Het psychisch vermogen tot georganiseerd massaal geweld

Een psychoanalytische zienswijze

Wouter Gomperts

Abstract

In dit artikel wordt vanuit een psychoanalytische zienswijze een intrapsychische gesteldheid beschreven die mensen geschikt maakt voor deelname aan georganiseerd massaal geweld. Mentaliseren is het vermogen het eigen doen en laten en dat van anderen intuïtief te begrijpen in termen van psychische toestanden (gevoelens, overtuigingen, bedoelingen, verlangens). De auteur betoogt dat de ontwikkeling van dit vermogen op grote schaal blokkeert als maatschappelijke ontreddering en geweld de kwaliteit van de gehechtheidsrelaties bij veel kinderen ernstig verstoren.. Op grote schaal ontwikkelt zich dan een stoornis in het proces om tot innerlijke voorstellingen van psychische processen te komen die de zelfstructuur, identiteit en affectregulatie bij het kind en later de volwassene ernstig bedreigt. Onbewust kan geprobeerd worden de bedreigde binnenwereld te repareren door een geëxternaliseerde beheersing en vernietiging van het kwaad. De auteur laat zien hoe georganiseerde haat- en geweldcampagnes op dit innerlijke proces kunnen inspelen.

In volledig gevechtstenue gestoken schoot een 37-jarige ex-marinier in oktober 2003 zijn ex-vrouw, haar broer en zijn voormalige schoonouders dood. Hij had als lid van de speciale antiterreurbrigade van het korps mariniers onder meer in Bosnië en Cambodja gediend. Een jaar eerder doodde een andere Bosnië-veteraan met een salvo uit een Uzi-pistoolmitrailleur een studente nadat hij al een verzekeringsagent had vermoord. In 2004 beschoot een 40-jarige Libanon-veteraan een bejaard echtpaar waarvan de man stierf. Drie Amerikaanse militairen vermoordden in 2002 op de legerbasis Fort Bragg (North Carolina) hun vrouw. Zij hadden in een Speciale Eenheid in Afghanistan gediend. Een 41-jarige veteraan uit de Golfoorlog schoot in 2003 in de Verenigde Staten 13 mensen neer, waarvan 10 dodelijk.

Meervoudige moord roept grote maatschappelijke onrust op. Misschien is dat in het bijzonder het geval als de gewelddaad door een militair of ex-militair is gepleegd. Kennelijk gaat men ervan uit dat de plegers van georganiseerd massaal geweld thuis kunnen laten wat zij elders juist geacht worden te doen. Een uitvoerder van georganiseerd massaal geweld die voor zijn taak berekend is, lijkt dit geen moeite te kosten. Een extreem voorbeeld is de concentratiekamp-commandant die na de dagelijkse genocidale arbeid in de tuin van zijn huis de rozen snoeit of met zijn kinderen een balletje trapt, of de fundamentalistische terrorist die modieus westers gekleed en glad geschoren de gokpaleizen van Las Vegas bezoekt en kort daarop duizenden mensen de dood injaagt.

Hoe krijgen de plegers van georganiseerd massaal geweld het voor elkaar om op bepaalde locaties en tijden alle denkbare wreedheid en destructie ten toon te spreiden en zich daarbuiten min of meer gewoon te gedragen? Of concreter: hoe maken de genocidale beulen, folteraars, bewakers zich na een dag hard werken op om naar huis te gaan? Eerst even wassen en verkleden, en dan alles vergeten, thuis alles verzwijgen of erover liegen? En hoe maken de terroristische moordenaars zich op om op pad te gaan? Zijn ze thuis ‘een ander mens’, ‘schakelen ze alle gevoel uit’, ‘proberen ze niet te denken’, ‘slaan de stoppen door’?

In het hierna volgende probeer ik moderne inzichten uit het grensgebied van de psychoanalyse en het psychologische gehechtheidsonderzoek te gebruiken voor een antwoord op de vraag naar de aard en het ontstaan van een intrapsychische constellatie die zich leent voor deelname aan georganiseerd massaal geweld. Hiermee bedoel ik niet dat bijvoorbeeld terrorisme en genocide verklaard kunnen worden uit alleen psychologische factoren. Wel ga ik er vanuit dat de psychologie (psychiatrie, psychoanalyse) een psychische constellatie kan verhelderen die (op basis van een biologische aanleg én onder bepaalde maatschappelijke condities) bijdraagt aan het vermogen om te participeren in georganiseerd geweld. Niet georganiseerd geweld is dus mijn eigenlijke onderwerp, maar een psychische constellatie die zich er goed voor leent. Het onderzoek naar de maatschappelijke voorwaarden die de kans vergroten dat deze psychische constellatie daadwerkelijk tot dit soort geweld leidt, behoort tot andere vakgebieden (geschiedenis, sociologie, antropologie, politicologie, economie). Ook mijn keuze voor één psychologische zienswijze is eenzijdig. Andere psychologische gezichtspunten zijn hier uiteraard ook van belang. Zelfs echter met de meest knappe integratie van verschillende zienswijzen, blijven de gruwelijke verschijnselen die hieronder aan de orde zijn, niet te bevatten.

