Slaapkamergeheimen

Een recente cultuurgeschiedenis van bed en slaapkamer in de Nederlandse woninginrichting

Irene Cieraad

Abstract

Niet alleen aparte slaapkamers, maar ook een hygiënische slaapka¬merinrichting en vooral een hygiënisch bed vormden de speerpun¬ten in het Nederland¬se volkshuisves¬tingsbeleid vanaf het einde van de negentiende tot en met de jaren vijftig van de twintigste eeuw. De aard van de slaapkamerinrichting werd een statuskwestie. Zo vormde de gepropageerde Spartaanse slaapkamerinrichting in de volkshuis¬vesting een groot contrast met de rijke slaapkamerstoffering van de elite, die zich aan het hygiënisch bewind onttrok. Ook heeft de aparte slaapka¬mer in de volkshuisvesting een scherpere scheiding van levenssferen met zich meegebracht. Vanaf de jaren zeventig is er sprake van een omgekeerde trend en vervallen de scherpe scheidingen. De slaapkamer verhuiselijkt in aankleding en gebruik. Daarmee is de beleving van intimiteit meer in het zicht gekomen.

De slaapkamer als meest gebruikelijke locatie van het bed, wordt in termen van Goffman beschreven als een backstage bij uitstek. Met de badkamer en de wc geldt de slaapkamer dan ook als één van de meest private vertrekken in het huis (Goffman 1959: 121-3). Vanuit die wetenschap is het vreemd te bedenken dat de Nederlandse overheid zich in een veel eerder stadium met de private omstandigheden van de slaap en het bed bemoeid heeft, dan met de publieke omstandigheden van de arbeid en de werkplek. De Woningwet die in 1901 werd aangenomen verordonneerde namelijk dat iedere nieuw te bouwen arbeiderswoning behalve een aparte keuken en wc, ook aparte slaapkamers moest hebben. Verder dienden die slaapkamers ook allemaal een te openen raam in de buitengevel te hebben zodat de toetreding van frisse lucht en zonlicht gewaarborgd was. Alkoven, de raamloze tussenruimtes in veel negentiende-eeuwse etagewoningen, evenals de traditionele bedsteden, waar men in een af te sluiten donkere kast of nis sliep, mochten niet meer gebouwd worden. [note 1]De wetgeving in de ons omringende landen was op het gebied van de woningbouw veel minder streng. Alkoven worden in Frankrijk afgeraden, maar niet verboden (Eleb & Debarre 1995: 153). Ook in Duitsland en Oostenrijk was toentertijd geen sprake van een alkoofverbod (Koch 1919). In de jaren dertig wordt er op de beroemde Engelse Ideal Home' tentoonstelling zelfs een bedstee voorgesteld als oplossing voor een zit-slaapkamer, een zogenaamdeTwo-in-One Room’, iets dat in Nederland verboden zou zijn geweest (Ryan 1997: 71). Zie ook de bijdrage van Ileen Montijn in dit nummer.
Bestaande alkoven en bedsteden hoefden echter niet uitgebroken te worden, want de wet gold vanaf dat moment alleen voor nieuwbouw, de zogenaamde woningwetwoningen. Vandaar dat er tot op de dag van vandaag nog alkoven en bedsteden kunnen bestaan.                

Die Woningwet bezegelde uiteindelijk de inspanningen van de voormalige koning Willem III, ingenieurs, artsen en andere verlichte geesten in de negentiende eeuw om aan de benarde en ongezonde woonsituatie van zowel de stedelijke als de landelijke arbeidersbevol­king een eind te maken (Ottens 2000). Vooral de wantoestanden in de overbevolkte Amster­damse wijk de Jordaan hebben aan de wet ten grondslag gelegen. Opeengepakt in vochtige en donkere eenkamerwoningen zonder waterleiding en riolering was de sterfte onder de bevolking hoog en tierden ziektes als tuberculose en rachitis welig. De uitbraak van de cholera-epidemie in 1848 bevestigde de noodzaak van spoedeisende maatregelen (Houwaart 1990). Het zou weliswaar nog meer dan vijftig jaar duren voor de eerste woningwetwoningen met aparte slaapkamers opgeleverd werden.                

In de tussenliggende periode is er vooral door artsen, de zogeheten hygiënisten, veel zendingswerk verricht om politiek en publiek te overtuigen van de noodzaak van frisse luchttoevoer en ventilatie in de woning ter bestrijding van vocht en schimmels en daarmee van ziektekiemen. Met de ontdekking van de bacterie verschoof de aandacht van de hygiënisten naar het voorkómen van huisstof als broedplaats van bacteriën en dan vooral weer in de slaapkamer. Meer dan enig ander vertrek was de slaapkamer een bron van zorg, omdat men tijdens de slaap blijkbaar het kwetsbaarst was. Toentertijd sprak men niet zoals nu over een gezonde nachtrust in de zin van een probleemlo­ze slaap. Bedrust werd veeleer gezien als voorwaarde voor productieve arbeid en gezond­heid.                

In het bed en de slaapkamer recupereerde het lichaam zich van de dagelijkse arbeid. Bed en slaapkamer kregen zo een economische relevantie. Daarnaast kreeg bedrust ook een belangrijke medicinale betekenis. Het werd het meest voorgeschreven medicijn. Door de verplichte bedrust speelde het bed dan ook de hoofdrol in de verpleging en het nieuwe gezondheidsregime en niet alleen in sanatoria en ziekenhuizen, maar ook in de thuisverple­ging, de constructie van solaria, en de verplichte middagbedrust in kinderkoloniehuizen en openluchtscholen. Dit leverde de bekende fotobeelden van de strakke rijen witte ziekenhuis­bedden. Het prototypische ziekenhuisbed is nog steeds het ouderwetse crème-kleurige stalen geval op hoge poten met wieltjes en met een hoog hoofd- en voeteneinde bestaande uit spijltjes.                

De hygiënische inrichting van de slaapkamer met het witte ijzeren ziekenhuisbed en de witte kale wanden, gladde vloeren en spaarzame stoffering is een voorloper geworden van de moderne, strakke en om die reden ook wel als steriel betitelde woninginrichting - compleet met stalen buismeubels. Hoewel deze inrichting voor de woonkamer veelal als koud en ongezellig werd afgewezen, is de hygiënische inrichting voor de slaapkamer breed geaccep­teerd geweest. De huishoudalmanakken en het huishoudschoolonderwijs hebben hier tot de jaren zeventig een belangrijke bijdrage aan geleverd. De negentiende-eeuwse hygiënistische beweging heeft echter veel minder invloed gehad op de toenmalige en latere slaapkamerinrich­ting van de stedelijke elite, die in de negentiende eeuw beschikte over aparte en rijk gestof­feerde slaapkamers met fraai bewerkte houten ledikanten of hemelbedden met draperieën. Een ontwikkeling die ook zichtbaar zou worden in de aankleding van de eersteklas ziekenhuiska­mers.                

De klassenachtergrond van de hygiënische inrichting die in de slaapkamer begon, en die zich met het moderne bouwen en de moderne woninginrichting tot in alle hoeken van het huis zou gaan uitstrekken, is tot nu toe erg onderbelicht gebleven. In de klassenachtergrond van de hygiënische slaapkamerinrichting zal dan ook de verklaring gezocht worden voor de onderschikking van de privacy van bewoners aan het publieke belang van de ledikantencontro­le. Behalve aan het klassenaspect in de inrichtingsgeschiedenis van de Nederlandse slaapka­mer, zal vooral aandacht worden besteed aan de veranderde ideeën rond de plaats en het gebruik van het bed.[note 2]Dibbits & Doelman (1993) hebben voor de periode van de achttiende en de negentien­de eeuw de opkomst van de aparte slaapkamer op het platteland beschreven.
Dit roept meer in het algemeen de vraag op naar de relatie tussen de zichtbare veranderingen in de materiële cultuur en de veel moeilijker traceerbare veranderin­gen in de ideële cultuur. Wat kunnen we uit de veranderingen in de vorm, plaats en het gebruik van het bed nu afleiden?

