Bed en beddengoed: Antropologische notities

Sjaak van der Geest

01 Mar 2005
bed,  cultuur,  slaap,  nacht,  ziekbed,  droom 

Abstract

Dit overzicht van sociale en culturele betekenissen van het bed en aan het bed gerelateerde activiteiten wil de aandacht vestigen op het bed als onderwerp van antropologische studie en belangstelling wekken voor een symposium over bed en cultuur. Thema’s die onder meer aan de orde komen zijn de geborgenheid en ultieme privacy van het veilige bed, de slaap, de nacht, slaaparrangementen van kinderen, slaaprituelen, slapeloosheid, het kraambed, het liefdesnest, het ziekbed, het doodsbed, dromen en – veel te summier - het bed in de kunst.

Ervin Goffman zou ooit tot zijn studenten gezegd hebben dat je mensen niet echt kent totdat je met ze naar bed bent geweest. Zijn aansporing tot ‘embedded ethnography’ is vooral in de herinnering bewaard gebleven om zijn pikantheid. Een rondgang door etnografisch werk van de afgelopen halve eeuw wijst uit dat zijn advies niet is opgevolgd, althans niet letterlijk. Het bed is nog steeds afwezig in de antropologie. Alleen als metafoor krijgt het een bescheiden plaatsje, zoals in de methodologische beschouwing van Hermanowicz (2002) die “25 strategies for studying people in bed” aandraagt. ‘Bed’ staat hier voor intimiteit. Het geslaagde interview is het gesprek dat doordringt tot de zeer persoonlijke opvattingen en diepere gevoelens van mensen. Maar tot het bed zelf dringen antropologen – en andere sociale wetenschappers – zelden door, althans als we af mogen gaan op wat ze schrijven.           

Het symposium dat op vrijdag 9 december aan het bed gewijd zal worden, is daarom een onzekere onderneming. Er zijn nauwelijks auteurs te vinden die het bed als onderwerp van onderzoek gekozen hebben. Papers die verslag doen van systematisch onderzoek naar bed en cultuur zijn er dan ook niet te verwachten. Daar staat tegenover dat iedereen ruime ervaring heeft met slapen en andere bed-gerelateerde activiteiten. De doelstelling van het symposium is die ongereflecteerde ervaringen naar boven te halen en te bespreken en op die wijze het bed als cultureel verschijnsel op de spreekwoordelijke agenda te zetten. Papers zullen, naar verwachting, een sterk essayistisch – en autobiografisch – karakter hebben.

Deze beschouwing wil een globaal overzicht geven van de vele thema’s en activiteiten die met het bed verband houden, in verschillende culturen en – in mindere mate – in de loop der geschiedenis. Op geen van deze thema’s kan ik hier diep ingaan, maar hopelijk zal dat wel gebeuren in de papers die op het symposium besproken gaan worden. De bedoeling van dit overzicht is aandacht te vragen voor het bed of – breder uitgedrukt – de slaapplaats als antropologisch studieobject en potentiële auteurs een kader te bieden voor de diverse bed-thema’s. Dit artikel lijkt zelf enigszins op een onopgemaakt bed waarin van alles gebeurd is en waarin men de meest diverse voorwerpen en sporen van menselijk gedrag aantreft, als men de dekens opslaat.

Dat het bed en de vele gebruiken daarom heen (“beddengoed”) van groot belang zijn in het leven van mensen, behoeft geen betoog. Het is een cliché om op te merken dat een derde van ons leven zich afspeelt in bed en dat derhalve, zoals Wright (1962: vii) opmerkt, een derde van de wereldgeschiedenis letterlijk in duister is gehuld. Jezus gaat nooit naar bed, schrijft dezelfde auteur (p. 8). De enige slapende Jezus die ons is overgeleverd, bevindt zich niet in een bed maar in een vissersboot.           

Het is niet alleen de tijd doorgebracht in bed die meer aandacht voor het bed zou rechtvaardigen, in bed vinden ook de cruciale gebeurtenissen van het menselijk leven plaats. Het is vaak de geboorteplaats van mensen èn de gewenste plek om te sterven. Het bed is tevens de favoriete locatie voor seks, dus ook de plek waar het leven begint, en het is een toevluchtsoord voor zieken en zwakken.           

Het bed als veilige schuilplaats leent zich echter ook voor talrijke andere bezigheden, zoals lezen (Manguel 1999), schrijven, componeren, huilen en TV-kijken. “The history of the bed,” schrijft Wright (1962:viii), “is interwoven with the histories of social, sexual and sanitary attitudes, of architecture and building, of interior decoration and furniture.”           

Dat het bed toch zo weinig aandacht krijgt, met name in de sociale wetenschappen, heeft mijns inziens vooral twee oorzaken. Ten eerste wordt het bed geassocieerd met de slaap, bij uitstek de time-out van het sociale en bewuste leven. Tijdens de slaap ‘gebeurt’ er niets, dus valt er ook niets te beschrijven. De slaper is ‘van de wereld’, in zekere zin afwezig. Hij is tijdelijk irrelevant voor de sociale wetenschapper. Pas als hij ontwaakt, ‘ontwaakt’ ook de onderzoeker. De sociale wetenschapper lijdt aan nachtblindheid of diecentrisme, zoals Steger en Brunt (2003: 6) opmerken. Ten onrechte, menen sommige auteurs, want de slaap is wel degelijk vanuit sociologisch en antropologisch gezichtspunt van belang; diverse aspecten van het slapen zijn afhankelijk van culturele contingentie. Williams (2002: 178) somt de volgende culturele eigenschappen van slapen op:

… the body techniques associated with the ‘doing’ of sleep; the temporal dimensions of sleep; the ‘civilising’ of sleep across the public/private divide; the social ‘patterning’ of sleep and the role of the sleeper, and finally; the rapidly burgeoning ‘sleep industry’ spanning both commercial and scientific interests alike.

 In het vervolg van deze notitie over bed en slapen zullen de meeste van deze sociale en culturele variaties aan bod komen.           

Een tweede verklaring voor de afwezigheid van het bed in de sociaal-wetenschappelijke literatuur is waarschijnlijk de intimiteit van het bed. In de meeste culturen is de slaapplaats een plek waar de bezoeker geen toegang toe heeft en is het verblijf in bed een moment waarop participerende observatie geen kans heeft, uitzonderingen daargelaten. Zo slaagt Van den Borne (2005) er wel in om tijdens haar onderzoek naar condoomgebruik in Malawi te rapporteren wat er uiteindelijk in bed gebeurt.[note 1]Al heeft zij daar wel, volgens sommigen, een onethische methode voor nodig.
Over het algemeen kan men echter zeggen dat Goffmans advies aan zijn studenten inderdaad te hoog gegrepen was.

Meubelstuk

Over de geschiedenis en de culturele variaties van het bed als meubelstuk is een en ander bekend, zij het dat die informatie een nogal anekdotisch karakter heeft (Eden & Carrington 1961, Wright 1962, Catalani 1968, Van Zijl 1978, Sullivan 1993). Geschilderde voorstellingen, in musea bewaarde voorwerpen en fragmenten uit overgeleverde verhalen laten allerlei detailles zien van het bed als gebruiksvoorwerp en – in sommige gevallen – pronkstuk. Opgravingen uit de Oudheid hebben diverse bedden opgeleverd. Bij de ontdekking van het graf van Toetankamon, bijvoorbeeld, in 1922, trof men onder meer een verguld bed aan met panelen in de vorm koeien. In de grafkelder werden ook rijk gedecoreerde hoofdsteunen gevonden die waarschijnlijk gebruikt werden om de haartooi van de slaper/slaapster te beschermen. Bedden zijn ook gevonden in opgravingen uit de Assyrische, Babylonische, Griekse en Romeinse oudheid. Zeker is echter dat deze bedden deel uitmaakten van de privileges van de hogere klassen en dat het ‘gewone volk’ op de grond of eenvoudige houten planken sliep. In Rome waren bedden soms groot genoeg voor zes mensen en vormden het middelpunt van banketten, schrijft Sullivan (1993: 67). Dezelfde auteur meldt dat na de val van het Romeinse Rijk het bed uit de geschiedenis verdwijnt tot ongeveer de tijd van Karel de Grote. Ook gedurende de Middeleeuwen bleef het bed echter typisch een meubelstuk van de rijken en sliepen de armen veelal op stro op de grond.           

