook meer geaccepteerd en gerespecteerd door anderen; “Ik krijg heel veel waardering van klanten. Dat doet me erg goed. (…) Dat vind ik zo belangrijk. Nog belangrijker bijna dan het geld. Ik bedoel, ik denk dat het een levensbehoefte is van iedereen, om jezelf zeg maar, ja om dienstbaar te zijn aan de samenleving. (…) dat is toch het mooiste wat er is, dat je kunt meedoen.” (B)

Een ander belangrijk positief effect dat genoemd heeft en wel te maken heeft met hun lichamelijke beperkingen is flexibiliteit. “Ik kan het gewoon meer zelf indelen. Ik maak zelf mijn afspraken. (…) Dat werkt gewoon heel goed. (…) Ik had niet gedacht dat het zoveel impact zou hebben.” (J) Het kunnen indelen van je eigen tijd heeft het leven voor de respondenten makkelijker en leuker gemaakt. Ze hebben minder stress en houden meer tijd en energie over voor ook een leven naast hun werk. Één respondent (A) zei dat het leven naast haar baan minder beperkt is geworden, en dat ze zich zoveel beter voelt dat ze zelfs een ‘leuker mens’ geworden is.

            Daarnaast gaven enkele respondenten ook aan dat de mogelijkheid tot het bewaken van de eigen grenzen en het beter kunnen luisteren naar het eigen lichaam goed geweest is voor hun gezondheid; “Het is ook opvallend dat ik de laatste 4 jaar veel minder klachten heb. (…) Ik denk dat het te maken heeft met dat ik gewoon meer mijn eigen tijd kan indelen en steeds flexibel daarmee om kan gaan. (…) Dat is echt een opvallend verschil.” (J) Een andere respondent (B) vermeldde dat hij vindt dat zijn kwaliteit van leven behoorlijk omhoog gegaan is, en hij meer van het leven kan genieten.

Een laatste gunstig effect tenslotte is meer materialistisch. Het zelf kunnen indelen van de werktijden heeft veel respondenten de mogelijkheid gegeven om meer uren te werken, en voor verscheidene heeft dit geleid tot een hoger inkomen. Voor hen heeft dit het leven iets gemakkelijker en iets leuker gemaakt. “Ik kan mijn kinderen bieden wat ik wil, we kunnen op vakantie gaan, we kunnen sporten wat we willen. Weet je, ik heb wat meer bewegingsvrijheid.” (C)

Natuurlijk kent het zelfstandig ondernemerschap niet enkel positieve effecten. Het krijgen van meer controle over werkplek en werktijden klinkt voor veel mensen erg aanlokkelijk, maar is in de praktijk vaak gecompliceerd. Sommige respondenten is het hebben van een eigen bedrijf dan ook niet meegevallen. Zo spreken zij over hoe door het thuis werken hun werk- en privéleven door elkaar gaan lopen en vinden sommigen het eenzaam om alles zelf te moeten doen. Ook vallen de extra tijd die het hebben van een eigen bedrijf kost en de onzekerheid en verantwoordelijkheid die het met zich meebrengt sommige respondenten zwaar. “En ondernemen is ook, zoveel dingen moet je doen. Daar heb ik heel veel moeite mee gehad om mee te leren omgaan. (…) Al die dingen die erbij komen kijken. (…) Ik vind het ook best zwaar, ondernemen. Dus dat is wel tegen gevallen.” (K) “Je kan niet ondernemer zijn zonder risico. Dus daar moet je voor kiezen. (…) Als ik rijk had willen worden zeg maar, of rijk, maar welgesteld had ik beter gewoon kunnen blijven werken waar ik werkte. Dan had ik gewoon een bepaalde zekerheid gehad, en pensioen en al je verzekeringen op orde enzovoorts, nou dat heb ik nu niet. Maar ik heb het er heel graag voor over.” (J)

            Er bestaat dus wel degelijk een keerzijde van de medaille, maar bij deze groep respondenten is deze ondergeschikt aan de voordelen die het zelfstandig ondernemerschap hun biedt.