Compartimentalisering

Psychoanalytici veronderstellen dat het naast elkaar bestaan bij één en dezelfde persoon van extreem tegengesteld gedrag mogelijk wordt gemaakt en in stand gehouden wordt door een proces dat met de termen splitsing, splijting of compartimentalisering wordt aangeduid (Klein 1975). Volgens De Swaan (2001) is georganiseerd massaal geweld zowel psychologisch, als ruimtelijk, temporeel, sociaal en fysiek gecompartimentaliseerd. Compartimentalisering is zichtbaar in de gevoelsmatige, sociale en vaak ook fysieke isolering van de voor het geweld aangewezen categorie mensen (bevolkingsgroep, etnische groep, nationale staat, ideologisch blok, beschavingsgebied). Compartimentalisering is zichtbaar in de geografische isolatie van terroristische opleidingskampen of genocidale vernietigingsoorden en in de fysieke afstand die met de moderne technologische oorlogsvoering tussen uitvoerders en slachtoffers wordt gecreëerd. Bij de daders is compartimentalisering zichtbaar in de strikte scheiding tussen de specifieke activiteiten en ervaringen op de dodelijke werkvloer en het doen en laten daarbuiten; het geweld wordt ontketend als de drempel naar de sector van de barbarij wordt overschreden en stopt als deze weer verlaten wordt. Hoe is deze gecontroleerde beheersing van onbeheerst geweld psychisch mogelijk?

In de moderne psychoanalyse is compartimentalisering een kenmerk van een psyche waarin mentaliseren onvoldoende tot ontwikkeling is gekomen. Fonagy (o.a. Fonagy et al. 2002) verstaat onder mentaliseren het vermogen om over eigen en andermans doen en laten te denken in termen van mental states, in het Nederlands, psychische toestanden. Mentaliseren houdt in dat men het doen, denken en voelen van zichzelf en anderen intuïtief begrijpt vanuit gevoelens, overtuigingen, bedoelingen, verlangens. Mentaliseren is een automatische, buiten het bewustzijn functionerende vaardigheid en verschilt wat dat betreft van introspectie. Het vermogen tot mentaliseren ontstaat in een voldoende veilige gehechtheidsrelatie van het kleine kind met een primaire verzorger en heeft een sleutelrol in de ontwikkeling van de affect- en impulsregulatie, het zelfbesef, sociaal besef en moreel besef.

In het geval dat mentaliserend vermogen (door hieronder te beschrijven factoren) niet of onvoldoende tot ontwikkeling is gekomen, is de compartimentalisering nu enigszins begrijpelijk te maken: het denken en voelen in de ene sector over het denken, voelen en doen (van jezelf en van anderen) in de andere sector hoeft niet te worden gestopt, vergeten, afgeweerd of verdrongen. Het is er niet, het is niet tot ontwikkeling gekomen. Zonder interne voorstellingswereld van mentale toestanden, wordt het eigen voelen, doen en denken en dat van anderen slechts in beperkte zin betekenis gegeven. Het wordt bijna uitsluitend gezien en begrepen in termen van het fysieke, concrete, non-psychologische werkelijkheidsbesef dat al vanaf de geboorte rudimentair en bij het kind van zes maanden in complexe vorm aanwezig is (Stern 1985). Bij een tekort aan mentaliseren wordt de werkelijkheid slechts ingedeeld met simpele zwart-wit tegenstellingen. Het slachtoffer wordt niet als een persoon met gevoelens en gedachten gezien, maar als een niet-menselijk verschijnsel, als een lichaam of als anoniem groepsexemplaar. Zonder innerlijke voorstelling van psychische toestanden in de eigen persoon en bij anderen, ontbreekt een innerlijke rem op wreedheid en wordt zelfbeheersing uitsluitend bepaald door externe controle (bevel, verbod, angst voor straf). Het soort destructiviteit dat dan aan de orde kan zijn, is te onderscheiden van sadisme, want lust aan het lijden van het slachtoffer veronderstelt het vermogen tot innerlijke representatie van diens gevoelstoestand. Zonder innerlijke representatie van een psychische binnenwereld in de eigen persoon en bij anderen, zijn schaamte en schuldgevoelens niet aan de orde en is er ook geen besef van innerlijke conflicten. Extreme temporele of locale verschillen in gedrag hebben innerlijk nauwelijks betekenis. Dit geldt bijvoorbeeld voor hoe men met kinderen omgaat (de eigen kinderen in contrast met die van anderen), maar ook voor de omgang met de hond: ‘s ochtends vroeg en ‘s avonds laat is hij het geliefkoosde huisdier en overdag en op het werk een instrument van haat. Op het ene tijdstip en op de ene plek is de betrokkene genocidale dader of terrorist en op het ander moment en de andere locatie toegewijde huisvader of hardwerkende student.