Het hygiënisch bewind

(..) is de woning van den werkman niet zelden eene plaats van schrik voor den meer beschaafde, waar de onreinheid soms ten top stijgt, de dampkring verpest is door alles wat er opeengestapeld en verrigt wordt, waar de zedeloosheid hare wieg en bakermat vindt en waar de brandpunten ontstaan van ziekten, wier invloed zich wijd rondom zich verspreidt, om alle standen aan te tasten en de geesel der verwoesting te doen rondgaan tot in de huizen der meer beschaafden (uit `Verslag aan den Koning’ in Prak 1991: 14)

Met de groeiende werkloosheid op het negentiende-eeuwse platteland trokken grote groepen werkzoekenden naar de stad. Dit resulteerde in een verdubbeling van de stadsbevolking (Van der Hout 1992). Er kwam een steeds grotere bevolkingsdruk op de vervallen stadswijken, zoals de Amsterdamse Jordaan, waar de `minvermogenden’ goedkope huisvesting zochten. De stank van de grachten die als open riolen dienden, de stinkende stegen en de benauwde opeenhoping van zoveel mensen in veel te kleine, vochtige en donkere krotruimtes wakkerde onder artsen de angst voor epidemieën aan. Aangezien stank blijkbaar zo’n allesoverheersend ervaring was bij het bezoek aan deze krottenwijken voedde dit de gedachte dat deze `kwade dampen’, de zogeheten miasmen, ziekteverwekkend waren.[note 3]Mary Douglas’ definitie van vuil als `matter out of place’ (1979: 35) laat zich zo slecht toepassen op stank, zie ook Millers kritiek op Douglas (1997: 60-88).
Ook de praktijk van het koken op de kachel in dezelfde ruimte waar geslapen werd, droeg in deze visie bij aan de kwade dampvorming (Houwaart 1991; Miller 1997: 64).                 

Toen Koning Willem III in 1853 aan het Koninklijk Instituut voor Ingenieurs opdracht gaf om een rapport op te stellen over de eisen waaraan een goede arbeiderswoning moest voldoen, kwamen de ingenieurs in Verslag aan den koning over de vereischten en inrigting van arbeiderswoningen (1855) al met aanbevelingen die vijftig jaar later de basis voor de Woningwet zouden worden.[note 4]In diezelfde periode verschenen er ook in Engeland en Frankrijk rapporten die de erbarmelijke huisvesting van arbeiders aan de kaak stelden en verbetering bepleitten, zoals het Franse rapport van Trelat & Du Mesnil voor het internationale congres over hygiëne in Parijs in 1878 (zie Eleb & Debarre 1999: 158) en Chadwick’s Report on the sanitary condition of the labouring population of Great Britain dat al uit 1842 dateerde (Horsfield 1997: 77-89).
Niet alleen het bestrijden van stank door de aanleg van riolering en afgesloten privaten, maar ook het zorgen voor goede ventilatie en veel vensters voor de toetreding van frisse lucht en zonlicht in de woning, waardoor schimmels geen kans kregen en vochtige dampen via luchtkokers afgevoerd konden worden, waren de belangrijkste aanbeve­lingen (Bervoets 2003: 119-130; Horsfield 1997: 77-89).                

In plaats van bedompte bedsteden (afb. 1) stelden ze aparte slaapkamers voor met `luchtige’, open ijzeren ledikanten (Deben 1990). Ventilatie en frisse lucht waren de toverwoorden in het rapport. Onder andere in Den Haag werd naar aanleiding van het rapport een vereniging opgericht `tot verbetering der woningen van de arbeidende klasse’ die de aanbevelingen meteen in de praktijk bracht. De nieuwe huurders konden zelfs de ijzeren ledikanten bij de woningbouwvereniging huren (Deben 1990: 103-107).[note 5]Ook in het strenge hygiënische slaapkamerbeleid was Nederland uniek. Een Fransman die op de Wereldtentoonstelling in 1878 in het Engelse paviljoen voor het eerst de hygiënische koperen spijltjesledikanten ziet, is niet erg gecharmeerd van deze in zijn ogen oncomfortabele bedden, die zo weinig intimiteit bieden. Verder maakt hij gewag van het feit dat deze bedden in Engeland verhuurd worden (Eleb & Debarre 1995: 156). Het hygiënisch bewind is in Duitsland, Engeland en Frankrijk ook minder streng nageleefd, en was ook daar een kwestie van stand (vgl. Koch 1919; Nesbit & Reynaud 1992; Eleb & Debarre 1995: 139-63).
Vermoedelijk waren dit de toen modieuze zwart gelakte spijltjesledikanten met koperen knoppen (Van Voorst tot Voorst 1979, II: 73).       

De ontdekking van Pasteur in 1860 dat voor het oog onzichtbare micro-organismen, en niet zoals gedacht kwade dampen, verantwoordelijk waren voor het overbrengen van ziekten, betekende een revolutie in de woninghygiëne aan het eind van de negentiende eeuw. Onzicht­bare bacteriën zweefden niet alleen door de lucht, maar zouden zich bij voorkeur aan het zichtbare huisstof en aan pluizige en ruwe oppervlakken hechten. Niet alleen frisse lucht en ventilatie, maar ook stofverwijdering en het voorkomen van stofvorming werden nieuwe targets van de hygiënisten in de strijd voor de verbetering van de volksgezondheid (Horsfield 1997: 90-122). De bacteriedodende werking van zonlicht bevestigde het belang van vensters en brede straten voor een goede lichtinval, ook in slaapkamers.                   

Deze nieuwe hygiënistische opvattingen over de gezondheidsrisico’s van huisstof waren een regelrechte oorlogsverklaring aan het laatnegentiende-eeuwse woninginterieur van de gegoede klasse, waar zwaar gesluierde vensters en donkere gordijndraperieën de toetreding van zonlicht beletten (afb. 4). De vloerbedekking bestond uit meerdere lagen tapijt, crapauds en stoelen waren geheel gestoffeerd, en ook de wanden waren vaak met textiel in de vorm van zijdebehang bespannen. Behalve de vele stofvangende snuisterijen, bedekte men de gebeeldhouwde en bewerkte meubels bij voorkeur met kleedjes (Laermans & Meulders 1993). Slaapkamers waren bij de negentiende-eeuwse elite vaak nog rijker gestoffeerd en gedecoreerd dan de overige woonvertrekken, want rond en boven de ledikanten (afb. 3) hingen ook weer gordijnd­raperieën (Van Voorst tot Voorst 1979/II: 68-75).                   

Het textiele universum van het laat negentiende-eeuwse elite-interieur was dus één groot stofnest en vanuit hygiënistisch oogpunt een broedplaats van ziektekiemen. Vooral het weren van zonlicht om bekleding en stoffering te beschermen en niet van kleur te laten verschieten, betitelden de hygiënisten als ronduit gevaarlijk. De gezondheid van de bewoners werd in hun ogen ondergeschikt gemaakt aan de status van een rijk gestoffeerde interieur. Deze statuskwestie verklaart waarom toentertijd de vereisten voor een hygiënische inrichting - of het nu de slaapkamer of de woonkamer betrof - bij de elite weinig weerklank vonden (Cieraad 2001).                   

Liever zetten zij hun dienstbodes aan tot intensieve wekelijkse schoonmaakbeurten. Hoewel vloerkleden geregeld naar buiten gebracht werden om geklopt te worden, en de stoelbekleding zelfs wekelijks geschuierd werd, en ook de meubels en snuisterijen bijna dagelijks met een plumeau werden afgestoft, bleef de kritiek. Vooral schuieren en stof afvegen vielen in de voor hygiënisten verwerpelijke categorie stofverpláátsing in plaats van de vereiste stofverwijdering. Toentertijd was echte stofverwijdering ook geen sinecure, want dat betekende gesleep met meubels en stoffering die eerst naar buiten gebracht moesten worden om geklopt te kunnen worden. Pas rond 1900 werden de eerste mechanische stofzuigers ontwikkeld. Dat waren aanvankelijk grote machines die op straat stonden te ronken en die door geüniformeerde mannen bediend werden. Deze mannen trokken met grote stofzuigerslan­gen door de verschillende vertrekken (Makkink 1998:100). Iets dat niet wekelijks, maar hooguit maandelijks gebeurde.                     

Vanuit het oogpunt van de hygiënisten ging het er juist om stofvorming te voorkómen. Daarom moest er zo min mogelijk textiel voor de woningstoffering en stoelbekleding gebruikt worden.[note 6]Over de relatie tussen allergie en huismijt was overigens toen nog niets bekend.
Het gebruikte textiel moest goed wasbaar zijn en dat betekende geen rijke wollen of damasten stoffen, maar gewoon katoen en linnen. Het vermijden van hechtingsgron­den voor bacteriën werd het uitgangspunt bij de materiaalkeuze voor de woninginrichting. Dergelijke drastische hygiënische maatregelen waren in de ogen van de elite alleen noodzake­lijk waar het de bestrijding van de stinkende woonomstandigheden van de lagere standen betrof (Laermans & Meulders 1993: 47).                