Vanaf de Italiaanse Renaissance wordt het bed, in de hoogste klassen, steeds meer een pronkstuk. Vorsten en leden van de adel hielden soms rechtspraak vanuit hun bed. (‘lit de justice’) of ontvingen in hun bed gezeten, hun gasten (‘lit de parade’) Deze stijl van bed-gebruik gaf hun extra prestige; het rijkelijk versierde bed werd een soort troon.          

In de Twintigste Eeuw zijn bedden, voorzien van matrassen, praktisch overal ingeburgerd in de Westerse wereld. Het bed krijgt een eigen vertrek, of bevindt zich, in de vorm van bedstee, in een ruimte die ook voor andere doeleinden dan slapen wordt gebruikt.           

Elders in de wereld bestaan echter diverse andere objecten waar mensen in/op slapen: de hangmat, een mat op de vloer, een dierenhuid, een bank, een vloerverhoging. ‘Het bed’ is inderdaad een zeer westers meubelstuk. In Noord Namibië slapen mensen op de grond, met hun hoofd op een steen; in het Amazone gebied zijn er hangmatten. De verschillen in constructie, gebruik en omgeving van de slaapplaats hebben ook verreikende gevolgen voor intimiteit en privacy, zoals verderop in deze beschouwing zal blijken.

Schuilplaats

“Wie beschouwt zijn bed soms niet als zijn thuis, als een oord van toevlucht, als een unieke plek om er rustig met zichzelf alleen te zijn?” Zo begint De Visscher zijn hoofdstuk over het bed in een antropologisch essay over lichaam en geborgenheid (De Visscher 1999). Het bed is, bij uitstek, een plek van veiligheid. Dat moet het zijn want nooit is de mens zo kwetsbaar als tijdens zijn slaap. Beschut tegen de kou of de warmte, tegen insecten, maar vooral tegen het gevaar van andere mensen, biedt het bed in het binnenste van het huis, inderdaad die veiligheid die nodig is voor de weerloze slaper.

Because sleep occurs during the dark hours when man is least able to cope with his environment and because man asleep is not alert to the dangers of the outer world, sleep is a state of vulnerability (Dement, in: Ellis 1991: 213).

Het bed is daarmee ook de meest private plek van het huis, zeker in onze cultuur, een plek waar bezoekers zelden doordringen. Zijn bed aan iemand aanbieden is een daad van grote intimiteit; zijn bed met iemand delen, uiteraard ook. Het bed vertegenwoordigt en omvat de geheimen die er bestaan tussen mensen die intiem zijn met elkaar. Als Odysseus na vele jaren thuiskomt en niet herkend wordt, bewijst hij zijn identiteit door Penelope het geheim van hun bed te vertellen, namelijk dat een van de poten gemaakt is van een stronk die in de grond geworteld is.           

De Visscher (1999: 59-77) schildert de privacy en geborgenheid van het bed met prachtige citaten uit de literatuur. Proust beschrijft de behaaglijkheid van het holletje waarin hij als kind mocht slapen. Elsschot laat de ik-figuur van zijn roman Kaas zeggen dat hij het echtelijk bed de meest geschikte plaats vindt voor het bespreken van ernstige aangelegenheden. “In bed zeggen we de dingen ook anders of brengen we ook andere thema’s ter sprake dan in de woonkamer…” voegt De Visscher (1999:73) eraan toe. In de slaapkamer verbergt men ook dingen die men niet aan anderen wil laten zien, brieven en andere persoonlijke objecten of kostbaarheden zoals sieraden. En onder – of in – de matras wordt al eeuwen geld verborgen.

Mij is geen tekst bekend waarin zo hartstochtelijk de lof wordt gezongen van het bed en de slaap als toevluchtsoord als het vergeten Bed en Wereld, een 94 pagina’s tellend literair essay uit 1932 van Jo Otten.[note 2]Dr. J.F.Otten (1901-1940) schreef onder andere over sociale, staatkundige en letterkundige onderwerpen. Hij kwam door een bombardement om het leven.
De auteur begint zijn essay:

Ik lig in bed. Ik lig in bed en word omsloten door een zachte warme deken, een veilige huls voor het lichaam, dat na een drukkende dag zijn horizontalen stand gelukkig heeft gevonden.”(p. 3)

En eindigt:

Genoeg, genoeg, geef mij slaap, laat mij nu eindelijk slapen, Morpheus, heilige Morpheus , laat mij dan maar inslapen voorgoed, laat ik maar dood zijn. Niet meer opstaan morgen, niet weer wasschen, niet weer eten, niet weer liegen, niet weer huichelen…. ik ben moe, ik ben doodelijk moe. Laat ik nu maar dood zijn, alles is toch om niets, alles verzandt, alles ver zandt… (p.94).

En daartussen passages zoals deze:

Opeens is Morheus daar en ontfermt zich over al die duizenden en millioenen lichamen, die zich den heelen dag hebben rondbewogen in de straten, in de huizen, op kantoor en in de fabriek…. de handen die zo behendig op de schrijfmachine heen en weer hebben gesprongen zijn nu werkeloos, de oogen die lange lijsten met cijfers hebben nageplozen, zijn door oogleden afgesloten, de monden die zoveel woorden hebben uitgebraakt zijn door een slaap verstomd…. Als de slaap bezit neemt van de menschheid, treedt de algemeene wapenstilstand in (p. 74-75).

Het bed is zonder twijfel het belangrijkste onderdeel van het huis. Een huis zonder slaapplaats is een contradictie. In Ghana, waar ik jaren onderzoek heb gedaan, zijn er veel huizen zonder toilet, maar een huis waarin niet geslapen kan worden, is onvoorstelbaar. Het leven voltrekt zich grotendeels buitenshuis, zelfs het koken en het eten, maar voor het slapen gaat men naar binnen (hoewel, in Noord Ghana slaapt men ook wel op het dak, als het erg warm is). Geen huis hebben, dakloos zijn, is daarom op de eerste plaats: geen bed hebben, geen eigen slaapplaats. Deben et al. (2003) maken daarom een onderscheid tussen ‘buitenlopers’ en ‘buitenslapers’. De laatsten zijn de ‘echte’ zwervers, de echte daklozen. In een nog te verschijnen artikel zoeken Deben en Rensen (z.d.) naar een definitie van ‘dakloos’ en komen tot de conclusie dat het bed-loos zijn inderdaad de harde kern van het dakloos-zijn is: “Waar slapen voor niet-daklozen een ritueel is omgeven door zekerheid en rust, is het voor veel daklozen een weerkerende en energieverslindende opdracht, en in veel gevallen een bezoeking” (p.3). Spradley (1970) meent dat hij via de bestudering van slaapstrategieën van daklozen de belangrijkste thema’s in het leven van een dakloze op het spoor kan komen.           

Voor Elias (1982:218-28) en zijn volgelingen is de slaapplaats een overtuigend voorbeeld van de intimisering die zich voltrekt in wat zij het ‘civilisatieproces’ noemen. Ten tijde van Erasmus, een van Elias’ bronnen, was het samen slapen van vreemden in één bed nog normaal. In de huidige tijd is dat radicaal veranderd. Elias (1982: 221): “De slaapkamer is een van de meest ‘besloten’ en ‘intieme’ domeinen van het menselijk leven geworden. Evenals de meeste lichamelijke verrichtingen werd ook het ‘slapen’ steeds meer achter de coulissen van het maatschappelijk leven geplaatst…. De zichtbare en onzichtbare muren [van het gezin] onttrekken het meest ‘private’, het ‘intiemste’, het niet te onderdrukken ‘dierlijke’ in het leven van de ene mens aan het oog van de andere”(zie ook Gleichmann 1980). Slapen is inderdaad een private verrichting. In publieke ruimtes, zoals een vergaderzaal of de trein, veroorzaakt een slapend persoon gêne (cf. R. van der Geest 2002) of hilariteit.           