Hannah Arendt (1994: 288) sprak naar aanleiding van het Eichmannproces van de ‘strange interdependence of thoughtlessness and evil’. Bij thoughtlessness lijkt het te gaan om wat in de hedendaagse psychoanalyse wordt beschreven als een extreem gebrek aan mentaliserend vermogen (mindless mind). Een citaat kan die overeenkomst verduidelijken:

He [Eichmann] merely, to put the matter colloquially, never realized what he was doing [cursief in het origineel]. It was precisely this lack of imagination which enabled him to sit for months on end facing a German Jew who was conducting the police interrogation, pouring out his heart to the man and explaining again and again how it was that he reached only the rank of lieutenant colonel in the SS and that it had not been his fault that he was not promoted. In principle he knew quite well what it was all about, and in his final statement to the court he spoke of the “revaluation of values prescribed by the (Nazi) government”. He was not stupid. It was sheer thoughtlessness – something by no means identical with stupidity – that predisposed him to become one of the greatest criminals of that period. (…) That such thoughtlessness can wreak more havoc than all the evil instincts taken together which, perhaps, are inherent in man – that was in fact, the lesson one could learn in Jerusalem. But it was a lesson, neither an explanation of the phenomenon, nor a theory about it (Arendt 1994: 287-288).

Geblokkeerd mentaliseren

Hoe moeten we ons het psychisch functioneren voorstellen als mentaliseren niet of onvoldoende tot ontwikkeling is gekomen? Ter verduidelijking hiervan wordt teruggegrepen op wat men meent te weten van de innerlijke wereld van een kind tot ongeveer drie jaar, als mentaliseren nog niet bestaat en de innerlijke wereld dus nog niet als innerlijk wordt ervaren.

In de equivalentmode of letterlijke manier van functioneren worden psychische toestanden gelijk gesteld aan gebeurtenissen in de externe fysieke wereld, zowel in hun impact, oorzaken als gevolgen. Hoe iets lijkt, staat gelijk aan hoe iets is, ‘alsof’ en ‘echt’ worden nog niet onderscheiden; er bestaan geen alternatieve visies op de werkelijkheid. Ideeën worden nog niet opgevat als ideeën, gevoelens niet als gevoelens, fantasieën niet als fantasieën. Daardoor kunnen de psychische inhouden overweldigend beangstigen. Een tweede manier van psychisch functioneren is dan ook van belang.

In de pretend mode of alsof manier van functioneren gaat het kleine kind ervan uit dat gedachten, gevoelens, fantasie en spel geen relatie hebben met de externe realiteit en er dus ook geen consequenties voor hebben. Als het kind het alsof karakter van spel verliest, schiet het terug in de letterlijke manier van functioneren. De fantasie en het spel worden dan te echt en dus vaak ook te bedreigend, waardoor het spelen en het fantaseren stopt. Het denken is nog te jong en te weinig geoefend om de alsof manier vast te kunnen houden. Eén en dezelfde fantasie/gedachte switcht makkelijk heen en weer van de letterlijke modus (alles is te echt) naar de alsof modus (alles is te onecht).