De campagne had inderdaad het meeste succes bij de huurders van de nieuwe woningwetwoningen die voor het eerst hun slaapkamers moesten inrichten, maar zij werden daar door hun woningbouwvereniging ook min of meer toe gedwongen. Aangezien de eerste woningwetwoningen na 1918 opgeleverd werden, zien we pas in de jaren twintig foto’s (afb. 2) van hygiënische slaapkamerinrichtingen (Cieraad 2005: 169). Voor de inrichting van woonkamers werd het gezondheidsregime als te kaal en ongezellig afgewezen.           

Ledikantencontrole

De uitvoering van de Woningwet kwam mede zo traag op gang, omdat het bouwinitiatief vooral aan belangengroepen werd overgelaten die zich moesten verenigen in woningbouwver­enigingen (Van Dieten 2000; Bimmel et al. 1904). Zo namen voormannen en -vrouwen uit allerlei geledingen het initiatief tot oprichting van een woningbouwvereniging. Ze formeerden een bestuur en wierven leden die tegen betaling van lidmaatschapsgeld in de toekomst aanspraak konden maken op een woning. Namens hun leden waren deze woningbouwvereni­gingen gerechtigd leningen aan te vragen en een architect opdracht te geven tot de bouw. Door deze en andere aanloopproblemen vond de grootste woningproductie in Amsterdam pas na 1920 plaats. De gemeente had architect Berlage bovendien eerst opdracht gegeven het stedenbouwkundig plan voor de zuidelijke stadsuitbreiding te maken, waarin hij brede straten en legio pleintjes opnam. Daarna kregen de verschillende woningbouwverenigingen pas hun bouwlocaties toegewezen (Ottens 2000).                

Bij oplevering van de woningen bleken de huren voor veel leden te hoog. Het gevolg was dat de eerste woningwetwoningen bewoond werden door de beter betaalde hoofdarbeiders als onderwijzers, ambtenaren en grafici en niet door de meest behoeftigen. Bovendien werden de nieuwe bewoners geselecteerd. Kandidaat-huurders kregen inspectrices, de zogeheten woningopzichteressen, op bezoek die de ordentelijkheid van het huishouden en de properheid van de huisvrouw beoordeelden (Deben 2000: 95-6). Ook hierbij vielen de meest schrijnende gevallen buiten de selectie. Vandaar dat tot in de jaren dertig de woontoestand van de allerarmsten in de Jordaan niet veel verbeterd was ten opzichte van de negentiende eeuw. Wel was er in de meeste huizen inmiddels een kraantje, maar wc’s waren niet aangelegd en ook de bedsteden en alkoven waren nog volop in gebruik. De aanklachtfoto’s van poepdozen naast aanrechten (afb. 5) waarop het brood gesneden wordt, dateren dan ook uit die tijd (Van Loghem 1933).                   

De verantwoordelijkheid van de woningbouwverenigingen voor de staat en het onderhoud van deze woningwetwoningen betekende dat zij hun huurders nauwgezet contro­leerden.[note 7]De invloed van de woningbouwverenigingen op de aard van de bewoning en inrichting is uniek voor Nederland.
Wekelijks haalden de woningopzichteressen, goed opgeleide dames uit de betere stand, de huur op en controleerden zo of de woning naar behoren bewoond en schoongehou­den werd, de zogeheten ledikantencontrole. De controle richtte zich in eerste instantie op de slaapkamer en het ledikant, omdat de huurders niet alleen onbekend waren met het gebruik van een apart slaapvertrek en een aparte sponde, maar ook omdat een hygiënische slaapka­merinrichting tot speerpunt van de woonbeschaving en de volksgezondheid gemaakt was. Deze dames adviseerden de huisvrouwen ook inzake de kinderopvoeding, woninginrichting, financiën en lichamelijke hygiëne. In Amsterdam waren in de jaren twintig zo’n vierentwintig woningopzichteressen actief, die gezamenlijk wekelijks ongeveer zesduizend woningen inspecteerden (Deben 2000: 95-6; Bervoets 2003: 143-159).                

Tijdens hun opleiding aan de Amsterdamse Opleidingsinrichting voor Sociale Arbeid hadden de aspirant woningopzichteressen les gekregen in de vereisten voor een hygiënische woninginrichting en dan vooral die van de slaapkamer. Ook lieten deze maatschappelijk werksters avant la lettre zich informeren door de adviesboeken voor de woninginrichting en het woningonderhoud, die vanaf dat moment in een gestage stroom op de markt kwamen (Gaillard 2000; Wilke 1998). Mede doordat het huishoudonderwijs ook steeds meer meisjes uit de arbeidersklasse bereikte, vonden de ideeën over een hygiënische slaapkamerinrichting eerder ingang bij de lagere standen, dan bij de hogere.

Gezondheidszorg        

Van alle kamers in het huis stelt de slaapkamer een aantal zeer bijzondere eischen waaraan de meeste zorg besteed moet worden. Niet minder dan het derde gedeelte van het leven brengt een mensch binnen de wanden van het slaapvertrek door en meestal in een toestand, waarin men zich weinig bewust is van de schadelijke invloeden van buitenaf, die daarom ongehinderd op ons zouden kunnen inwerken. De hygiënische verzorging van deze kamer is daarom van het grootste belang. Ruime luchtvoorraad, toe- en afvoer van versche lucht zonder tocht, verlichting, verwarming, voorkoming van stofophooping, geringe vochtigheid, het weren van geluid, beperking van de mogelijke ontsnapping van schadelijke gassen zijn enkele van de vele onderwerpen, die bij de slaapkamer ernstig de aandacht vragen (Wils 1923: 46-7).

Geen boek over woninginrichting of het huishouden kon nog om de slaapkamer heen (Gaillard 2000; Wilke 1998). Er ontstond in het huishoudschoolonderwijs zelfs een apart vak: gezondheidszorg, waarin aan de inrichting en de schoonmaak van het huis en met name de slaapkamer ruime aandacht besteed werd. Voor een hygiënische slaapkamerinrichting werd het ijzeren spijltjesledikant weer uitermate geschikt bevonden, omdat het stofvangende oppervlak gering was. Ook een glad, geverfd houten ledikant kon door de beugel, als het maar makkelijk nat te reinigen was. Bij natte reiniging werd het stof namelijk echt verwijderd en niet verplaatst. Vandaar dat ook het ijzeren ledikant gelakt werd om roesten te voorkomen. In plaats van de negentiende-eeuwse zwarte ijzeren bedden met koperen knoppen, werden de bedden wit geverfd: het bekende witte ziekenhuisbed.                

Zeil en linoleum werden aangeprezen als de nieuwe hygiënische vloerbedekking. Hoewel losse karpetjes op het zeil werden afgeraden, werd een enkel dun kleedje dat goed uit te kloppen was, nog wel geaccepteerd. De wanden dienden geverfd of met papierbehang behangen te worden en mochten met enkele stofvrij ingelijste platen gedecoreerd worden. Strakke rolgordijnen werden gezien als de meest hygiënische raambekleding, maar als de gordijnen van lichtgekleurde, wasbare katoen waren, dan `mochten’ ze ook in plooien hangen. Vooral het beddengoed moest in theorie aan de hoogste hygiënische eisen voldoen. De traditionele, maar ook stoffige matrasvullingen zoals kippenveren, stro of zelfs kapok werden ten strengste afgeraden (Dibbits & Doelman 1993: 334). De voorkeur ging uit naar matrassen gevuld met zeegras, paardenhaar of houtwol. Dekens moesten van `ademende’ wol zijn en voor de vulling van de hoofdkussens verkoos men dennennaalden en varens boven een vulling van kippenveren (Gaillard 2000: 117). Behalve een crème of lichtgeel geverfde stoel, nachtkastje en garderobekast dienden er geen overbodige meubels te staan.                

Ook toen de stofzuiger in de jaren dertig een normaal huishoudelijk apparaat werd, werden slaapkamervloeren niet gezogen maar gezwabberd en nat afgenomen. Verder diende de slaapkamer en het beddengoed iedere ochtend gelucht te worden, voordat het bed weer werd opgemaakt. Eens in de week - op maandag -  moesten de lakens verschoond en de dekens uit het raam en in de zon te luchten worden gehangen. De matras diende tenminste gekeerd, of op de zijkant gezet te worden om goed te ventileren. Het beste was natuurlijk als ook de matras wekelijks in de zon gelegd werd. Tot ver in de jaren zeventig gaf dit luchtende beddengoed uit de slaapkamerramen Nederlandse huizen op maandagochtend het karakteristie­ke, treiterige uiterlijk van gevels die massaal de tong leken uit te steken.                