 

Conclusie

In dit artikel hebben we de rol van zelfstandig ondernemerschap voor mensen met een beperking geëvalueerd. Mensen met een lichamelijke beperking hebben een ongunstige positie op de arbeidsmarkt vanwege hun eigen, fysieke, wensen en behoeften, maar ook vanwege sociale barrières waar ze tegen aan lopen, zoals vooroordelen en discriminatie. Uit onderzoek is gebleken dat relatief veel vrouwen die met vergelijkbare sociale barrières te maken hebben, zelfstandig ondernemerschap gebruiken als een manier om deze te omzeilen. Onze verwachting was dat ondernemers met een beperking dit als belangrijkste motief voor hun keus voor ondernemerschap zouden noemen. We verwachtten ook dat het op deze manier kunnen deelnemen aan het arbeidsproces kan leiden tot meer participatie in de maatschappij als geheel, bijvoorbeeld door meer sociale contacten en meer zelfvertrouwen.

Uit de interviews is gebleken dat zelfstandig ondernemerschap zeker kan helpen bij het vermijden van fysieke barrières. De respondenten gaven aan dat zelfstandig ondernemerschap een manier is om hun werk te kunnen doen op een manier die voor hen prettig en haalbaar is. Ook vertelden ze dat hun behoefte aan flexibiliteit een rol had gespeeld in hun keuze voor het ondernemerschap, ook al was het niet het belangrijkste motief geweest,. De toegenomen flexibiliteit werd ook als één van de belangrijkste effecten genoemd.

            Wat betreft de sociale barrières en effecten zijn de conclusies minder duidelijk. Veel respondenten hadden al een baan voordat ze ondernemer werden, en vrijwel allemaal leidden ze een actief leven. De sociale barrières werden vrijwel nooit als motief genoemd en ook al spraken de respondenten wel vaak over de sociale effecten, die leken toch ook veel met hun persoonlijkheid te maken te hebben. De interviews lieten zien dat de respondenten zich wel vaak ‘niet op hun plaats’ hadden gevoeld in hun werksituatie, maar dat dat niet zozeer met hun beperking te maken had gehad. Ze hadden zich ‘niet op hun plaats’ gevoeld als werknemers, vanwege hun behoefte aan autonomie en hun sterke interne ‘locus of control’. Het was dat gevoel van ‘niet op hun plaats’ zijn dat geleid had tot hun keuze voor het ondernemerschap.

We kunnen concluderen dat voor deze groep respondenten het zelfstandig ondernemerschap een manier is gebleken om sommige van de problemen die zij op de arbeidsmarkt tegenkomen op te lossen. Het ondernemerschap heeft aspecten die extra aantrekkelijk zijn voor mensen met een beperking, en de gesprekken hebben laten zien dat het zeker een positief effect kan hebben op hun levens. Alle respondenten zeiden zeer tevreden te zijn met de stap die ze gezet hadden.

            Echter, de groep respondenten is niet helemaal representatief voor alle mensen met een beperking, omdat zij de stap naar het ondernemerschap al gezet hebben en, belangrijker nog, succesvol zijn. Zij vormen een zichtbare groep, en het kan zijn dat er daardoor een rooskleurig beeld van het zelfstandig ondernemerschap ontstaan is. Een onderzoek naar zelfstandig ondernemerschap onder andere groepen mensen met beperkingen, mensen bij wie het minder past, die de beslissing genomen hebben om juist niet voor zichzelf te beginnen of wel begonnen zijn maar wie het niet gelukt is, zou waarschijnlijk een ander beeld opleveren, waarin de negatieve kanten, die het zelfstandig ondernemerschap immers ook kent, wellicht prominenter naar voren zouden komen.