Voor migranten zonder degelijke huisvesting is het bed, eigen of gedeeld met collega’s die andere diensten draaien, soms het laatste toevluchtsoord. Ramphele en Meintjes (1993) beschrijven op indringende wijze deze situatie voor migranten arbeiders in Zuid-Afrika. Patiënten en bewoners van verzorgingshuizen overkomt hetzelfde als het bed hun enige privé terrein wordt. In haar onderzoek in een Zuid-Afrikaans ziekenhuis beschrijft Gibson (1999: 237-41) hoe patiënten zich onder de dekens verbergen om zich te onttrekken aan de altijd aanwezige blik van artsen, verpleegkundigen en anderen.

They were sick of “having everybody come and look at you” …. At times it was obvious that patients were crying and the blankets became a thin veil underneath which they could conceal themselves and their sorrow or pain (p. 238).

In haar studie van het leven in een Zwitsers hospice beschrijft Gadri (2002: 78) hoe voor de terminaal zieke bewoners de wereld langzaam inkrimpt, eerst tot hun kamer en tenslotte tot hun bed.  Het bed als uiterste schuilplaats is daarmee het belangrijkste onderdeel van het huis dat mensen bewonen en de meest voor de hand liggende metonymie voor ‘huis’. Dat geldt ook voor instituten en ‘tehuizen’. De capaciteit van een ziekenhuis of hotel wordt aangegeven door het aantal bedden. Uiteindelijk gaat het om het bed.

Ik begon deze paragraaf met de opmerking dat het bed een veilige plek moet zijn, omdat de mens tijdens zijn slaap het meest weerloos is. Potentieel is het bed daarom ook een gevaarlijke plaats zoals in talrijke legendes en verhalen wordt aangetoond. Wright (1962: 114-18) wijdt een heel hoofdstuk aan moorden die in bed gepleegd zijn, een hoofdstuk dat zich overigens beperkt tot de Britse geschiedenis. Uit de wereldliteratuur kunnen we daar nog vele andere voorbeelden aan toevoegen: Het mythologische monster Argos wordt door Hermes in slaap gepraat en gedood. In de Joods-Christelijke bijbel wordt Koning Holofernes door zijn bijslaap Judith onthoofd en in de Koran wordt de monnik Sergius in zijn slaap vermoord door de soldaten van Mohammed. Shakespeare ziet het slaapvertrek eveneens als een ideale plek voor moord en doodslag (Macbeth, Othello). Terwijl ik dit schrijf, lees ik in de krant een interview met een Indiase vrouw die zegt dat ze haar man nog eens zal vermoorden als hij niets vermoedend naast haar ligt te slapen.           

Op geheel andere wijze beschrijft Kafka het bed als een “Ort der Unsicherkeit”. In een ongepubliceerde conferentie bijdrage over Kafka neemt Hacopian (2004a)het ontwaken van Gregor Samsa in Die Verwandlung als uitgangspunt voor een beschouwing over de gevaren van het bed. Zoals bekend, bemerkt Samsa als hij wakker wordt dat hij in een kever is veranderd. Hoewel hij de nacht in zijn eigen vertrouwde kamer en bed had doorgebracht, was hem toch deze rampzalige gedaanteverandering overkomen. In Der Prozess overkomt Joseph K. iets soortgelijks: Als hij ’s morgens wakker wordt, staan er twee mannen naast zijn bed die hem arresteren. Volgens Hacopian (2004b: 111) voert Kafka de onzekerheid en zinloosheid van het bestaan tot het uiterste door zelfs het veilig gewaande eigen bed tot gevarenzone te verklaren:

The ‘unsichere’ position of the bed reflects the threatened existence of the individual Kafkan figures – an existential danger metaphorically represented by the threat to the private sphere – aptly symbolized by these recurrent ‘bed scenes’ in Kafka’s texts.

Slaap

Slapen heeft allereerst een biologische functie: gedurende de slaap rust een mens uit en herstelt van de spanningen en vermoeidheden van de afgelopen dag. Na een goede slaap heeft hij genoeg krachten verzameld, lichamelijk en mentaal, om de nieuwe dag aan te kunnen (Empson 1990). “Tired Nature’s sweet restorer, balmy sleep”, schreef de dichter Edward Young (in: Eden & Carrington 1961: 76). Maar behalve deze voor de hand liggende biologische functie van de slaap, zijn er vele culturele variaties in het hoe, waar en wanneer van menselijk slapen.           

Mauss (1973:80) die het begrip ‘lichaamstechniek’ introduceerde, spreekt van slaaptechnieken die van cultuur tot cultuur kunnen verschillen. Mensen slapen in een bed, op de vloer, op een mat, in een hangmat; met of zonder hoofdkussen, met een houten neksteun.           

Slapen kan een solitaire bezigheid zijn, maar in veel culturen slapen leden van een familie juist bij elkaar. Tot ongeveer de 16e eeuw was dat eveneens het geval in Europa (Wright 1962, Catalani 1968, Bologne 1986). Ook de lichaamshouding kan verschillen. De liggende houding (op de rug, op de zij, op de buik, foetushouding) mag dan de meest gebruikelijke zijn, onze voorouders zaten veeleer in bed. Prince Peter (1953) die in 1938 door West Tibet reisde ontdekte dat zijn Tibetaanse reisgenoten ’s nachts op hun knieën, diep voorover gebogen, hoofd in hun handen op de grond, dicht tegen elkaar aan sliepen. Eerst dacht hij dat ze aan het bidden waren, maar toen hij ze hoorde snurken, begreep hij dat het hun slaaphouding was. Op de vraag, waarom ze zo sliepen, antwoordden ze dat ze zo warmer bleven. Van de Masai is bekend dat zij staande kunnen slapen. Mauss (1973:81) schrijft dat hij zelf ook staande geslapen heeft, of gezeten op een paard. Zoals reizigers in vorige eeuwen leerden te paard te slapen, oefenen in deze tijd reizigers zich in methoden om in het vliegtuig de slaap te vatten.

De nacht

De slaap, in onze cultuur, markeert de overgang van de ene dag in de andere. Het verblijf in bed is de zwarte streep die de ene dag van de andere scheidt. De slaap, zou men kunnen zeggen, vertegenwoordigt het bio-ritme van de kalender. Maar die tijdsdimensie van de slaap is onderhevig aan sociale en culturele dynamiek. Het slaapritme dat ons van dag tot dag voert is niet universeel.

Er zijn nachtbrakers en dagdromers. En er is de 24-uurs economie; het geordende dag/nacht – slaap/waak – schema wordt op zijn kop gezet. De eerder geciteerde Otten (1932: 73-74) geeft een eigentijdse opsomming van de ‘slapelozen van de nacht’:

de ratten in de riolen, de soldaten die op wacht staan, de politieagenten die dienst hebbende dokters die uit hun bed zijn gehaald, de inbrekers, de telegraafbeambten, de machinisten, de nachtzusters in de hospitalen, de nachtredacteuren van de kranten en vele andere funtionarissen….

Stadsverlichting draagt verder bij tot het vervagen van de dag-begrenzing.

De beperkingen van het diecentrisme blijken met name in ziekenhuis-etnografie. Het ziekenhuis met zijn slapeloze patiënten en zijn rond-de-klok zorg is een typisch voorbeeld van 24-uurs cultuur. Wie zich beperkt tot de gebeurtenissen van de dag, mist de helft van het dagelijks leven op de afdeling, en kan nooit tot een sluitend inzicht komen. In een reflectie op haar ervaringen in een ziekenhuis in Malawi staat Richters (1991: 73-75) stil bij de verschillen tussen de dag en de nacht in het ziekenhuis:

’s Nachts, wanneer de blanke staf sliep en alleen het Afrikaanse personeel aanwezig was, verscheen de Afrikaanse cultuur van kwade geesten, magische krachten en familieverwantschappen op het toneel. Hierin zocht men compensatie voor de spirituele en emotionele leegte van de dagelijkse ziekenhuis routine” (p.73).