Mede gezien het strenge hygiënische bewind viel in een terugblik op de bouw van de eerste woningwetwoningen de verzuchting te lezen:   

Vraagt men nu of alle bewoners van deze eerste, toen zo verre superieure huizen, even gelukkig waren, dan moet het antwoord luiden: Neen. Het gemis van alcoven en bedsteden woog sommigen, hoe vreemd het ook klinken moge, zwaar op de maag. In aparte, frisse slaapkamers voelden zij zich onwennig (Rochdale in Gaillard 2000: 117).

Ook de positie van de woningopzichteressen kwam in de jaren dertig steeds meer onder vuur te liggen. Hun betutteling werd door de huurders niet meer geaccepteerd. Niet in de laatste plaats omdat de standaarden van de bewoners steeds meer overeenkwamen met de normen van de woningopzichteressen (Deben 2000: 96). Al eerder klonken er dissidente geluiden door in boeken van architecten over woninginrichting:       

Er is een tijd geweest dat de eischen van hygiëne zoo hoog werden opgevoerd om niet te zeggen overdreven, dat het in de slaapkamer kil en koud was als in een ijskelder en alle comfort er uit gebannen was als uit een cel. Het opstaan en naar bed gaan gaf ongeveer hetzelfde gevoel alsof men zich in een operatie-kamer bevond. Zonder in de overdrevenheid van alles wit en gelakt ijzer en onbekleede meubelen te vervallen kan een slaapkamer aan de beste eischen van de gezondheidsleer voldoen (Wils 1923: 47).

 

De klassenachtergrond van de hygiënische beweging rond bed en slaapkamer werd mij pas goed duidelijk bij mijn onderzoek naar historische interieurfoto’s in Nederlandse archieven (Cieraad 2000). De historische foto’s van de verschillende klassenafdelingen in ziekenhuizen, waarbij de kale witte ziekenzalen van de derde klas met de karakteristieke ziekenhuisbedden en de gladde vloeren (afb. 7) contrasteerden met de rijkelijk gestoffeerde eersteklas ziekenkamer met fraai bewerkt houten ledikant. Het voorbeeld van de eersteklas kamer in het Haarlemse ziekenhuis Joannes de Deo, gefotografeerd in 1905, geeft het klassenonderscheid in inrichting goed weer (afb. 6). In deze ziekenkamers stonden geen kale stalen bedden of een enkele houten stoel, maar `onhygiënische’ met trijp beklede stoelen, als een crapaud en een chaise longue. Bovendien hingen er zware wollen gordijndraperieën voor de ramen en lagen er Perzische tapijten op de vloer. Her en der stonden er ook nog stofvangende snuisterijen en lagen er zelfs sierkleedjes op de meubels. Tot in de jaren twintig van de twintigste eeuw bleek dit stofferingsonderscheid in de Nederlandse ziekenhuizen te hebben bestaan, om daarna geheel te verdwijnen (o.a. De Boer & Dessing 1989: 28; 45). In de Verenigde Staten is dit klassenonderscheid in de stoffering van ziekenhuiskamers nog steeds heel herkenbaar. Getuige de Amerikaanse ziekenhuisseries op tv zien de ziekenkamers op klassenafdelingen eruit als de slaapkamer thuis, inclusief kamerbreed tapijt, schemerlamp en gestoffeerde fauteuils (Wagenaar 2006).

Bedrust

Met al die strenge hygiënische eisen die aan het bed en de slaapkamer gesteld werden, is het niet verwonderlijk dat aan het verblijf in de slaapkamer en aan bedrust in het bijzonder een heilzame werking werd toegeschreven:        

(..) de tijd die wij in de slaapkamer vertoeven, is toch juist bestemd om aan ons lichaam volkomen rust te geven, om ons te herstellen van de vermoeidheid die ons onze arbeid gaf. (..) die rust wordt een volkomen herstel van kracht, door volle inademing van reine frissche lucht. Dit is onmogelijk in een klein bedompt kamertje, in een alcoof of afgesloten zolderver­trekje. De meest elementaire begrippen van hygiëne schrijven voor een ruime, frissche slaapkamer met groot lichtvolume en overvloedige gelegenheid tot luchtverversching (Landré 1914: 17)

De heilzame werking van bedrust was tevens de bestaansgrond van het ziekenhuis als beddenhuis, de instelling waar zieken niet alleen behandeld werden, maar waar patiënten ook langdurig het bed moesten houden. Bedrust werd aan het eind van de negentiende eeuw het meest voorgeschreven medicijn en dat zou zeker tot in de jaren vijftig van de twintigste eeuw zo blijven. Chronisch en langdurig zieken werden toentertijd ook thuis tot bedrust veroor­deeld. Mede door de bacteriedodende werking van zonlicht en de heilzame werking van frisse lucht werden de zieken op een hoog bed bij het woonkamerraam gelegd, zodat ze ook nog enig uitzicht en contact met het leven buiten hadden. Willekeurige voorbijgangers zwaaiden vaak gewoontegetrouw naar de zieken achter de ramen, die leunend tegen witte kussens met een bleek handje terug zwaaiden. Veel kinderziektes waar kinderen tegenwoordig tegen ingeënt worden, als polio, roodvonk en kinkhoest moesten toen met bedrust van weken of maanden genezen. Zieken waren door de positie van het bed aan het raam veel zichtbaarder dan tegenwoordig.                 

Bedrust maar dan wel in de volle, frisse buitenlucht speelde in de genezing van tuberculose, toentertijd volksziekte nummer één in Nederland, een cruciale rol (afb. 8). De sanatoria die in de jaren twintig gebouwd werden, waren hypermoderne witte glaspaleizen met zonneterassen waar de patiënten met bed en al naar buiten gerold konden worden om dagelijks hun medicinale portie frisse bos- of berglucht te inhaleren. Behalve de draaibare half-open houten solaria die als privé-sanatoria in de tuinen van boerderijen en huizen op het platteland verrezen en waar de patiënt in de open lucht kon kuren, heeft Nederland niet de openlucht-slaaprage gekend zoals die uit Amerikaanse voorbeelden spreekt.[note 8]In Nederland en met name in Amsterdam zijn in de jaren twintig en dertig daarentegen wel een aantal speciale openluchtscholen gebouwd. Gelegen aan parken of in het groen kregen de ziekelijke bleekneusjes les in de buitenlucht. De scholen zijn fraaie voorbeelden van `luchtige’ architectuur, met veranda’s, balkons en schuifpuien. Het verplichte middagdutje in de buitenlucht vormde wel een vast onderdeel.
        

Amerikaanse foto’s uit het begin van de twintigste eeuw tonen niet alleen een half open slaapveranda waar kinderen gehuld in een speciale slaapkleding - een hansop met bivakmuts - te rusten werden gelegd, maar ook constructies waarbij het hoofdeinde van het bed uit het slaapkamerraam stak, of die van een vrijstaande houten slaapkamer in de achtertuin waar alle wanden van opgeklapt konden worden (Cromley 1990; 1992: 136-7). De Nederlandse architect Wegerif was nog het meest gecharmeerd van de Amerikaanse sleeping porch (Wegerif 1924: 115). Dat in deze periode ook in Europa het kamperen in zwang raakte, kan gezien worden als een parallelle ontwikkeling.                

De kwetsbaarheid van de kindergezondheid heeft er blijkbaar toe geleid dat bedrust voor kinderen die in principe gezond zijn ook als bijzonder heilzaam werd gezien. Openlucht­scholen en kinderkoloniehuizen voerden verplichte middagslaapjes in, liefst in de buitenlucht. Ook jonge, gezonde moeders en huisvrouwen werden tot in de jaren zestig aangeraden ‘s middags een uurtje te rusten. Een benadering die in schril contrast staat met de tegenwoordige nadruk op het belang van lichaamsbeweging en activiteit voor het genezingsproces en de gezondheid. De enige categorie waarvoor tegenwoordig bedrust nog steeds als heilzaam wordt gezien, zijn baby’s en kleine kinderen. Lag de nadruk vroeger vooral op de rust ten behoeve van de voorspoedige groei van het skelet, tegenwoordig ligt de nadruk meer op het belang van bedrust in de zin van slaap voor de emotionele en verstandelijke ontwikkeling van het kind.                