Als het lichaam een beperking heeft, wordt deze beperking vaak een onderdeel van iemands identiteit (Wright 1960). Inderdaad was deze ‘beperking-ik’ deel van de identiteit van alle respondenten. Echter, de beperking bleek maar een heel klein deel van hun identiteit te bepalen. De respondenten lieten duidelijk zien dat ze niet hun beperking zijn, maar deze slechts hebben. Veel belangrijker was dat ze naast het deel van hun identiteit dat te maken heeft met hun beperking, ook een duidelijke ’ondernemers-ik’ hebben. Vanwege dat deel van hun identiteit was de keuze voor het ondernemerschap voor hen een logische stap, en een die werkte. Omdat we in deze groep respondenten maar met één iemand gepraat hebben die aangaf niet over dit ‘ondernemersbloed’ te beschikken, kunnen we moeilijk conclusies trekken over de geschiktheid van ondernemerschap voor alle mensen met beperkingen in het algemeen.

            Hansen en Philo schrijven in een artikel uit 2007 dat mensen met beperkingen veel tijd en energie kwijt zijn met het proberen zo normaal mogelijk te zijn. Zij zeggen dat er veel gewonnen kan worden als ze deze energie anders zouden gebruiken. Daarmee pleiten ze voor “the normality of doing things differently” (p. 502).

            Hun artikel is van toepassing op dit onderzoek. Alle respondenten zijn mensen die al lang actief besloten hebben om te participeren, om mee te doen; “Toen zei ik ‘Hallo, ik ben pas dertig en ik wil niet met mijn dertigste stoppen met leven.’ Het gaat wel achteruit maar ik wil er wel uithalen wat erin zit.” (H) Om te kunnen participeren en een actief leven te leiden, hebben deze mensen de regie over hun eigen leven genomen en doen ze alles op hun eigen manier. Door hun leven in te richten op een manier die bij hen past, waarvan ook het zelfstandig ondernemerschap deel is, zijn ze erin geslaagd mee te doen in de maatschappij. Zoals één respondent het verwoordde: “Ik kan alles wat jij ook kan. Alleen op mijn eigen manier.” (G)

 

Noot

Alle auteurs zijn verbonden aan het Urban and Regional Studies Institute, Faculteit der Ruimtelijke Wetenschappen, Rijksuniversiteit Groningen.

Mariët Veen is PhD-student bij de basiseenheid Culturele Geografie. Ze is in juli 2009 begonnen aan haar onderzoek ‘Entrepreneurship of the disabled and chronically ill in the Netherlands: Motives, values and the importance of place’.

Sierdjan Koster is universitair docent bij de basiseenheid Economische Geografie. Zijn huidige onderzoeksinteresses zijn onder andere ondernemerschap en regionale ontwikkeling.

Peter Groote is universitair hoofddocent bij de basiseenheid Culturele Geografie. Zijn huidige onderzoeksinteresses richten zich onder meer op: erfgoed, regionale identiteit en geografieën van dood en herinnering.

Correspondentie adres: Postbus 800, 9700 AV Groningen. E-mail: m.l.veen@rug.nl

De auteurs danken alle respondenten voor hun waardevolle bijdrage en hun openhartigheid. Zonder hen zou dit onderzoek niet mogelijk geweest zijn. Verder dank aan de reviewers voor hun suggesties en commentaren op een eerdere versie van dit artikel.

 

Literatuur

Apitzsch, U.
2003    Gaining autonomy in self-employment processes. The biographical embeddedness of women's and migrants' business. International Review of Sociology 13(1): 163-82.
 
Ashton, D. N. & M. Maguire
1991    Patterns and experiences of unemployment. In: P. Brown, & R. Scase (eds), Poor work: Disadvantage and the division of labour. Philadelphia: Open University Press, pp. 40-55.
 
Baycan Levent, T.
2002    Diversity in entrepreneurship: Ethnic and female roles in urban economic life. Amsterdam: Vrije Universiteit.
 
Blanck, P. D. et al.
2000    The emerging workforce of entrepreneurs with disabilities: Preliminary study of entrepreneurship in Iowa.Iowa Law Review 85(5): 1583-1670.
 
Brink-Muinen, A. van den., P. Spreeuwenberg & P.M. Rijken
2007    Kerngegevens maatschappelijke situatie 2006: Nationaal panel chronisch zieken en gehandicapten. Utrecht: NIVEL.
 