Medisch socioloog Nijhof, die zelf als patiënt in een ziekenhuis verbleef, schrijft hoe de doorwaakte nachten  hem een geheel nieuwe visie op de medische sociologie bezorgden:

Medische sociologie is een sociologie van de dag. Ik kan mij niet herinneren het woord ‘nacht’ in al mijn literatuur ooit te zijn tegengekomen. ’s Nachts slapen de meeste sociologen en is de samenleving voor hen gesloten. Maar die nacht is in hun werk misschien ook wel afwezig omdat zij denken dat er weinig gebeurt, dat ook andere mensen ’s nachts slapen (Nijhof 2001: 68)..

Maar dat is juist niet het geval. Na een korte slaap werd Nijhof steeds wakker en volgden de lange uren van de nacht. Radio en TV werden zijn toeverlaten; de nachtelijke herhalingen van het nieuws, tennis en vooral de Tour de France… “zieken moeten de nacht vooral alleen zien door te komen. Juist die nacht van zieken is onontgonnen terrein voor medisch sociologen” (p.68). Nijhof pleit dan voor onderzoek naar ‘allenachtse’ gezondheidszorg.           

Steger en Brunt (2000: 15-17) onderscheiden ‘monophasic’, ‘biphasic’, en ‘polyphasic sleep cultures’. Het mono-fasische karakter van onze cultuur, dat uiteraard nauw samenhangt met de werk-indeling, is volgens de auteurs een relatief recent verschijnsel. Schilderijen en geschreven bronnen suggereren dat er vroeg veelvuldig overdag geslapen werd. De auteurs wijzen er verder op dat het de moderne economie is die de mono-fasische slaapcultuur opdringt en dat om die reden er ook in andere maatschappijen een verschuiving naar de mono-fasische variant van slapen plaats vindt; een kolonialisering van de slaap, zou men kunnen zeggen. De siësta-cultuur van Spanje, Griekenland en diverse Francofone landen in Afrika, heeft ingrijpende consequenties voor de plaatselijke economie en komt daarom in toenemende mate onder druk te staan.

Slaapplaats van kinderen

Opvoeders hebben eindeloos geschreven over de voor- en nadelen van het samenslapen van ouders met kinderen (zie bijv. Spock 1998). In ‘Westerse’ samenlevingen overheerst nu de opvatting dat het goed is voor een kind om vanaf een zeer vroeg tijdstip apart te slapen van zijn ouders. Het zou het kind zelfstandigheid leren, één van de belangrijkste deugden in deze culturen. (McKenna 1993, Owens 2005, Valentin 2005).[note 3]Maar er zijn nu ook weer initiatieven om het samen slapen van ouders en kleine kinderen te bevorderen. Een van de redenen is de angst voor wiegendood.
Tot ongeveer 200 jaar geleden was het samenslapen van kinderen en volwassenen praktisch universeel. Ruimere behuizing en nieuwe pedagogische opvattingen hebben daar echter verandering in aangebracht. In het grootste deel van de wereld zijn opvoeders echter een andere mening toegedaan en beschouwt men de verbanning van een kind naar een andere slaapruimte als tegennatuurlijk en inhumaan. Proust, die zo ‘warm’ kon schrijven over de geborgenheid van het bed, heeft ook over de pijn van de verwijdering geschreven als hij als kind naar bed werd gebracht, het ‘smartelijk ogenblik’ als zijn moeder hem verliet na een veel te kort goedenacht zeggen (in: De Visscher 1999: 63). In Afrika en elders slapen kinderen niet alleen bij hun ouders – in ieder geval bij de moeder – in hetzelfde bed of in dezelfde ruimte; vaak slapen zij ook op de rug van de moeder terwijl deze haar werk verricht. Van jongs af aan wordt de hechte band tussen moeder en kind zo benadrukt en gecultiveerd.

Naast de opvoedkundige redenen zijn er nog andere overwegingen voor het apart slapen van kinderen. Eén is het gevaar dat een baby wordt doodgedrukt in het bed van een volwassene (een beroemd voorbeeld is te vinden in het bijbelboek Salomon). Een andere is de behoefte van ouders aan privacy. In Ghana, bijvoorbeeld, voelen gehuwden zich gedwongen, in de aanwezigheid van jongere kinderen, op haast stiekeme wijze de liefde te bedrijven.

Waarschijnlijk is er geen grotere tegenstelling in slaapgebruiken als in de praktijken rond het slapen van kinderen. “Sleeping arrangements reflect larger social values and goals”, merkt McKenna (1993: 144) terecht op.

Slaaprituelen

Zoals er een tweedeling te maken is van culturen waar kinderen samen slapen met hun ouders en waar ze apart slapen, zijn er ook twee soorten tradities ten aanzien van het slapengaan van kinderen, die waarschijnlijk parallel lopen met de eerstgenoemde tweedeling (Jenni & O’Connor 2005: 210). In onze traditie worden kinderen veelal op een vastgesteld tijdstip naar bed gebracht of gestuurd. Die regelmaat maakt deel uit van de discipline die we kinderen willen bijbrengen. Of ze willen of niet, het is bedtijd, en ze moeten nu gaan slapen. In Ghana heb ik nooit kinderen naar bed gestuurd zien worden. Op een gegeven moment valt een kind van vermoeidheid in slaap en draagt een volwassene het naar zijn slaapplaats. Grotere kinderen zoeken zelf hun matras op als de slaap hen overmant. Hier is geen gelegenheid voor bedtijd-rituelen; het kind slaapt al.           

Waar het kind naar bed moet omdat het tijd is, moet ouders vaak van alles uit de kast halen om het in slaap te krijgen en/of het op een bevredigende manier alleen te laten in zijn kamer. Bij heel kleine kinderen kan dat een slaapliedje zijn; later worden het sprookjes en andere verhalen die verteld of – in toenemende mate – voorgelezen worden (Hua 1993, Valentin 2005, Jenni & O’Connor 2005). In het geslaagde bedtijdverhaal valt het kind halverwege in slaap en verlaat de ouder op zijn/haar tenen de kamer. Op nog latere leeftijd nemen kinderen zelf een boek mee naar bed en ‘mogen’ tot een bepaald tijdstip lezen. Het ritueel wordt bij wijze van compromis, door het kind in eigen hand genomen.           

Naast het liedje en verhaaltje zijn er nog de voorwerpen die het kind in slaap moeten brengen, een speentje, een lapje, een pop, een knuffeldier. Het zijn kleine metonymia;s die het alleen zijn in bed gedeeltelijk compenseren. Truijens (2004) beschrijft de betekenis van zo’n knuffeldiertje erg mooi in haar verslag van de ziekte van haar zoontje die geen nacht zonder zijn Poefje kan.           

Liedjes, verhalen en voorwerpen voor het slapen kunnen gezien worden als ‘transitional objects’ en ‘transitional phenomena’ (Winnicot 1975): rituele voorwerpen en technieken die kinderen de overgang helpen maken van waken naar slapen. Het zijn helpers bij het voersteken van de liminale fase (Jenni & O’Connor 2005: 210).           

Het zijn overigens niet alleen kinderen die de hulp nodig hebben van dergelijke transitionele rituelen. Ook volwassenen hebben vaak hun rituele routines zonder welke zij niet kunnen slapen, variërend van tanden poetsen, nachtkleding, muziek, een boek tot slaaptabletten.

Slaaptextiel

Het menselijk slapen heeft veel textiel opgeleverd, zowel in de vorm van nachtkleding als bekleding van bed en bed-attributen. Speciale nachtkleding lijkt een vrij recent verschijnsel te zijn in onze cultuur. Tot na de Middeleeuwen sliepen mensen naar alle waarschijnlijkheid naakt of in dezelfde (onder)kleren als ze gedurende de dag gedragen hadden. Elias 1982: 222-23, Bologne 1986: 110-128, Sharkey 1993). De pyjama (een Hindu-term) bereikt in de loop van de 17e eeuw de hogere klassen in Europa vanuit India. In de loop van de 20e eeuw raakte de pyjama ingeburgerd bij het grote publiek, toen de dure stof van de oorspronkelijke pyjama’s vervangen werd door katoen en flanel. Sharkey (1993: 433) meldt dat een succesvolle Broadway muscial “Pajama Game” in 1954 aanzienlijk heeft bijgedragen aan de populariteit van de pyjama in de USA.           