Het jaren vijftig adagium van rust, reinheid en regelmaat lijkt nog weinig aan kracht ingeboet te hebben (Beierinck-Kielstra & Knoop 1966: 50-51). Jonge ouders zijn nog steeds overtuigd van de noodzaak van een apart babykamertje waar het kind lang en ongestoord van zijn of haar bedrust moet kunnen genieten. Ook de eisen die tot in de jaren zestig voor de wieg en het beddengoed van de wieg golden, zoals het witgeverfde wiegje of ledikant­je met spijltjes, het keiharde zeegrasmatrasje en het wollen babydekentje behoren tot de nagalm van het negentiende-eeuwse hygiënisch bewind. Grappig genoeg heeft het traditionele hemeltje, het gordijntje dat om en boven het hoofdeinde van de wieg hangt en dat een herinnering is aan de gordijnen die vroeger om het ledikant hingen, alle hygiënische stormen doorstaan. Het hemeltje is nog steeds populair, al is het wel van wasbare katoen en niet van wol of damast.

Een tempel voor lichaam én geest

Vanuit de hygiënistische beweging gold de slaapkamer vooral als tempel voor het lichaam, maar de elite-achtergrond van de rijk gestoffeerde slaapkamer introduceerde tevens de slaapkamer als tempel van de geest. Zo tonen oude interieurfoto’s van de slaapkamers van een rijke Tilburgse textielfabrikant in het roomskatholieke zuiden niet alleen kruisbeelden, heiligenbeelden en wijwaterbakjes, maar ook bidstoelen en iets wat op een altaar lijkt. Allemaal voorwerpen die verwijzen naar religieuze praktijken als bidden en knielen. Dit lijkt het idee te bevestigen dat met het ontstaan van de aparte slaapkamer de huiselijke praktisering van het katholieke geloof geleidelijk naar de backstage verschoof ten teken van de meer private en verinnerlijkte geloofsbeleving. Heiligenbeelden en crucifixen hebben echter nog lang de aanblik van de huiskamers van gewone katholieke gezinnen bepaald.                

De verbreiding van de geloofspraktisering van de woon-, tot in de slaapkamer, lijkt eveneens bevestigd te worden door de prentjes die in de jaren vijftig en zestig ter gelegenheid van de eerste communie werden uitgedeeld, en die regelmatig knielende kinderen voor het bed en dus in hun slaapkamer afbeeldden. Ook het wijwaterbakje was in die periode een geliefd communiecadeautje dat standaard in de slaapkamer bij het hoofdeinde van het bed van het kind werd opgehangen. Katholieke moeders die hun kinderen toedekten, bevochtigden hun duim met wijwater en maakten een kruisje op het voorhoofd van hun kroost. De weinige voorstellingen aan de slaapkamerwand waren behalve een crucifix, eveneens vaak zoet-religieus. In de interieurs van protestantse families, daarentegen, is de verschuiving veel minder zichtbaar. Simpelweg omdat er minder aantoonbaar religieuze voorwerpen bestaan, of het moet al een orgel of harmonium zijn. Verder kon een kaal houten kruisje of een ingelijste bijbelspreuk zowel aan de muur van de woonkamer als van de slaapkamer hangen. Wel hoorde het bijbelboek in, of op het nachtkastje tot de standaard slaapkamerattributen van protestantse volwassenen, zoals een rozenkrans op het nachtkastje van katholieken lag.                

In het kielzog van de hygiënistische beweging met hun nadruk op lichamelijke hygiëne en gezondheid, gingen de kerken de geestelijke hygiëne en reinheid benadrukken en ook die concentreerde zich op de praktijken in de slaapkamer. Kuisheid bevorderde de reinheid van de ziel, die door allerlei onkuise zonden als masturbatie in gevaar werd gebracht. Het devies “handjes boven de deken” gold voor kinderen (Van Ussel 1971: 244-5).[note 9]Volgens Van Ussel (1971: 244-5) dateert dit devies al uit de achttiende eeuw waar de schrik van de zelfbevlekking vooral met de zachtheid en warmte van het bed werd verbonden.
Voor volwassenen regeerde de Roomse Kerk vooral onder de lakens. Het pauselijk verbod op het gebruik van voorbehoedmiddelen betekende ofwel periodieke onthouding ofwel de kans op zwangerschap. Seksualiteit was om die reden onlosmakelijk verbonden met de ouderlijke slaapkamer en het echtelijk bed. Het terugdringen van seksualiteit naar de afgesloten slaapkamer, betekende ook dat het kinderen verboden was de ouderlijke slaapkamer te betreden. Na de Tweede Wereldoorlog werd buitenechtelijke seksuele omgang dan ook steeds vaker aangeduid met het eufemisme “met elkaar naar bed geweest zijn”, of “met elkaar geslapen hebben” (De Coster 2001; Heester­mans 1980).                

Zo kwam met het ontstaan van de aparte slaapkamer niet alleen de materiële aard van de slaapkamerinrichting, maar ook de slaapkamerpraktijken meer onder het gezag en de invloed van hogere overheden. Al was er geen ledikantencontrole door meneer pastoor, toch was er geen beter controle-instrument op de naleving van de kerkelijke regels dan het pastorale hameren op het persoonlijk geweten (Huwelijksonderricht 1946). Bovendien betekende de verhoogde aandacht voor kuisheid en geestelijke hygiëne dat broertjes en zusjes niet hetzelfde bed, en zelfs niet dezelfde slaapkamer mochten delen. Als daarvoor de ruimte ontbrak dan waren de jongens veroordeeld tot een slaapplaats op zolder, want meisjes werd gezien hun tere gestel meer comfort en privacy gegund. Vanuit het ouderwetse kuisheidsidee van de scheiding der seksen hebben zich twee totaal verschillende inrichtingsstijlen voor jongens- en meisjesslaapkamers ontwikkeld (Calvert 1992; Cieraad fc).

De ontsluiting van de slaapkamer

Parallel aan de nadruk op geestelijke en lichamelijke hygiëne ontstond aan het begin van de twintigste eeuw ook op het terrein van de vormgeving - niet alleen van meubels en kunstnij­verheid, maar ook van de architectuur, een zuiverheidsdiscours waarbij de morele superiori­teit van de moderne, zuivere en eerlijke vormgeving benadrukt werd. De strakke, en letterlijk ‘cleane’ vormgeving van de moderne meubels zonder tierelantijntjes en met alleen minimale, vlakke stoffering sloot naadloos aan op de hygiënistische vereisten. De witte blokkendozen van gebouwen en huizen met de grote brede vensters en zonneterassen in een groene setting werden het handelsmerk van de moderne architectuur in de jaren twintig en dertig, en de uitwerking van het adagium van het Nieuwe Bouwen: licht, lucht en ruimte. Woonhuizen en sanatoria zagen er dan ook eender uit. In de morele betekeniswereld van vormgeving en architectuur speelden niet alleen begrippen als zuiver, eenvoudig en doelmatig een grote rol, maar ook open, vrij en onbelemmerd. Toch brachten juist de moderne experimenten in het creëren van open, lichte en multifunctionele ruimtes, die al naar gelang het tijdstip voor wonen of slapen gebruikt konden worden, de ooit zo heilige slaapkamer als afzonderlijke, hygiënische ruimte in gevaar.                

Architect Gerrit Rietveld was met het ontwerp van het Schröder-Rietveldhuis in 1924 baanbrekend, toen hij op de eerste verdieping de slaapvertrekken niet meer rigide afscheidde van het centrale woonvertrek. De lage bedbanken kregen eveneens de dubbelfunctie van zitten en slapen: het divanbed was geboren. Met behulp van schuifwanden konden de slaapgedeeltes die aan de raamkanten lagen, wel afgeschermd worden van het centrale woongedeelte. Nog geen tien jaar later ontwierp architect Van Tijen het eerste flatgebouw voor arbeidersgezinnen waar de kleine flat uit een woongedeelte bestond dat met glazen schuifwand in verbinding stond met de ouderslaapkamer waar de toen hypermoderne opklapbedden de slaapfunctie moesten verdoezelen. De kinderen kregen wel een aparte slaapkamer, maar ook daar moesten opklapbedden de kamer tevens geschikt maken voor spelen en studeren (Cieraad 2005: 171).                

Aangezien opklapbedden achter gordijnen of kastdeuren verdwenen, was het niet verwonderlijk dat daar aanvankelijk grote hygiënische bezwaren tegen gemaakt werden. Niet alleen waren de bedden slechter te ventileren en hadden ze weer stofvangende gordijnen, maar ook brachten ze het slapen weer in verbinding met het wonen (Wegerif 1924: 113), iets wat de Woningwet met de verplichting van de aparte slaapkamer nu juist had weten te scheiden. Wel waren de voorgestelde zit-slaapkamers volgens de hygiënische eisen spaarzaam gemeubi­leerd en gestoffeerd. In navolging van het eerste stalen buismeubel - het ijzeren ledikant - werden er ook stalen buisstoelen voor de zit- en werkkamer gemaakt (Van Rooy-Berlage 1935: 88-9). Het buisframe werd bij de goedkopere stoelen gelakt, maar bij de luxueus uitgevoerde meubels verchroomd, wat volgens sommigen het steriele, medische aureool van buismeubelen alleen nog maar verhoogde.                