Mentaliseren ontstaat vanuit de integratie van de letterlijke en alsof manier van psychisch functioneren. Deze integratie ontwikkelt zich in een voldoende veilige en speelse ouder-kind relatie. De mate waarin ouders zelf beschikken over het vermogen tot mentaliseren voorspelt de mate van gehechtheidsveiligheid van hun kind. Dit blijkt zelfs het geval als het mentaliserend vermogen van de ouder wordt gemeten vóórdat het kind is geboren (Fonagy 1993). Veilige gehechtheid maakt de aandacht vrij die het kind nodig heeft voor de ontwikkeling van mentaliserend vermogen. Ten minste één primaire verzorger moet goed genoeg in staat zijn om het kind als psychische eenheid te ervaren en te benaderen, dat wil zeggen het te zien en te begrijpen in termen van zijn mentale toestanden, zoals impulsen, behoeftes, gevoelens, motieven, en dit aan het kind terug te geven op een non-verbale en verbale wijze die het begrijpt. Het kind gaat dan geleidelijk de weerklank die hij van zijn eigen gemoedstoestanden terugvindt in de innerlijke wereld van zijn verzorger, in zichzelf opnemen. In het bijzonder van belang zijn de ervaringen van de baby/peuter/kleuter met de reacties van de verzorger op pijn, angst en verdriet. Als het kind gaat ervaren dat de ouder zijn innerlijke toestanden herkent en reguleert, ontstaat geleidelijk besef en beheersing van de eigen mentale toestanden en hoeft hij er dus niet meer door overweldigd te worden of er meteen met handelen op te reageren. Bovendien gaat het kind ervaren dat zijn innerlijke toestanden kunnen overeenkomen met die van de ander en er ook van kunnen verschillen. Het eerste begin van zelfbesef en sociaal besef, zelfbeheersing en moreel besef ontstaat dus in de interactie van het kleine kind met een primaire verzorger die voldoende mentaliseert.

Mentaliseren (in de cognitieve psychologie wordt gesproken van het ontstaan van een theory of mind) ontwikkelt zich in de eerste vier tot zes levensjaren in de duizenden sociale micro-interacties tussen de primaire verzorger en het kleine kind. Er ontstaat een innerlijke realiteit die geen kopie is van de externe realiteit maar er wel een relatie mee heeft; binnenwereld en buitenwereld worden niet meer aan elkaar gelijk gesteld maar ook niet meer strikt van elkaar gescheiden. Als echter door een wisselwerking van genetische factoren, een duurzaam gebrek aan afstemming in de ouder-kind relatie en/of de desorganiserende werking van trauma’s de ontwikkeling van mentaliserend vermogen blokkeert, blijven de letterlijke manier en alsof manier van psychisch functioneren overheersen. Er is dan sprake van een ontwikkelingsstoornis: het proces om tot innerlijke voorstellingen te komen, is bij het kind en later de volwassene gestoord (Bateman & Fonagy 2004). Dat wil niet zeggen dat de betrokkene noodzakelijkerwijs een psychiatrische ziektebeeld vertoont of er zelf onder lijdt. Het kan zijn dat hij een vorm van aanpassing vindt waarin zich geen psychiatrische symptomatologie voordoet. Onder de condities van bepaalde tijden en samenlevingen kan dat zijn: het participeren in georganiseerd massaal geweld .

Collectieve traumatisering

De ontwikkeling van mentaliseren kan blokkeren als gevolg van traumatisering in de kindertijd. De ervaring of anticipatie van onverdraaglijke gevoelens en gedachten vormen een rem op de ontwikkeling van het vermogen psychische toestanden innerlijk voor te stellen. De ontwikkeling van mentaliserend vermogen blokkeert door de psychische pijn die het beleven van intens pijnlijke gedachten en gevoelens teweeg brengt. Dit maakt mentaliseren tot zijn eigen vijand. Hoewel in een traumatische werkelijkheid het blokkeren van mentaliserend vermogen een vorm van adequate aanpassing is, keert de psychologische ontwikkeling zich dus tegen zichzelf, als een psychische auto-immuunreactie.

Voor de menselijke soort is mentaliseren een evolutionaire adaptatie en dus universeel (Fonagy et al. 2002). Bij het individu echter ontstaat mentaliseren op voorwaarde van een gehechtheidsrelatie waarin het kleine kind als intentioneel wezen wordt behandeld. Bovendien zijn de sociale voorwaarden die deze psychologische ontwikkeling mogelijk maken, niet van alle tijden en samenlevingen. Grootschalige armoede, wreedheid, chaos, onderdrukking, kunnen zo diep ingrijpen op de primaire gehechtheidsrelaties van het kleine kind dat mentaliseren zich weinig kan ontwikkelen - en dat misschien wel generaties lang.