Over slaapkleding in andere culturen is vrij weinig bekend. In Ghana rollen mensen zich in een ‘sleeping cloth’ dat niet verschilt van het type ‘cloth’ dat men traditioneel overdag draagt of droeg. Nachtkleding heeft zowel te maken met gevoelens van schaamte (Elias 1982, Bologne 1986) als met status en prestige.           

Opvallend veel energie en creativiteit is gestoken in de aankleding van bed en bed-attributen. In 1979 hield het Nederlands Openluchtmuseum in Arnhem een tentoonstelling “Onder de dekens, tussen de lakens …” waar een rijke verzameling te zien was van lakens, dekens, kussenovertrekken, spreien, bedstede-gordijnen, wiegbekleding, en andere textilia. Een publicatie van de samenstellers van de tentoonstelling, Meulenbelt-Nieuwburg (1981) geeft een goed overzicht van de getoonde voorwerpen. De grote aandacht voor het verfraaien van bed en beddengoed toont de paradox van de geschiedenis van het Nederlandse slaapvertrek: enerzijds ultiem privé domein, anderzijds pronkstuk van welstand en goede smaak.           

Soortgelijke voorbeelden van kunstnijverheid rond het bed zijn er ook uit andere culturen gemeld. Met name uit India zijn er indrukwekkende textiel kunstwerken bekend zoals spreien die in Europese musea terechtgekomen zijn. Het is echter hoofdzakelijke het beddengoed van de allerhoogste klassen dat de aandacht heeft gekregen. Over bedtextiel van ‘gewone mensen’ is wereldwijd veel minder bekend.

Slapeloosheid

Ongeveer een op de drie volwassenen in Nederland zegt last te hebben van slapeloosheid. Slapeloosheid komt vaker voor bij ouderen, en twee keer vaker bij vrouwen dan bij mannen. Het bed, dat rust en ontspanning zou moeten bieden, wordt voor de slapeloze een plek van piekeren, frustratie en uitputting. Dat het niet-kunnen-slapen nauw verweven is met de leefsituatie van de betrokkene behoeft nauwelijks betoog. Ellis (1991) bespreekt drie antropologische interpretaties van slaapproblemen aan de hand van drie casussen die het onvermogen om te slapen in verband brengen met menselijke relaties en gevoelens van ongeborgenheid.

Het zoeken naar oplossingen in die leefsituatie om het slapen te bevorderen heeft echter weinig succes. Medicalisering van het probleem blijkt veel effectiever te zijn. Haafkens (1997) sprak met 50 vrouwen die een jaar of langer benzodiazepam gebruiken, hoofdzakelijk vanwege slaapproblemen. Benzodiazepinen behoren tot de meest voor-geschreven medicijnen in de wereld. In de verhalen van deze vrouwen komt een sterke ambivalentie tot uiting ten aanzien van de medicijnen die ze gebruiken. Enerzijds beschouwen ze de slaapmiddelen als hun redders omdat ze hen in staat stellen weer normaal te functioneren dankzij een goede nachtrust. Anderzijds ontwikkelen ze een aversie tegen hun ‘helpers’ omdat ze het gevoel hebben dat ze de controle over hun eigen leven aan het verliezen zijn. Die ambivalentie leidt tot verborgen gebruik en verborgen strategieën om aan de medicijnen te komen: herhaalrecepten die zowel de gebruiker als de arts een confrontatie met deze soms pijnlijke situatie besparen (zie ook Webb 1992: 119-128, over het gebruik van slaapmiddelen).

De ironie van slaapproblemen is dat ze soms veroorzaakt worden door de ‘gezonde’ slaap van een bed- of huisgenoot die snurkt. Ongeveer een op de tien volwassenen snurkt en veroorzaakt, ongewild, spanningen in relaties. In tegenstelling tot de medicalisering van slaapstoornissen, heeft de medische wetenschap nog steeds geen afdoende oplossingen voor het snurken. Ook sociale wetenschappers hebben nauwelijks aandacht aan deze problematiek gewijd die naar alle waarschijnlijkheid zeer aanzienlijk is. De enige verklaring voor deze nalatigheid die ik kan bedenken is dat het snurken ‘te dicht bij het bed’ komt. Zoals eerder al is opgemerkt, wordt de sociale wetenschapper buiten de slaapkamer gehouden of kiest zelf voor die discretie, ondanks Goffmans aansporing naar binnen te gaan.

Een begrip dat vooral in de psychologie gebruikt wordt in verband met slaap-stoornissen is ‘slaaphygiëne’: het treffen van maatregelen die een gezonde slaap mogelijk maken zoals een rustig slaapvertrek, geen coffeïne voor het slapen gaan, regelmatige bedtijden, vermijden van slaap overdag, een werkzame dag en een schone slaapomgeving (cf. Spielman & Glovinsky 1993). Het gebruik van een muskietennet in malaria-endemische gebieden (maar ook in andere gebieden waar muggen voorkomen) is een andere vorm van slaaphygiëne. Alaii (2003) laat zien dat gezondheidsvoorlichting over gebruik van een muskietennet rekening dient te houden met culturele concepties over slaap en slaap-arrangementen. Net als ‘hygiëne’ in de gewone zin van de term wordt slaaphygiëne geassocieerd met een geordend en moreel hoogstaand leven en wordt een onregelmatige en slechte slaap gemakkelijk in verband gebracht met een laakbare levensstijl. Nachtbrakers en langslapers zijn niet alleen in temporele zin deviant; ook in moreel opzicht is er iets met hen mis. Een sprekend voorbeeld is de notoire langslaper Oblomow, hoofdpersoon uit Gontsjarow’s (1958) gelijknamige roman:

Zodra hij ontwaakte, nam hij zich dan ook voor op te staan, zich te wassen en na het ontbijt alles nog eens goed te overdenken, te formuleren en neer te schrijven, kortom de zaak aan te pakken zoals dat behoort.

Een half uur lang bleef hij gekweld door dit voornemen liggen, toen besloot hij dat dit alles ook wel na zijn ontbijt kon doen en dat hij zoals gewoonlijk wel in bed kon ontbijten, te meer daar niets hem verhinderde liggend te denken.

Zo deed hij dus. Na het ontbijt richtte hij zich half uit zijn kussend op en maakte aanstalten op te staan; hij wierp een blik op zijn pantoffels, stak er al een voet naar uit, maar trok die onmiddellijk weer terug….

“Ach wat ben ik toch een….!” zei hij luid en vol ergernis. “Ik moest me schamen. Het is de hoogste tijd om iets uit te voeren. Als ik me zo laat gaan… (p. 14).

Kraambed

Liggend in bed wordt in ‘het Westen’ veelal gezien als de normale positie voor bevalling maar wereldwijd bestaan er vele andere houdingen: staand met ondersteuning van onderen, gehurkt, zittend (op de grond of op een krukje), geknield waarbij de bevallende vrouw zich soms vasthoudt aan een touw, en half zittend / half liggend in een hangmat (Lefèber & Voorhoeve 1998: 28-30). Verloskundigen zijn het er over eens dat de liggende houding niet de meest comfortabele is voor de vrouw maar vooral het gemak van henzelf dient. Met de expansie van de biomedische traditie wint het kraambed ook steeds meer terrein en wordt deel van wat Habermas (1983) “de kolonialisering van de leefwereld” heeft genoemd. De liggende houding in het kraambed brengt de kraamvrouw in een passieve positie, horizontaal als een patiënt en maakt de vroedvrouw of arts tot de actieve partij, de ‘held(in’ van de bevalling (cf. Drews 1995: 255-267). De andere houdingen benadrukken daarentegen de actieve, leidende rol die de bevallende vrouw zelf neemt.

Liefdesnest

Het bed is waarschijnlijk wereldwijd de favoriete plek voor het bedrijven van de liefde. ‘Met iemand naar bed gaan’ of ‘met iemand slapen’ zijn wijdverbreide eufemismen voor seks, in vele talen. De voorkeur voor het bed als plek voor seks hangt ongetwijfeld samen met het feit dat het bed de plaats is waar de meeste privacy voorhanden is en dat het de locatie is waar men zich ’s nachts ophoudt. In diverse culturen is het bovendien een taboe om buitenshuis seks te hebben. Waar het slaapvertrek minder privacy heeft omdat er ook kinderen en klein-kinderen slapen, zoals dat vaak het geval is in Ghana, biedt het donker van de nacht en de slaap van de andere aanwezigen de minnaars toch nog gelegenheid om onopgemerkt seks te hebben.           