Al met al werd in het moderne interieur van de jaren dertig volop geëxperimenteerd met de combinatie van zitten en slapen met behulp van divan-, onderschuif- of opklapbedden. In al die gevallen werd de slaapfunctie ondergeschikt gemaakt aan de zitfunctie. Bij het opklapbed werd de slaapfunctie zelfs helemaal verdoezeld, want in opgeklapte toestand leek het opklapbed nog het meest op een boekenkast die toentertijd ook vaak met een gordijn werd afgesloten (afb. 9). In het negeren van het slapen en de heilzame bedrust signaleerde het opklapbed de opkomst van een nieuwe visie op gezondheid, waarin activiteit centraal kwam te staan (Cieraad 2005).                

Het opklapbed als een vinding uit de jaren twintig zou in Nederland misschien in de vergetelheid zijn geraakt als de oorlog en de woningnood niet gevolgd waren. In de benarde woonomstandigheden waar heel veel jonge stellen belandden, werd het opklapbed ineens een populaire oplossing om de enige kamer waarover men beschikte het ordentelijke aanzicht van een woonkamer te geven. Iedere verwijzing naar het echtelijke seksleven en de nachtelijke slaapkamerfunctie werd zorgvuldig vermeden. Wel vereisten het nacht- en daggebruik iedere avond en ochtend het noodzakelijke geschuif met meubilair als het bed in- of uitgeklapt werd. Het moderne multifunctionele gebruik van vertrekken werd menig huishouden op deze manier min of meer opgedrongen. Toen de woningnood gelenigd was, verdween het opklapbed uit de woonkamer, maar in tiener- en studentenkamers bleef het tot in de jaren zestig een populaire oplossing, want zo kon ook in al die kleine slaapkamertjes een zit- of studiehoekje gecreëerd worden.[note 10]Dit had ook te maken met de nieuwe subsidieregeling op de bouwplannen van de woningbouwverenigingen, waarbij de hoogte van de subsidie afhankelijk werd gemaakt van het aantal `bedplaatsen’ dat de architect had weten te realiseren.
Tieners waren juist blij het stapelbed van hun kindertijd te kunnen verruilen voor het opklapbed.

De verhuiselijking van de slaapkamer

De naoorlogse populariteit van het opklapbed en daarmee de verdoezeling van bedrust, is te verklaren uit de enorme nadruk op activiteit in de naoorlogse periode van wederopbouw.[note 11]Het opklapbed was in die tijd bij binnenhuisarchitecten allesbehalve populair. Zij verkozen het divan-, onderschuif- of stapelbed, zodat de bedfunctie nog te zien bleef. Het taboe op het verdoezelen van functies lag aan de basis van de moderne vormgeving (Cieraad 2005).
Kinderen en ook volwassenen dienden zich overdag niet over te geven aan een ontspannen lichaamshouding als hangen, leunen of liggen. Alleen in het geval van ziekte werd hierop een uitzondering gemaakt. Het is misschien ook niet verwonderlijk dat de naoorlogse generatie die opgevoed was met de vermaning “rechtop zitten, of anders naar bed!” zich in de rebelse jaren zestig en zeventig aan de pressie tot activiteit ontworstelde en zelfs het recht op luiheid bevocht (Cieraad 2005).                                 

Zij introduceerden de relaxte zit door demonstratief een matras op de vloer van de woonkamer te leggen (afb. 10). Deze wijze van inrichten, die met veel oude Perzische of simpelweg Deventer tapijten een nostalgische verwijzing was naar geliefde exotische reisdoelen als India en Afghanistan, werd ook wel gekscherend een Waterlooplein-interieur genoemd. Het lage zitniveau nodigde uit tot allerlei ontspannen houdingen in het horizontale vlak en daarmee was het meer een bed dan een bank. Dat leek ook precies de bedoeling, want meer nog dan de verwijzing naar exotische oorden symboliseerden deze matrassofa’s namelijk de seksuele vrijheid en experimenteerzucht van de hippiegeneratie. Het liefdesleven hoorde zich niet meer te beperken tot de afgesloten en als `burgerlijk’ getypeerde slaapkamer, maar moest open en bloot beleefd kunnen worden (Cieraad 2000: 98-9).                

De hippiegeneratie van toen heeft de toon gezet voor de huidige situatie waarin banken er meer uit zien als bedden, waarop onderuit gehangen, of zelfs languit gelegen kan worden. Omgekeerd zijn ook de tegenwoordige slaapkamers sterk verhuiselijkt, niet alleen in hun soms overdadige aankleding en rijke stoffering, die de hygiënisten van weleer een gruwel zouden zijn, maar ook in het daggebruik van slaapkamer en bed. Een ontwikkeling die getuige een advertentie van de beddenfabrikant Fermate in 1981 doorzette en waarin binnenhuisarchitect Jan des Bouvrie de nieuwe trend verwoordt:        

Ik heb bedden ontworpen voor mensen die van hun slaapkamer een gezellige tweede woonkamer willen maken. Slaapkamers zijn nou niet precies de plaats waar je even gezellig gaat zitten. Dat is jammer, want het is best plezierig om naast de woonkamer over nog een plek te beschikken waar het goed toeven is. (advertentie Avenue in Adang 1999)

In de slaapkamer, op of in bed, wordt tegenwoordig inderdaad ontbeten, televisie gekeken, voorgelezen, gestudeerd, met de kinderen gestoeid, of, met de laptop onder handbereik, nog snel even een berichtje aan collega’s verzonden. Het intensievere daggebruik van de slaapka­mer is niet alleen het gevolg van de centrale verwarming die slaapkamers minder ijzig maakt dan de vroegere, maar ook het gevolg van een verminderd hygiënisch besef als teken van hygiënische ontvoogding. De huidige slaapkamers doen in hun aankleding en stoffering dan ook meer denken aan de negentiende-eeuwse slaapkamers van de elite, inclusief de voorkeur voor draperieën rond het bed, dan aan de steriele slaapkamerinterieurs in de eerste helft van de twintigste eeuw (Cieraad 2001: 19; Strouken 2001: 56-8, 63; Hilhorst 2003).                

De verhuiselijking van de slaapkamer heeft ook een ander gedrag en een grotere openheid in seksualiteit met zich meegebracht. Antropologen mogen zich volgens Van der Geest (2005: 117) nog niet aan `embedded ethnography’ gewaagd hebben, fotografen hebben dat inmiddels wel gedaan. Zij tonen de resultaten van hun veldwerk in fotodocumentaires, zoals de serie van Charlotte Bogaert over spelende kinderen in hun slaapkamer (Bogaert 1993), of die van Anneke Hilhorst over jonge ouders in bed (Hilhorst 2003) of de door Marrie Bot gemaakte serie over vrijende oudere echtparen in hun slaapkamer, open en bloot gefotografeerd tijdens de daad (Bot 2004). De kinderslaapkamer mag dan tegenwoordig een ware front stage geworden zijn, dat geldt toch nog niet helemaal voor de echtelijke of ouderlijke slaapkamer, al staat de slaapkamerdeur wel wijd open (de Bruijn 2005).

Een anti-allergene slaapkamerinrichting

Tegenwoordig zijn alleen de slaapkamers van bejaarden en die van astmapatiënten nog spartaans ingericht. De ontdekking van de huismijt als de grote boosdoener in het opwekken van allergische reacties en in de verergering van longziektes als astma, heeft namelijk de bestrijding van huisstof sinds de jaren zeventig weer tot de prioriteit van menig gezin gemaakt. Ook nu is een stofvrije inrichting en stoffering van de slaapkamer weer het hoofddoel: gladde vloerbedekking, wasbare gordijnen en zo min mogelijk stofvangers. Matras en hoofdkussen moeten nu bij voorkeur van speciaal anti-allergeen materiaal zijn. Frequente stofverwijdering in de vorm van natte reiniging wordt voor de slaapkamer van astmapatiënten weer als een dwingende noodzaak gezien.                