Bruins, A.
2003    Minirapportage: Stimuleren van vrouwelijk ondernemerschap. Zoetermeer: EIM.
 
Bruins, A. & D. Snel
2008    Vrouwen aan de start; een vergelijking tussen vrouwelijke en mannelijke starters en hun bedrijven. Zoetermeer: EIM.
 
Carter, S. & D. Bennett
2006    Gender and entrepreneurship. In: S. Carter, & D. Jones-Evans (eds), Enterprise and small business: Principles, practice and policy, 2nd edition. Harlow, Essex: Pearson Education Limited, pp. 176-91.
 
Cordingly, K. L.
2007    The emerging geographies of work and identity: Exploring alternative employment strategies and work subjectives of women with multiple sclerosis (MS). Morgantown: Department of Geology and Geography, West Virginia University.
 
Coutu, M.-F. et al.
2007    Representations: An important key to understanding workers' coping behaviors during rehabilitation and the return-to-work process. Journal of Occupational Rehabilitation 17(3): 522-44.
 
Cresswell, T.
2004    Place: A short introduction. Oxford: Blackwell Publishing.
 
Delmar, F.
2006    The psychology of the entrepreneur. In: S. Carter & D. Jones-Evans (eds), Enterprise and small business: Principles, practice and policy, 2nd edition. Harlow, Essex: Pearson Education Limited, pp. 152-75.
 
Dirks, F., M. Rosenbrand & N. Bosma
2003    De overstap naar het ondernemerschap: Levensloop, beweegredenen en obstakels. Tilburg: Organisatie voor Strategisch Arbeidsmarktonderzoek.
 
Dyck, I.
1999    Body troubles: Women, the workplace and negotiations of a disabled identity. In: R. Butler & H. Parr (eds), Mind and body spaces: Geographies of illness, impairment and disability. London: Routledge, pp. 119-37.
 
Edwards, L. N. & E. Field-Hendrey
2002    Home-based work and women's labor force decisions. Journal of Labor Economics 20(1): 170-200.
 
Ekinsmyth, C.
2008    "I was just trying to find something that worked around life": New spaces and practices of female entrepreneurship. Conference paper, Barcelona.
 
European Commission
2010    http://epp.eurostat.ec.europa.eu/portal/page/portal/eurostat/home/. Geraadpleegd op 9 maart 2010.
 
Gleeson, B. J.
1999    Geographies of disability. London: Routledge.
 
Goey, F. de, J. van Gerwen & H. van Driel
2009    De veerkracht van de zelfstandige ondernemer: Ondernemers en midden- en kleinbedrijf in Nederland, de Verenigde Staten en Groot-Brittanië vanaf 1950.Tijdschrift voor Sociale en Economische Geschiedenis 6(3): 53-81.
 
Greve, B.
2009    The labour market situation of disabled people in European countries and implementation of employment policies: A summary of evidence from country reports and research studies. Academic Network of European Disability Experts.
 
Hall, E.
1999    Workspaces: Refiguring the disability-employment debate. In: R. Butler & H. Parr (eds), Mind and body spaces: Geographies of illness, impairment and disability. London: Routledge, pp. 138-54.
 
Hansen, N. & C. Philo
2006    The normality of doing things differently: Bodies, spaces and disability geography.Tijdschrift voor Economische en Sociale Geografie 98(4): 493-506.
 
Heilman, M.E. & J.J. Chen
2003    Entrepreneurship as a solution: The allure of self-employment for women and minorities. Human Resource Management Review 13: 347-64.
 
Henricks, M.
2002    Not just a living: The complete guide to creating a business that gives you a life. Cambridge: Perseus Publishing Group.
 
Hildebrand, V. & D.R. Williams
2003    Self-employment and caring for children: Evidence from Europe. No. IRISS-C/I Working paper 2003-06. Differdange, Luxembourg: CEPS/INSTEAD.
 
Hoogen, P. van den et al.
2008    Deelname aan de samenleving van mensen met een beperking: Participatiemonitor 2007. Utrecht: NIVEL.
 