Elias (1982) en zijn volgelingen (waaronder ook Van Ussel 1968) hebben beschreven hoe ook in de Westerse wereld de slaapkamer aanvankelijk minder privacy bood, met alle gevolgen – zowel beperkend als uitbreidend – voor het spel van de liefde. Zo zijn in de verhalen van Bocaccio diverse voorbeelden te vinden van de mogelijkheden die een gemengd slaappubliek biedt voor amoureuze avonturen (cf. Bologne 1986).           

Waar de slaapkamer wel de privacy biedt waarin geliefden zich ongehinderd kunnen uitleven, is het het aanbreken van de dag dat die privacy verstoort. Dat moment dat een einde maakt aan de betovering, in het bijzonder voor geheime geliefden, heeft veel dichters tot diepe verzuchtingen bewogen. Er is zelfs sprake van een genre: dageraadsliederen, Aube in het Frans, Alba in het Spaans; een vorm van hoofse lyriek, ontstaan in de 12e eeuwse Occitaanse poëzie. Bekend is het gedicht van P.C. Hooft dat begint:

            Galathea siet den dach komt aen.

            Neen mijn lief wilt noch wat marren

            T sijn de starren,

            Neen mijn lief wilt noch wat marren

            T is de maen.

Het beroemdste voorbeeld is waarschijnlijk de dialoog tussen Romeo en Juliet (Act III, Scene 5) aan het eind van hun verboden ontmoeting. Romeo zegt zijn geliefde dat hij weg moet omdat het ochtend wordt. Hij heeft de leeuwerik gehoord. Maar Juliet wil hem niet laten gaan en houdt vol dat het een nachtegaal was: het is nog lang geen ochtend. Het ‘twisten’ over de vraag of het nu de zon of de maan is, wordt bij Shakespeare een ornithologisch debat (zie ook Lemaire 2002).

Ziekbed

De term ‘ziekbed’ in de Nederlandse taal wordt overwegend gebruikt in metonymische zin en verwijst naar de toestand van de zieke persoon. Aan dit metonymische gebruik ligt de vanzelf-sprekendheid ten grondslag dat iemand die ziek is zich in een bed bevindt. Datzelfde gaat op voor het gebruik van ‘bed’ voor patiënt in de context van het ziekenhuis. Zoveel bedden, zoveel patiënten. En een patiënt die eigenlijk niet thuishoort op de afdeling wordt een ‘verkeerd bed’.           

Als we ons nu richten op het bed zelf, dan kunnen we twee soorten van ziekbed onder-scheiden: het bed dat zich thuis bevindt en het ziekenhuisbed (of het bed in een ander type zorginstituut). Het eerste bevindt zich in de privé-sfeer van de woning van de zieke. De zieke zal zich daarin van de buitenwereld afzonderen, tenzij de ziekte langdurig is en er ziekenbezoek gaat komen. In dat geval wordt het bed waarschijnlijk verplaatst naar een minder intieme ruimte van het huis. Het ziekenhuisbed, daarentegen, bevindt zich in een publieke ruimte waar ‘vreemden’ ongestraft in en uit lopen.           

Over de ervaring van bed en ‘beddengoed’ door de zieke heeft Van den Berg (1954: 8) de volgende, inmiddels klassieke, regels geschreven:

De dekens van mijn bed, die zozeer in het teken van nuttigheid stonden, dat zij verdwenen in het doel waarvoor zij dienden, zodat ik in mijn gezonde toestand met geen mogelijkheid had kennen zeggen welke kleur zij hebben, worden wouden van gekleurde draden, waarin mijn oog een vermoeide weg baant. De lakens zijn onmetelijke, witte vlakten met diepe kloven, steile hellingen en onberekenbare toppen, een poollandschap voor de verlamde reiziger die ik ben. Het behang, dat ik ooit ‘zag’, met één oog werd overvlogen, wordt pijnlijk ontleed in strepen, punten, figuren en figuurtjes…. Ik ben gewikkeld in een immense Rohrsach-test ….

Het bed is niet alleen een veilig toevluchtsoord waar de zieke, niet gestoord door anderen, kan herstellen; het keert zich ook tegen de zieke. In tegenstelling tot de gezonde mens voor wie een slapend verblijf in bed “de belofte van de toekomst” is, wordt het bed voor de zieke, die al te veel moet slapen, een soort gevangenis en voor de chronisch zieke het symbool van een uitzichtloze toekomst. Van den Berg (1954: 22-23):

De chronisch zieke heeft niets meer te anticiperen; wat er komt, is niets dan het bed, dat nooit werkelijk toekomst kan worden… Als de gezonde in bed stapt, heeft dit bed nog even de qualiteit van wat buiten is, van de wind, die de hele dag door de geopende ramen naar binnen kwam, de wind met zijn kenmerken van zomer of winter, van regen of droogte. Zijn bed is geïmpregneerd met een zweem van de dingen en voorvallen der jaargetijden…. Elke avond maak hij zijn bed weer helemaal eigen, hij geeft er zijn lichaam logies. Hij vult het met de warmte van zijn gezonde lichaam. De zieke mist hier vrijwel alles… de lakens zijn nooit zo koel als hij zich weet te herinneren van vroeger, de dekens blijven ruiken naar zijn lichaam, naar zijn huid en naar zijn adem. Het bed heeft de specifieke geur van zijn zieke lichaam.

In het geval van het ziekenhuisbed wordt deze vijandigheid van het bed nog verhevigd. De ongemakkelijkheid van het bed groeit omdat vreemden binnendringen in wat spontaan gevoeld wordt als het ultieme privé domein waar men zichzelf kan zijn zonder zich iets aan te trekken van de wereld. Private gedragingen, gewoontes, kledingstukken, voorwerpen en tenslotte ook de intimiteit van het eigen lichaam worden blootgesteld aan het inspecterende oog van artsen en verpleegkundigen en de nieuwsgierige blikken van bezoekers. De gêne over deze openbaarmaking neemt nog verder toe als het bed tevens de plaats wordt waar de zieke gewassen wordt en – het pijnlijkste – zijn behoefte moet doen.           

Een ruimte met veel bedden (met daarin patiënten) dient het gemak van het medisch personeel dat zo beter zicht kan houden op de patiënten. Die situatie inspireerde Foucault (1979) om Bentham’s begrip “Panopticon’ toe te passen op instituten zoals gevangenissen en ziekenhuizen. Het panopticon maakt maximaal toezicht mogelijk met minimale inspanning. In moderne ziekenhuizen maakt het idee van maximaal toezicht plaats voor het respecteren van de privacy van patiënten. Waarom zouden patiënten in een ziekenhuis terecht moeten komen in slaapzalen, als dat nergens anders gebeurt? Als we naar een hotel gaan, hoeven we toch ook niet onze kamer te delen met anderen, schrijven Thomson en Golding (1975: 225) in een boek over ziekenhuis architectuur (geciteerd in Zaman 2005: 92).           

In het ziekenhuis in Bangladesh waar Zaman zelf onderzoek deed, hadden de patiënten geen enkele privacy. De afdeling bestond uit een grote zaal met meer dan honderd bedden, waarvan één helft voor mannen en één helft voor vrouwen. De ruimte tussen de bedden was ongeveer anderhalve meter. Soms werd er nog een matras gelegd tussen twee bedden voor extra patiënten. Patiënten die een bed toegewezen kregen bij de muur prezen zichzelf gelukkig dat ze in ieder geval aan één kant ‘privacy’ hadden. Het feit dat er opvallend weinig vrouwelijke patiënten in de zaal lagen had ongetwijfeld te maken met het ontbreken van privacy (Zaman 2005: 92).