In het door artsen voorgeschreven anti-allergeen regime horen slaapkamers bij voorkeur weer alleen voor slapen gebruikt te worden, om extra stofvorming zoveel mogelijk te vermijden. Bij de vraag naar de oorzaak voor de toename van het aantal astmapatiënten en mensen met stofallergie wordt zowel gewezen op de verminderde schoonmaak, als op de verminderde weerstand van de tegenwoordige kinderen tegen huisstof, doordat ze te weinig met huisstof in aanraking zouden komen. Het hygiënisch bewind moet vanuit het ene perspectief zo snel mogelijk overboord, en vanuit het andere perspectief moet het weer algemeen worden ingevoerd. Het bed en de slaapkamerhygiëne zijn met de tegenwoordige slaaptherapieën zelfs weer terug op de agenda (van der Geest 2005: 129). Wel wordt met `slaaphygiëne’ naar een breder pakket van maatregelen verwezen, die meer verwantschap hebben met de rust, reinheid en regelmaat die voor een gezonde geestelijke ontwikkeling van kinderen ook zo belangrijk werden gevonden (Spielman & Glovinsky 1993) . Evenals in het begin van de twintigste eeuw is er ook nu weer een groot contrast tussen de verhuiselijkte en gestoffeerde slaapkamers en de kale, anti-allergene en slaapverwekkende slaapkamerinrichting op therapeutische basis. Alleen met dit verschil dat aan het contrast geen klassenonderscheid meer ten grondslag ligt.

Conclusie

De geschiedenis van het bed en de slaapkamer in de volkshuisvesting illustreert als geen ander de culturele verwevenheid van materiële zaken, als woonruimte en objecten, met praktijken en opvattingen. Het ontstaan van een aparte slaapkamer en een hygiënische slaapkamerinrichting was verbonden met praktijken, zoals het schoonmaken en met ideeën over de lichamelijke en geestelijke gezondheid. Hygiënistische opvattingen en reinheidspraktijken werden met de introductie van het bed en de slaapkamer in de volkshuisvesting aan de arbeidende klasse - als de impliciet onreine klasse - min of meer opgedrongen. De ontstaansgeschiedenis van de volkshuisvesting en de woningwet verklaart waarom het hygiënisch bewind aanvankelijk alleen werd opgelegd aan de lagere klassen en de elite zich daaraan onttrok.                

Naar het idee van de elite had het overbrengen van ziekte te maken had met een lage levensstandaard, slechte hygiënische omstandigheden en een grote dichtheid van bewoning. Zaken die kenmerkend waren voor de woonomstandigheden van de minvermogenden, maar die niet op hen van toepassing waren. De heersende gedachte onder de hogere standen was dan ook dat het hygiënisch bewind niet voor hun slaapkamerinrichting gold. Zo werd niet zo zeer het hebben van aparte slaapkamers, als wel de aard van de slaapkamerinrichting een statuskwestie. Dit statusvertoon werd vooral zichtbaar in de meer publiek toegankelijke slaapkamers, zoals de rijke aankleding van eersteklas ziekenhuiskamers, die een flagrante tegenstelling vormde met de spartaans-hygiënische inrichting van de derdeklas ziekenzalen.                

Hoewel de aard van de woninginrichting van de hogere standen niet veranderde, werden de huishoudelijke praktijken wel degelijk aangepast. Zo kwam het belang van stofverwijdering steeds hoger op de schoonmaakagenda te staan, wat in het rijk gestoffeer­de elite-interieur geen sinecure was. Pas in het begin van de twintigste eeuw werd het mogelijk om stof machinaal op te zuigen.                

Aan meisjes uit de lagere standen werd daarentegen de meer hygiënische praktijk van de natte reiniging onderwezen, die bovendien goedkoper was omdat er geen stofzuiger voor nodig was. De natte reiniging stelde wel eisen aan de aard van de stoffering die tegen water bestand moest zijn. Niet alleen de slaapkamerinrichting en -reiniging, maar ook het luchten van het beddengoed werd speerpunt in het hygiënisch bewind dat door de woningbouw­verenigingen in de persoon van de woninginspectrice aan arbeidersvrouwen werd onderwezen. Of misschien beter gezegd: opgedrongen, want er was geen sprake van vrije keuze.                

Met de ledikantencontrole van de woninginspectrices verdween - althans tijdelijk - het backstage-karakter van de slaapkamer. Als uitvloeisel van het negentien­de-eeuwse hygiënistisch gedachtegoed, waarin het belang van de geestelijke en lichamelijke gezondheid van de lagere volksklassen tot een brandende maatschappelijke kwestie gemaakt was, werden bed en slaapkamer tot een publieke zaak gemaakt. Niet alleen de beïnvloeding van de opvattingen over de slaapkamerinrichting en de vereiste schoonmaakpraktijken, maar ook de beïnvloeding van de meer intieme, seksuele slaapkamerpraktijken en de daaraan gerelateerde godsdienstige en morele oordelen, maakten van de slaapkamer en de bedpraktij­ken - meer dan welke andere huiselijke praktijk dan ook - een maatschappelijke frontstage, zonder visuele controle weliswaar.                

De matrassofa’s van de studentengeneratie in de jaren zeventig illustreerden de bevrijding van het hygiënisch bewind. Een ontwikkeling die vervolgens bijdroeg aan de verhuiselijking van de slaapkamer in de jaren tachtig. Met die verhuiselijking is de tegen­woordige slaapkamer ook visueel meer frontstage geworden. Slaapkamers mogen nu overdag ook gebruikt worden, terwijl dat tot ver in de jaren vijftig niet gebruikelijk was. Een slaapkamer was een hygiënisch domein en mocht niet besmet worden met andere bezigheden dan slapen. Het straf hygiënische bewind is in de loop der tijd steeds meer het terrein van ziekenhuizen en instellingen geworden, waarbij het klassenonderscheid geheel is weggevallen. De tegenwoordige anti-allergene slaapkamerinrichtingen mogen dan veel lijken op de vroegere spartaanse slaapkamers, en van dezelfde vrees voor huisstof doortrokken zijn, toch is er geen enkele verwijzing meer naar het vroegere standsaspect.                

Tenslotte heeft de verhuiselijking van de slaapkamer een onbedoeld gevolg gehad. Door de verhuiselijking kwamen er steeds lagere bedden in de mode die op het zitniveau afgesteld waren. Een ontwikkeling die vervolgens botste met de nieuwe wet op de arbeidsom­standigheden, de arbo-wet, die ook voor de professionele thuisverpleging het gangbare ziekenhuisbed verplicht ging stellen: het zogenaamde hoog-laagbed. De instelbare hoogte van het bed spaart natuurlijk de ruggen van de verpleegkundigen. Hoewel na vertrek van de verpleging het bed desgewenst weer op huiselijker hoogte kan worden afgesteld, vormt de komst van het verplichte hoog-laagbed een dramatische gebeurtenis in de thuisverpleging van terminale patiënten. In die finale levensfase vindt er namelijk een ledikantenruil plaats die emotioneler is dan de toenmalige ledikantencontrole. Bij de inzet van professionele thuisver­pleging is de oude wens in het eigen bed te mogen sterven uiteindelijk bij wet onmogelijk geworden. Het eigen bed moet verruild worden voor een onpersoonlijk ledikant, dat reeds het anonieme sterfbed van velen is geweest.   

Noten

Irene Cieraad (i.cieraad@chello.nl) is cultureel antropologe en als senior onderzoeker verbonden aan de vakgroep Interieurarchitectuur van de Faculteit Bouwkunde van de Technische Universiteit Delft. Zij publiceerde de laatste jaren vooral op het terrein van de cultuurgeschiedenis en culturele antropologie van het wonen, huishouden en de huishoud­technologie, onder andere At Home: An Anthropology of Domestic Space (1999).

Hierbij wil zij Marlies Linskens, Geert Mommersteeg en Sjaak van der Geest hartelijk danken voor hun commentaar op een eerdere versie.   