Oorlog, genocide, terrorisme, etnische schoonmaak, massale vlucht, hongersnood brengen vaak teweeg dat grote aantallen primaire verzorgers niet meer in staat zijn om hun kinderen voldoende veiligheid te bieden. In veel gevallen zal immers sprake zijn van verlating, ziekte, dood of psychische ontreddering van de ouders. Door angst, woede, machteloosheid, depressie, dissociatie bij de ouder, kan het kind hem of haar als intens angstaanjagend gaan beleven. Het ontwikkelen van mentaliserend vermogen zal blokkeren om het denken over, en het voelen van pijnlijke innerlijke toestanden te voorkomen. Als het kleine kind onvoldoende bescherming krijgt tegen een destructieve sociale werkelijkheid, rest hem weinig innerlijke ruimte om een innerlijke representatie van een psychische binnenwereld te ontwikkelen. Alle aandacht van het kind zal immers gericht zijn op de buitenwereld met zijn grote fysieke en emotionele gevaren; er is geen aandacht meer voor een innerlijke wereld. De veronderstelling is nu dat in perioden van collectieve traumatisering grote aantallen kinderen opgroeien waarbij de ontwikkeling van het vermogen tot mentaliseren blokkeert. De letterlijke en alsof manier van psychisch functioneren blijven dan op grote schaal domineren, ook als het enkele decennia later om volwassen mensen gaat. Dit heeft gevolgen voor de affect- en impulsbeheersing en dus uiteindelijk ook voor het geweldsniveau van de samenleving die dan bestaat.

Projectie en de illusionaire vernietiging van een alien self

Als de gehechtheidsveiligheid van het kleine kind duurzaam wordt verstoord, wordt het zich ontwikkelende zelf massaal geïnfiltreerd door een representatie van een angstige of beangstigende buitenwereld waarin empathie ontbreekt. Fonagy (Fonagy 1999; Fonagy et al. 2002) spreekt in dit geval van de ontwikkeling van een alien self, hetgeen zich manifesteert in een intens gevoel van innerlijke bedreiging en verschrikking. Onbewust kan de betrokkene proberen de binnenwereld te repareren door zich van het alien self te ontdoen, bijvoorbeeld door het van binnen af te splitsen en op een extern object (persoon, groep, zaak) te projecteren. Het alien self wordt vervolgens illusionair beheerst door het externe object te controleren, in het uiterste geval door dit externe object voor eens en altijd te vernietigen (Fonagy et al. 2002; Bateman & Fonagy, 2004). Terroristische of door de staat georganiseerde geweldcampagnes kunnen onbewust op dit innerlijke proces inspelen: het alien self wordt op een categorie mensen geprojecteerd, die het voorwerp is van een georganiseerde haat- en lastercampagne. In psychologisch opzicht is het georganiseerde geweld naar die groepering het externe vehikel om zich van een onverdraaglijke psychische binnenwereld te ontdoen: met de vernietiging van de slachtoffergroep heeft men onbewust de hoop en overtuiging het alien self te vernietigen.

In het geval van geblokkeerd mentaliseren, is het proces om tot innerlijke voorstellingen te komen gestoord. In de letterlijke manier van psychisch functioneren bestaat er geen besef dat de ultra-nationalistische of religieus-fundamentalistische haatcampagnes subjectieve voorstellingen zijn. Ze worden opgevat als concrete externe werkelijkheid. De kwaadaardige externe werkelijkheid wordt vervolgens onder controle gebracht door de gedoodverfde groep te beheersen en in het uiterste geval letterlijk uit de weg te ruimen. In de alsof manier van psychisch functioneren kan dit gebeuren zonder dat dit innerlijk impact heeft.

Mijn bewering is hier niet dat een ieder met deze psychische constellatie zich tot genocidale uitvoerder of terrorist ontwikkelt. Mijn veronderstelling is beperkter: deze innerlijke constellatie kan onder bepaalde maatschappelijke condities (die niet het onderwerp zijn van dit artikel) de kans erop vergroten. Hiermee is ook niet gezegd dat alle terroristische of genocidale daders door de beschreven psychische constellatie worden gekenmerkt. Bij een terrorist of genocidale uitvoerder met een narcistische en antisociale persoonlijkheid kan bijvoorbeeld een innerlijke voorstelling van emoties ontbreken, terwijl er ten aanzien van cognities bij zichzelf en anderen juist een scherp besef bestaat (Bateman & Fonagy 2004). Wel vermoed ik dat iemand met de beschreven constellatie een streepje voor heeft bij de selectie voor een plaatsje op de genocidale of terroristische werkvloer.