Doodsbed

De associaties tussen slaap en dood zijn talloos. De slaap wordt wel de ‘kleine dood’ genoemd en omgekeerd wordt de slaap veelvuldig als eufemisme voor de dood gebruikt – in vele talen, is mijn indruk. Het graf is de laatste rustplaats en op de stenen wordt “Rust zacht” geschreven. “Het mooiste doodsbed is de glazen kist van Sneeuwwitje,” schreef iemand mij. Williams (2003: 169) verbaast zich erover dat dood en sterven nu een “thriving sub-field of sociological inquiry” zijn, maar dat er nauwelijks aandacht is voor de slaap bij sociale wetenschappers. Over mogelijke verklaringen hiervoor hebben we het al eerder gehad. Daar kunnen we hier één aan toevoegen: de dood is dramatiek, de slaap alledaags (alle-nachts). Hoewel sociologen en antropologen beweren in het alledaagse leven geïnteresseerd te zijn, is het duidelijk dat zij voortdurend de voorkeur geven aan de dramatische gebeurtenissen in het leven. Dat geldt met name voor antropologen (cf. Van der Geest 1984).           

Het bed biedt gastvrijheid aan zowel de slaap als de dood. Sterven in het eigen bed – omringd door familieleden en andere dierbaren – wordt wereldwijd gezien als een goede dood (cf. Seale & Van der Geest 2004). De voorkeur voor deze plek komt voort uit het besef dat het bed meer dan enig andere plek of enig ander object ‘thuis’ symboliseert. Ergens onderweg, niet-thuis, sterven wordt daarentegen als een slechte dood gezien. Op Nias, schrijft Klasen (1990: 61) wordt het als een schande gezien als iemand in het huis van een ander overlijdt, of, erger nog, op straat. Een ernstige belediging die Klasen optekende luidde: “Jouw vader is op de hoek van de straat gestorven, als een omgevallen waterdrager”.           

Is het sterfbed nog een uiterst intieme plek, na de dood, als de overledene wordt opgebaard en tentoongesteld aan de buitenwereld, krijgt het bed een publieke functie, veel meer nog dan het ziekenhuisbed. In Ghana wordt het meubelstuk getransformeerd in een praalbed en draagt in belangrijke mate bij aan het succes van de begrafenis (zie afbeelding). Het aankleden van de ruimte waarin het lichaam wordt opgebaard en de versiering van het bed en het dode lichaam zelf worden in toenemende mate toevertrouwd aan de begrafenis-industrie (De Witte 2001: 103-132).

Liggend naakt

In de schilderkunst treedt het bed hoofdzakelijk op als natuurlijke omgeving voor een ‘liggend naakt’. Men zou kunnen zeggen dat het bed geprofiteerd heeft van deze bijrol, want er bestaan opvallend veel afbeeldingen van bedden en sofa’s die de zachte onder- en achtergrond van vrouwelijk schoon mogen zijn. Ook in taferelen van ziekte, dood en slaap en in schilderingen van interieurs zijn bedden te zien. Slechts bij uitzondering is het bed het hoofdonderwerp in de Europese schilderkunst, zoals bij Van Gogh (en variaties daarop door andere schilders).

Dromen

Zoals voor ‘liggend naakt’ is het bed ook de natuurlijke omgeving voor dromen, maar een uitgebreide beschouwing over de antropologie van dromen is in dit overzicht over ‘beddengoed’ helaas niet mogelijk. Antropologische interesse in de (cross-culturele) betekenis van dromen is er geweest vanaf het eerste etnografische onderzoek. Evans-Pritchard wijdde bijvoorbeeld een hoofdstuk aan hekserij en dromen in zijn klassieke werk over de Azande waarin hij benadrukte dat een droom voor een Zande niet slechts over hekserij ging maar een feitelijke ervaring van hekserij was. Ten tijde van de ‘Culture and Personality School’ met namen zoals Eggan, Hallowel en Devereux, richtte de belangstelling voor dromen zich vooral op de relatie cultuur en psychologie. In het begin van de tachtiger jaren bracht Barbara Tedlock het onderwerp terug in de antropologie maar met een bredere invalshoek, met name vanuit de cognitieve symbolische en semiotische antropologie. Een seminar dat zij organiseerde leidde in 1987 tot een collectie van tien bijdragen over dromen met een overzicht van stand van zaken in het droom onderzoek als inleiding van haar hand (Tedlock 1987a, 1987b).           

Vier haar later, in 1991, brengt het tijdschrift Etnofoor een themanummer uit over dromen. In een bijdrage aan dit nummer betoogt Tholen van Velzen (1991) dat de ideeën van Freud over dromen antropologen kunnen helpen bij hun interpretatie van ‘bizarre’ en moeilijk te begrijpen culturele voorstellingen.           

In een algemene beschouwing over dromen en cultuur legt Kracke (1993) de nadruk op de grote verschillen die er tussen culturen bestaan over de betekenis van dromen. In sommige worden dromen terzijde geschoven als onwerkelijke fantasiebeelden; in andere worden ze uiterst serieus genomen en in de praktijk van het dagelijks leven als zodanig gebruikt, bijvoorbeeld bij het nemen van een beslissing of de behandeling van een zieke (zie ook Tedlock 1987b). Kracke stelt vijf perspectieven voor waarmee antropologen dromen in verschillende culturen kunnen bestuderen: opvattingen over de aard van dromen; conventies op basis waarvan mensen dromen verklaren; de sociale context waarbinnen leden van een cultuur hun dromen met anderen delen; wijzen waarop dromen in de praktijk worden gebruikt, vooral bij genezing; en ten slotte de psychodynamische betekenis van dromen in de zin dat ze de verborgen wensen, angsten en conflicten van de dromer tot uitdrukking brengen.           

In zijn droom verlaat de slaper zijn bed en betreedt domeinen die oneindig ver van zijn bed verwijderd zijn, zoals de heks bij de Azande zijn slapend lichaam achterlaat en elders onheil sticht. Het onderwerp droom heeft mij ook ver afgevoerd van het thema waarover deze beschouwing moet gaan. Tijd om wakker te worden en terug te keren naar het bed, waar het allemaal om begonnen was.

Tot besluit

Ik hoop aannemelijk gemaakt te hebben dat het bed, hoewel de kleinste leefruimte van de mens, onmetelijk veel sociale en culturele gebeurtenissen herbergt en het verdient om in het middelpunt te staan van een antropologisch symposium. Met deze zeer globale – maar toch nog te eurocentrische - schets van die vele sociale en culturele gebeurtenissen heb ik belangstelling willen wekken voor de culturele aspecten van het bed bij potentiële deelnemers aan het symposium. Daarnaast heb ik getracht een kader te bieden aan auteurs die voor genoemd symposium een paper gaan schrijven. Het themanummer dat hier hopelijk uit voort zal komen zal, bij mijn weten, de eerste collectie van antropologische essays over bed en cultuur zijn.

Noten

De auteur is medisch en cultureel antropoloog, verbonden aan de Universiteit van Amsterdam, en redacteur van dit tijdschrift. E-mail: s.vandergeest@uva.nl

Dank aan Geert Mommersteeg, Leon Deben, Rob van Dijk, Steven Van Wolputte, Geertje van der Geest, Trudy Kanis en vooral aan Jojada Verrips die onvermoeid zeldzame slaap-en-bed-documenten uit de schatkamer van zijn souterrain aansleepte.

Literatuur

Alaii, J.A.
2003    Insecticide-treated bednets (ITNs) for malaria control: Factors relevant for utilization in a western Kenyan community. Proefschrift, Universiteit van Maastricht.
Berg, J.H. van den
1954    Het ziekbed. Een hoofdstuk uit de medische psychologie. Nijkerk: Callenbach
Bologne, J.C.
1986    Histoire de la pudeur. Paris: Olivier Orban.
Borne, F. van den
2005    Trying to survive in times of poverty and AIDS: Women and multiple partner sex in Malawi. Amsterdam: Het Spinhuis.
Catalani, C.
1968    Het bed. 5000 jaar waken en slapen. Bussum: Van Dishoeck.
Deben, L., P. Rensen & R. Duiveman
2003    Nachtzwervers in Amsterdam 2003. Amsterdam: Aksant.
Deben, L. & P. Rensen
z.d.      Wonen zonder dak. Te verschijnen in Mens en Maatschappij
De Visscher, J.
1999    Naakt geboren: Over herbergzaamheid, lijfelijkheid, subjectiviteit en wereldlijkheid (een wijsgerig-antropologische essay). Leende: Damon.
Eden, M. & R. Carrington
1961    The philosophy of the bed. London: Hutchinson & Co.
Elias, N.
1982    Het civilisatieproces: Sociogenetische en psychogenetische onderzoekingen. Deel 1, Utrecht / Antwerpen: Het Spectrum [1939].
Ellis, E.M.
1991    Watchers in the night: An anthropological look at sleep disorders. American Jornal of Psychotherapy 45 (2): 211-20.
Empson, J.
1990    Sleep and dreaming. London/Boston: Faber & Faber.
Etnofoor
1991    Dromen. Themanummer Etnofoor 4 (2).
 