Literatuur

Adang, M.
1999	Smaakopvoeders en trendsetters: Over Nederlandse woonstijlen en een terugtredende overheid. In: T. Quik (red.), Smaak. Mensen, media, trends. Zwolle: Waanders, pp. 216-29.
Beijerinck-Kielstra, H. H. & M. Knoop
1966 	Leiding; Praktische opvoedingsgids voor Vormingsklas en Inas en opleidingen voor VVB, gezinsverzorgster, kleuterleidster en voor kinderbescherming (dertiende druk). 's Gravenhage: Uitgeverij Nijgh & Van Ditmar.
Bervoets, E. M. L. (red.)
2003	Bouw. In: J. W. Schot, H. W. Lintsen en A. Rip (red.), Techniek in Neder­land in de twintigste eeuw. Deel VI: Stad, bouw, industriële productie. Zutphen: Walburg Pers, pp. 111-243.
Bimmel, D. & C. J. Riemens
1904	Arm Middelburg. Hoe het woont! Hoe het leeft! Uitgave Middelburgsche Bestuurdersbond.
Boer, H. W. J. de & A. M. F. Dessing
1989	Franciscanessen en Mariastichting: Episoden uit de geschiedenis van de Congregatie der Zusters Franciscanessen van Aerdenhout en het rooms-katholieke ziekenhuis de Mariastichting te Haarlem. Haarlem: Vereniging Ziekenhuis Mariastichting.
Bogaert, Ch.
1993	Dromen van later: een fotoserie over kinderkamers. Privépublicatie.
Bot, M.
2004	Geliefden - Timeless love. Thorn: Ef & Ef.
Bruijn, J. de
2005	Visueel essay: Mensen nesten. Overdenkingen bij een fotoboek. Cultuur. Tijdschrift voor Etnologie 1 (1): 102-16.
Calvert, K.
1992	Children in the House, 1890-1930. In: J. H. Foy and Th. J. Schlereth (eds.), American home life, 1880-1930: A social history of spaces and services. Knoxville: University of Tennessee Press, pp. 75-93.
Cieraad, I.
2000	De gestoffeerde illusie. De ontwikkeling van het twintigste-eeuwse woninginte­rieur. In: J. Huisman, I. Cieraad et al., Honderd jaar wonen in Nederland: 1900-2000. Rotterdam: Uitgeverij 010, pp. 47-107.
2001	Van huis uit. In: I. Cieraad, H. Hertzberger et al., Van binnenuit; interieurar­chitectuur in ontwikkeling. Bussum: Uitgeverij THOTH, pp. 8-20.
2005	A nation under reconstruction never sleeps: The rise and fall of the Dutch wall bed. The Journal of Design History 18 (2): 167-77.
fc	Gender at play: Décor differences between boys' and girls' bedrooms. In: L. Martens and E. Casey (eds.), Gender and domestic consumption. London: Ashgate.
Coster, M. de
2001	Woordenboek van eufemismen en politiek taalgebruik. Amsterdam: Veen/ Het Taalfonds.
Cromley, E. Collins
1990	Sleeping around: A history of American beds and bedrooms. The Second Banham Memorial Lecture. The Journal of Design History 3 (1): 1-17.
1992	A history of American beds and bedrooms, 1890-1930. In: J. H. Foy and Th. J. Schlereth (eds.), American home life, 1880-1930: A social history of spaces and services. Knoxville: University of Tennessee Press, pp. 120-41.
Deben, L.
1990	De opkomst van het begrip huiselijkheid. Pogingen tot woonbeschaving op het terrein van arbeidershuisvesting in de tweede helft van de negentiende eeuw. In: J. van Genabeek (red.), Balans en perspectief van de Nederlandse cultuur­geschiedenis. Het wonen. Amsterdam/Atlanta: Rodopi, pp. 99-116.
2000	Van woningopzichteres tot buurtbeheerder: van woonbeschaving naar leefbaar­heid. In: J. Keersom (red.), Wonen. Woning. Wet: Wij wonen - 100 jaar woningwet. Amsterdam: Stedelijke Woningdienst Amsterdam, pp. 89-107.
Dibbits, H. & E. Doelman
1993	Slapen op het platteland. Boedelbeschrijvingen uit Maassluis (1665-1900) en Maasland (1730-1900). Volkskundig Bulletin 19 (3): 330-53.                 
Dieten, J. van
2000	Een eeuw tegen de woningnood: volksvijand nummer één verslagen. In: J. Keersom (red.), Wonen. Woning. Wet: Wij wonen - 100 jaar woningwet. Amsterdam: Stedelijke Woningdienst Amsterdam, pp. 57-80.
Douglas, M.
1979	Purity and danger: An analysis of the concepts of pollution and taboo. London: Routledge & Kegan Paul.
Eleb, M. & A. Debarre
1995	L'invention de l'habitation moderne. Paris 1880-1914. Architectures de la vie privée, suite. Paris: Hazan.
1999	Architectures de la vie privée. Maisons et mentalités XVIIe-XIXe siècles. Paris: Hazan.
Gaillard, K.
2000	De ideale woning op papier. Honderd jaar adviezen voor het verantwoorde interieur. In: J. Huisman, I. Cieraad e.a., Honderd jaar wonen in Nederland 1900-2000. Rotterdam: Uitgeverij 010, pp. 111-71.
Geest, S. van der
2005	Bed en beddengoed: Antropologische notities. Medische Antropologie 17 (1): 117-39.
Goffman, E.
1959	The presentation of self in everyday life. New York: Doubleday Anchor Books.
Heestermans, H.
1980	Erotisch woordenboek. Utrecht: Het Spectrum.
Hilhorst, A.
2003	Nesten. Het leven van jonge gezinnen in beeld. Utrecht: Kosmos-Z&K Uitge­vers.
Horsfield, M.
1997	Biting the dust: The joys of housework. London: Fourth Estate.
Hout, A. van der
1992	De sociale quaestie. In: L. de Klerk & H. Moscoviter (red.), 75 Jaar volks­huisvesting Rotterdam. Rotterdam: Uitgeverij 010, pp. 11-31.`
Houwaart, E.
1991	De hygiënisten: Artsen, staat & volksgezondheid in Nederland. Groningen: Historische Uitgeverij.
Huwelijksonderricht
1946	Huwelijksonderricht voor katholieke echtgenooten. Samengesteld in opdracht van zijne hoogwaardige excellentie den aartsbisschop van Utrecht. (derde druk) Hilversum: NV Gooi & Sticht.
Koch, A.
1919	Neuzeitlicher Wohnungskultur (II). Schlafzimmer (1). Darmstadt: Koch.
Laermans, R. & C. Meulders
1993	Gezond wonen: De woning als lichaamsmachine. In: A. Loeckx, H. Neucker­mans en R. Dillemans (red.), Wegwijs wonen. Leuven: Davidsfonds, pp. 47-50.
Landré, T.
1914	De moderne woning-inrichting. Amsterdam: Maatschappij voor Goede en Goedkoope Lectuur.
Loghem, J. B. van
1933	Krotwoningen. De 8 en Opbouw 4 (10): 83-7.
Makkink, H.
1998	"Met een stofzuiger hoorde je erbij" Geschiedenis van een nieuw apparaat. In: R. Oldenziel & C. Bouw (red.), Schoon genoeg. Huisvrouwen en huishoud­technologie in Nederland 1898-1998. Nijmegen: SUN, pp. 91-126.
Miller, W. I.
1997	The anatomy of disgust. Cambridge, Mass.: Harvard University Press.
Nesbit, M. & F. Reynaud
1992	Eugène Atget: Intérieurs parisiens. Un album du museé Carnavalet. Paris: Carré.
Ottens, E.
2000	De aanloop naar de Woningwet: `De holen der mensen....'. In: J. Keersom (red.), Wonen. Woning. Wet: Wij wonen - 100 jaar woningwet. Amsterdam: Stedelijke Woningdienst Amsterdam, pp. 17-40.
Prak, N. L.
1991	Het Nederlandse woonhuis van 1800-1940. Delft: Delftse Universitaire Pers.
Ryan, D. S.
1997	The ideal home: Daily Mail-Ideal Home Exhibition through the 20th century. London: Hazar Publishing.
Spielman, A.J. & P.B. Glovinsky
1993    Sleep hygiene. In: M.A. Carskadon (ed) Encyclopedia of sleep and dreaming. New York: Macmillan, pp.550-53.
Strouken, I.
2001	Kijk ons! Een kijkje in het dagelijks leven van Nederlanders anno 2000. Utrecht: Nederlands Centrum voor Volkscultuur.
Ussel, J. M. W. van
1971	Geschiedenis van het seksuele probleem. Meppel: Boom.
Voorst tot Voorst, J. M. W. van
1979	Meubels in Nederland 1840-1900 (II). Lochem: Uitgeversmaatschappij De Tijdstroom.
Wagenaar, C. (ed.)
2006	The architecture of hospitals. Rotterdam: NAi Publishers.
Wegerif, A. H.
1924	Van bouwen en wonen. Rotterdam: Nijgh & Van Ditmar.
Wilke, M.
1998	Kennis en kunde. Handboeken voor huisvrouwen. In: R. Oldenziel & C. Bouw (red.), Schoon genoeg. Huisvrouwen en huishoudtechnologie in Neder­land 1898-1998. Nijmegen: SUN, pp. 59-90.
Wils, J.
1923	Het woonhuis. Indeeling en inrichting. Amsterdam: Uitgeversmaatschappij Elsevier.