Imrie, R.
2001    Barriered and bounded places and the spatialities of disability.Urban Studies 38(2): 231-37.
 
Jehoel-Gijsbers, G., M. de Klerk & J.M. Wildeboer Schut
2007    Arbeid en inkomen. In: M. de Klerk (ed), Meedoen met beperkingen. Rapportage gehandicapten. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau, pp. 68-108.
 
Kelly, M. P.
2001    Disability and community: A sociological approach. In: G. L. Albrecht, K. Seelman & M. Bury (eds), Handbook of disability studies. London: Sage. http://www.sage-ereference.com/hdbk_disability/ (12 Augustus 2009).
 
Klerk, M. de
2007    Meedoen met beperkingen. Rapportage gehandicapten. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.
 
Kupferberg, F.
2003    The established and the newcomers: What makes immigrant and women entrepreneurs so special?International Review of Sociology 13(1): 89-104.
 
Mandos, E., C. Kuiper & J. Bouwmeester
2001    Vrouwelijke zelfstandigen en de combinatie van arbeid en zorg: Eindrapport. Leiden: Research voor Beleid.
 
McDowell, L.
2002    Cultures of labour - work, employment, identity and economic transformations. In: K. Anderson (ed), Handbook of cultural geography. London: Sage Publications, pp. 98-115.
 
McDowell, L., A. Batnitzky & S. Dyer
2007    Division, segmentation, and interpellation: The embodied labors of migrant workers in a greater London hotel.Economic Geography 83(1): 1-25.
 
Minderhoud, J. & A. Korver
2003    Van A tot Z; van arbeidsongeschiktheid naar zelfstandig ondernemen. Hoofddorp: TNO Arbeid.
 
Oliver, M.
1991    Disability and participation in the labour market. In: P. Brown & R. Scase (eds), Poor work: Disadvantage and the division of labour. Philadelphia: Open University Press, pp. 132-46.
 
Rauch, A. & M. Frese
2007    Let's put the person back into entrepreneurship research: A meta-analysis on the relationship between business owners' personality traits, business creation, and success. European Journal of Work and Organizational Psychology 16(4): 353-85.
 
Ravesloot, C. & T. Seekins
1996    Vocational rehabilitation counselors' attitudes toward self-employment outcomes. Rehabilitation Counseling Bulletin 39(3): 189-205.
 
Schriner, K.
2001    A disability studies perspective on employment issues and policies for disabled people: An international view. In: G. L. Albrecht, K. Seelman & M. Bury (eds), Handbook of disability studies. London: Sage. http://www.sage-ereference.com/hdbk_disability/ (12 Augustus 2009).  
 
Schur, L. A.
2002    Dead end jobs or a path to economic well being? the consequences of non-standard work among people with disabilities. Behavioral Sciences & the Law 20(6): 601-20.
 
Schur, L. A.
2003    Barriers or opportunities? The causes of contingent and part-time work among people with disabilities. Industrial Relations 42(4): 589-622.
 
Sibley, D.
1995    Geographies of exclusion. London: Routledge.
 
Stigter, H. W.
1999    Vrouwelijk ondernemerschap in Nederland 1994-1997: Een studie naar overeenkomsten en verschillen tussen vrouwelijke en mannelijke ondernemers in de eerste jaren na de start. Zoetermeer: EIM.
 
Verheul, I. et al.
2001    An eclectic theory of entrepreneurship: Policies, institutions and culture. Amsterdam: Tinbergen Institute.
 
Wellington, A. J.
2006    Self-employment: The new solution for balancing family and career?Labour Economics 13(3): 357-86.
 
Wit, G. de
1991    Determinants of self-employment. Amsterdam: Universiteit van Amsterdam, Faculteit der Economische Wetenschappen en Econometrie.
 
Worth, N.
2008    The significance of the personal within disability geography. Area 40(3): 306-14.
 
Wright, B. A.
1960    Physical disability - A psychological approach. New York: Harper & Brothers.