Evans-Pritchard, E.E.
1937    Witchcraft, oracles and magic among the Azande. Oxford: At the Clarendon Press.
Foucault, M.
1979    Discipline and punish: The birth of the prison. Harmondsworth: Penguin.
Gadri, A.
2002    Donner naissance à la mort: L’expérience du mourir dans une maison de soins palliatifs en Suisse. Le Mont-sur-Lausanne: Coédition Rive-Neuve – Ouverture.
Geest, R. van der
2002    Slaperig in de trein. Ongepubliceerd manuscript.
Geest, S. van der
1984    De antropoloog als toneelschrijver. In: J. Verrips et al. (eds) Romantropologie II. Amsterdam: Antropologisch‑Sociologisch Centrum, pp. 45‑87.
Gibson, D.
1999       The body in hospitalization. A study of doctors, nurses and patients in a Cape Town teaching hospital. Doctoral Dissertation, University of the Western Cape, Cape Town.
Gleichmann, P.R.
1980     Einige soziale Wandlungen des Schlafens. Zeitschrift für Soziologie 9 (3): 236-50.
Gontsjarow, I.A.
1958    Oblomow. Amsterdam: Van Oorschot.
Haafkens, J.
1997    Rituals of silence. Long-term tranquilizer use by women in the Netherlands: A social case study. Amsterdam: Het Spinhuis.
Habermas, J.
1983    The theory of communicative action. Boston: Beacon Press.
Hacopian, A.
2004a  Beds, bugs and spaces: Reading Räumlichkeit in Kafka’s Metamorphosis. Conferentiepaper, New York: Columbia University. 
2004b  Kafkas Bett: Von der Metonymie zum Diskurs. Ein Einblick in die Bedeutung der Räumlichkeit”. Duitse Kroniek 53: 101-20.
Hua, J.
1993    Bedtime stories. In: M.A. Carskadon (ed) Encyclopedia of sleep and dreaming. New York: Macmillan, pp.68-69.
Jenni, O.G. & B.B. O’Connor
2005    Children’s sleep: An interplay between culture and biology. Pediatrics 115 (1): 204-16.
Kellerman, H.
1981    Sleep disorders: Insomnia and narcolepsy. New York: Brunner/Mazel.
Klasen, H.
1990    Die alten Niha und ihre Einstellung zu Krankheit und Tod. Papenburg: Verlag Eissing.
Kracke, W.H.
1993    Cutural aspects of dreaming. In: M.A. Carskadon (ed) Encyclopedia of sleep and dreaming. New York: Macmillan, pp. 151-55.
Lefèber, Y. & H.W.A. Voorhoeve
1998    Indigenous customs in childbirth and child care. Assen: Van Gorcum.
Lemaire, T.
2002    Lyrische leeuweriken. In E. Lammers (ed) Making waves. Inspiring critical and feminist research: A tribute to Joke Schrijvers. Amsterdam: Aksant, pp. 102-09.
Manguel, A.
1999    Een geschiedenis van het lezen. Amsterdam: Ambo.
Mauss, M.
1973    Techniques of the body. Economy and Society 2 (1): 70-88 [1935].
McKenna, J.J.
1993    Co-sleeping. In: M.A. Carskadon (ed) Encyclopedia of sleep and dreaming. New York: Macmillan, pp. 143-48.
Meulenbelt-Nieuwburg, A.
1981    Onder de dekens, tussen de lakens...Arnhem: ‘Vrienden van het Nederlands Openluchtmuseum”.
Nijhof, G.
2001    Ziekenwerk. Een kleine sociologie van alledaags ziekenleven. Amsterdam: Aksant.
Otten, J.
1932       Bed en wereld. Arnhem: Van Loghum Slaterus,
Owens, J.A.
2005    Introduction: Culture and sleep in children. Pediatrics 115 (1): 201-03.
Prince Peter of Greece and Denmark
1953    Peculiar sleeping positions of the Tibetans. Man 53: 145.
Rensen, P.
2002    Sleep without a home: The embedment of sleep in the lives of the rough-sleeping homeless in Amsterdam. In: B. Steger & L. Brunt 2002a: 87-107.
Richters, J.M.
1991    De medisch antropoloog als verteller en vertaler. Met Hermes op reis in het land van de afgoden. Delft: Eburon.
Seale, C. & S. van der Geest (eds)
2004    Good death and bad death. Special issue Social Science & Medicine 58 (5).
Sharkey, K.M.
1993    Pajamas and nightwear. In: M.A. Carskadon (ed) Encyclopedia of sleep and dreaming. New York: Macmillan, pp.431-34.
Spielman, A.J. & P.B. Glovinsky
1993    Sleep hygiene. In: M.A. Carskadon (ed) Encyclopedia of sleep and dreaming. New York: Macmillan, pp.550-53.
Spock, B.
1998    Baby and child. New York: Pocket Books (7th edition).
Spradley, J.P.
1970    You owe yourself a drunk: An ethnography of urban nomads. Boston: Little, Brown.
Steger, B. & L. Brunt (eds)
2002a  Night-time and sleep in Asia and the West: Exploring the dark side of life. London / New York: RoutledgeCurzon.
2002b  Introduction: Into the night and the world of sleep. In: Steger & Brunt 2002a: 1-23. 
SullivanJ,
1993    Beds. In: M.A. Carskadon (ed) Encyclopedia of sleep and dreaming. New York: Macmillan, pp.66-68 
Tedlock, B. (ed)
1987a  Dreaming. Anthropological and psychological interpretations. Cambridge: Cambridge University Press
1987b  Dreaming and dream research. In: B. Tedlock, (ed) Dreaming. Anthropological and psychological interpretations. Cambridge: Cambridge University Press, pp. 1-30.
Thoden van Velzen, B.
1991    Antropologie en droomtaal. Etnofoor 4 (2): 21-41.
Thomson, J.D. & G. Golding
1975    The hospital: A social and architectural history. Hew Haven: Yale University Press.
Truijens, A.
2004    Geen nacht zonder. Amsterdam: Cossee.
Ussel, J.M.W. van
1968    Geschiedenis van het seksuele probleem. Meppel: Boom.
Valentin, S.R.
2005    Commentary: Sleep in German infants – The ‘cult’ of independence. Pediatrics 115 (1): 269-71.
Williams, S.J.
2002    Sleep and health: Sociological refelections on the dormant society. Health: An Interdisciplinary Journal for the Social Study of Health, Illness and Medicine 6 (2): 173-200.
2003    ‘Liminal’ bodies? Sleep, death and dying. In: S.J. William, L. Birke & G.A.  Bendelow (eds) Debating biology: Sociological reflections on health, medicine and society. London / New York: Routledge, pp. 169-81.
Winnicott, D.H.
1975    Transitional objects and transitional phenomena. In: D.H. Winnicott (ed) Through paediatrics to psychoanalysis. London: Hogart Press, pp. 229-42.
Witte, M. de
2001    Long live the dead! Changing funeral celebrations in Asante, Ghana. Amsterdam: Aksant.
Wright, L.
1962    Warm and snug: The history of the bed. London: Routledge & Kegan Paul.
Zaman, S.
2005    Broken limbs, broken lives. Ethnography of a hospital ward in Bangladesh. Amsterdam: Het Spinhuis.
Zijl, I. van
1978    “Naar bed, naar bed, zei Duimelot.” Een tentoonstelling rond het thema ‘slapen’. Gouda: Catharina Gasthuis.