Mindless violence: een voorbeeld

Terug naar de ex-marinier die als lid van de speciale antiterreurbrigade van het korps mariniers in Bosnië en Cambodja participeerde in georganiseerd geweld en vervolgens thuis zijn voormalige vrouw en schoonfamilie doodde. Van buitenaf gezien lijkt bij dit dodelijk geweld vooral de context en daarmee de beoordeling ervan verschillend: in Bosnië en Cambodja gebeurde het op bevel van en gesanctioneerd door de Nederlandse overheid (‘vredesactie’) en thuis kreeg de betrokkene er, uit naam van de Nederlandse staat, een gevangenisstraf voor van twintig jaar plus TBS met dwangverpleging (‘viervoudige moord’). Van binnenuit moet er echter ook iets zijn veranderd. Hij kon immers thuis niet meer laten wat hij elders en op een ander tijdstip juist geacht werd te doen. Als lid van de speciale antiterreurbrigade faalde hij in zijn vakmanschap. De compartimentalisering van het geweld raakte ontregeld. Hoe is dat binnen de hierboven beschreven zienswijze te begrijpen?

Ik ken de betrokkene niet en baseer mij hieronder op wat er door de rechtbank en de media over hem openbaar is gemaakt. Hiermee heb ik niet de pretentie de innerlijke wereld van de betrokkene adequaat te kunnen beschrijven. Mijn beschrijving dient slechts als levensecht voorbeeld van de zienswijze die ik hierboven heb uiteengezet.

Het Pieter Baan Centrum (de psychiatrische observatiekliniek van het Ministerie van Justitie) onderzocht de geestvermogens van de betrokkene. In het door de rechtbank op internet gepubliceerde vonnis wordt het rapport van het Pieter Baan Centrum geciteerd. Daarin wordt gesproken van ‘een jeugd zonder affectie’ en ‘verlating en verstoting van betrokkene door zijn ouders en later met name de onveiligheid in de relatie met opa’. In een televisieprogramma wordt verder gemeld dat hij grotendeels is opgevoed bij zijn grootouders die als oorlogsslachtoffers uit Indië afkomstig waren. Opa was ex-KNIL militair en gemarteld in een Jappenkamp. De opvoeding door opa was hard, gedisciplineerd en gewelddadig. [note 1]Oorlogsveteranen in de polder. KRO-televisie, 24 november 2004.

Ik veronderstel dat de traumatische onveiligheid in de primaire gehechtheidsrelaties (verstoting door zijn ouders, geweld van opa) heeft geleid tot een tekort in mentaliseren en een verstoorde zelf- en identiteitsontwikkeling die noopt tot geëxternaliseerde vernietiging van een alien self. Ondanks dat (of juist daardoor) zou hij in de krijgsmacht een vorm van aanpassing hebben kunnen vinden waarin psychiatrische symptomatologie onzichtbaar bleef. Ik citeer uit het rapport van het Pieter Baan Centrum: ‘In wezen vormde de krijgsmacht voor betrokkene een alternatief gezinssysteem dat hem door het sterke normen- en waardenstelsel lange tijd de grenzen heeft geboden die hij van binnenuit geneigd was te gaan overschrijden.’ De krijgsmacht bood hem een duidelijke hiërarchie en een strikte toewijzing van verantwoordelijkheden en taken. In de gevechtstraining kon hij voortdurend met geweld in de weer zijn en onder bepaalde voorwaarden mocht geweld ook daadwerkelijk plaatsvinden. Bovendien werd hij getraind in een militaristische houding waaraan een vorm van geblokkeerd mentaliseren misschien inherent is.

Als lid van de antiterreurbrigade van het korps mariniers participeerde betrokkene in Bosnië en Cambodja in extreem gewelddadige acties. Dit door de staat georganiseerde massale groepsgeweld kan zich onbewust goed hebben geleend als extern vehikel voor de innerlijke drijfveer om het in de vijand geprojecteerde alien self (illusionair) te vernietigen. Bovendien kan het geweld hem gemakkelijk zijn afgegaan, want met een gebrekkig vermogen tot mentaliseren wordt het vijandbeeld letterlijk genomen en het geweld op de alsof manier beleefd, dus zonder dat het innerlijk impact heeft (dissociatie). Voor de rechtbank werd de ex-marinier dan ook beschreven als een ‘ijzervreter die voor de duvel niet bang was’. [note 2]NRC Handelsblad, 9-7-2004.

Tot zover past hetgeen over de betrokkene bekend is in de zienswijze van dit artikel. Georganiseerd geweld is daarin beschreven als gecompartimentaliseerd. Terug in Nederland echter vermoordde hij zijn voormalige vrouw, haar broer en ouders. Met deze viervoudige moord werd hij een ‘gewone’ moordenaar. Wat kan er in hem zijn gebeurd waardoor de strikte lokale en temporele afgrenzing van het georganiseerde geweld werd doorbroken met geweld thuis? Ik veronderstel dat het ging om een situatie van extreme persoonlijke vernedering en schaamte en meen dat effect van die gebeurtenis te begrijpen is binnen de zienswijze van dit artikel.

De ex-marinier heeft bij zijn nieuwe vriendin geslapen. De volgende ochtend rijdt hij naar het huis waar hij tot voor kort met zijn ex-vrouw heeft gewoond om zijn uniform op te halen. Hij wil dat ’s middags dragen bij de onthulling van een monument voor Nederlandse soldaten die bij vredesmissies zijn omgekomen. Bij zijn voormalige woning gekomen, ziet hij dat er objecten uit de tuin zijn verdwenen en door het raam dat de woonkamer overhoop is gehaald. Hij wil naar binnen, maar het slot op de voordeur is veranderd. Hij weet meteen: zijn ex en schoonfamilie zijn geweest, hebben spullen meegenomen en een ander slot op de deur gezet. [note 3]Idem.
Wat zijn de gevolgen als er in zo’n situatie van intense vernedering sprake is van onvoldoende mentaliseren? In de letterlijke manier van functioneren bestaat geen relativering; vernedering en schaamte worden letterlijk als vernietigend ervaren. Fonagy (Fonagy et al. 2002; Bateman & Fonagy 2004) beschouwt zo’n onverdraaglijke toestand als trigger van geweld en spreekt in navolging van Gilligan (1997) van ego-destructive shame. De gewelddaad is dan een wanhopige poging de zelfstructuur en identiteit voor vernietiging te behoeden. Degene die als oorzaak van de vernedering wordt gezien, wordt vermoord en heeft dus zelf ongeweten de fatale loop van de gebeurtenissen in gang gezet.

In de letterlijke manier van functioneren is de viervoudige moord een commandoactie. De operatie voltrekt zich in ijltempo en in volledig gevechtstenue van de antiterreurbrigade van het korps mariniers: zwart brandwerend overall, kogelwerend vest, zwarte bivakmuts, automatisch geweer en pistool. De ex-marinier trapt de deur in van de ouderlijke woning van zijn ex-vriendin en schiet haar en twee van haar familieleden door het hoofd. Een buurman hoort de ‘plop’ geluiden. Enkele minuten later doodt hij onder dierlijk geschreeuw in de drukke fitness zaal van de sportschool zijn schoonvader. In de alsof manier van functioneren gebeurt dit alles zonder innerlijke impact: hij ziet de slachtoffers in zwart-wit beelden en als silhouetten, en heeft er verder geen herinnering aan.[note 4]De Volkskrant, 9-7-2004; NRC Handelsblad, 9-7-2004; De Telegraaf, 22-7-2004.

Desidentificatie

Geblokkeerd mentaliseren en een verstoorde ontwikkeling van de zelfstructuur die noopt tot geëxternaliseerde vernietiging van een alien self zijn hierboven beschreven als kenmerk van een intrapsychische gesteldheid die mensen geschikt zou maken voor de uitvoerende taken in georganiseerd massaal geweld. Deze voorstelling kan tot op zekere hoogte een misleidende geruststellende werking hebben. De beschreven psychische constellatie zou immers voortkomen uit vroegkinderlijke zelfbeschermingsmaatregelen tegen een extreem onvoorspelbare, vijandige, wrede, verwaarlozende buitenwereld. De mensen die van dergelijke condities verschoond zijn gebleven, kunnen geloven dat zij voor extreme geweldstaken ongeschikt zijn. In het midden gelaten of dit zo is, kan die gemoedsrust gemakzuchtig zijn.

De Swaan (2001) benadrukt dat een georganiseerde massale geweldscampagne alleen metterdaad te volvoeren is als de leden van de beoogde slachtoffergroep zowel affectief als sociaal worden geïsoleerd van de rest van de mensen. Daarvoor worden zij tot mikpunt gemaakt van een campagne van belastering en ontmenselijking waarin angst, haat en walging jegens de leden van die groep worden ingeprent. In een proces van desidentificatie (De Swaan 1997) wordt de als vijand aangewezen categorie mensen op zowel individueel als collectief niveau ontdaan van alle positieve gevoelsmatige en morele identificaties. Dit heeft als neveneffect dat de positieve identificaties binnen de eigen groep onderling worden versterkt. Bezien vanuit een psychoanalytisch afweermodel, gaat het om het onderdrukken van identificatiegevoelens jegens de leden van de gedoodverfde groep (zoals sympathie, medelijden, betrokkenheid, jaloezie), het devalueren van de als vijand aangewezen groepering en het idealiseren van de eigen groep, het projecteren van eigen onaanvaardbare eigenschappen en impulsen op de gedoodverfde groep, het loochenen van het gevaar waarin deze groep verkeert, het omkeren van dader en slachtofferschap en het verdringen van pijnlijke emoties, gedachten, herinneringen met betrekking tot wat er bekend is over wat er met de slachtoffergroep gebeurt of is gebeurd.

Angst, haat, afkeer en walging met betrekking tot de als vijand aangewezen groepering kunnen bovendien al vanaf de vroege jeugd van generatie op generatie door steeds herhaalde inprenting en conditionering zijn opgenomen in het impliciete geheugensysteem (Kandel 1999). In het impliciete geheugen verankerde stereotiepe en discriminatoire (xenofobe, racistische, antisemitische, homofobe, seksistische) gevoelsovertuigingen zijn waarschijnlijk net als andere vormen van impliciet weten onuitwisbaar en dus moeilijk veranderbaar (Ledoux 1996). Fazio et al. (1995) toonden in een experimentele studie aan dat bij één en dezelfde persoon bewuste tolerante attituden en meningen ten aanzien van een categorie mensen kunnen bestaan, naast automatisch optredende gedragsmanifestaties van impliciete negatieve gevoelsovertuigingen ten aanzien van diezelfde groepering. Beschaafde bewuste opvattingen en racistisch gedrag kunnen dus bij een persoon naast elkaar bestaan, waarbij de betrokkene dit zelf overigens niet hoeft op te merken. Een van generatie op generatie overgedragen impliciete afkeer van een bepaalde categorie mensen kan een proces van desidentificatie ten aanzien van die groep vergemakkelijken en in de uiterste consequentie de effectiviteit van een campagne van georganiseerd massaal geweld naar die groep vergroten of de resultaten ervan doen vergoelijken.

Een georganiseerde laster en geweldscampagne brengt een kloof teweeg tussen de groep die er het mikpunt van is en de mensen die niet tot die groep behoren, geen actief aandeel in de barbarij hebben, maar zich er ook niet zoveel aan gelegen laten liggen. Dit brengt een verandering in de gevoelsverhoudingen teweeg, zowel tussen de slachtoffergroep en de andere groepering, als intrapsychisch bij de leden van beide groepen afzonderlijk. Deze verandering neigt tot transgenerationele overerving en kan dus de periode van het georganiseerde geweld langdurig overschrijden.

Noten

Dr. W.J. Gomperts is klinisch psycholoog en psychoanalyticus. Hij is werkzaam bij het Nederlands Psychoanalytisch Instituut en bij de programmagroep Klinische Psychologie van de Universiteit van Amsterdam. E-mail: W.J.Gomperts@uva.nl

Literatuur

Arendt, H.
1994              Eichmann in Jerusalem. A report on the banality of evil (Postscript). New York: Penguin Books.
Bateman, A. & P. Fonagy
2004              Psychotherapy for borderline personality disorder. Mentalization-based treatment. Oxford: Oxford University Press.
Fazio, R., J.R. Jackson, B. Dunton & C.J. Williams
1995              Variability in automatic activation as unobstructive measure of racial attitudes: A bona fide pipeline? Journal of Personality and Social Psychology 69: 1013-27.
Fonagy, P.
1993              Psychoanalytic and empirical approaches to developmental psychopathology: an object-relations perspective. Journal of the American Psychoanalytic Association 41: 245-60.
1999              Male perpetrators of violence against women: an attachment theory perspective.Journal of Applied Psychoanalytic Studies 1: 7-27.
2001              The psychoanalysis of violence. Paper presented to the Dallas Society for Psychoanalytic Psychotherapy March 15 (available online at Psyche Matters).
Fonagy, P., G. Gergely, E.L. Jurist & M. Target
2002              Affect regulation, mentalization and the development of the self. New York: Other Press.
Gilligan, J.
1997             Violence: our deadliest epidemic and its causes. New York: Grosset/Putnam.
Kandel, E.R.
1999              Biology and the future of psychoanalysis: A new intellectual framework for psychiatry revisited. American Journal of Psychiatry 156 (4): 505-24.
Klein, M.
1975 [1946]  Notes on some schizoïde mechanisme. In: Klein, M. Envy and gratitude and other works, 1946-1963. New York: Free Press.
LeDoux, J.
1996              The emotional brain. New York: Simon & Schuster.
Stern, D.N.
1985              The interpersonal world of the infant. New York: Basic Books,
Swaan, A. de
1997              Widening circles of disidentification. Theory, Culture & Society 14 (2): 105-22.
2001              Dyscivilization, mass extermination and the state. Theory, Culture & Society 18 (2-3): 265-76.