Slachtoffers of bandieten

Kindsoldaten in Noord-Oeganda van kwetsbaar tot kwetsend, een onomkeerbaar proces?

Annemiek Buskens

Abstract

Kindsoldaten worden vaak grofweg beschouwd als de samenvoeging van twee uitersten. Aan de ene kant (een voornamelijk westerse visie) worden kindsoldaten beschouwd als getraumatiseerde slachtoffers. Dit heeft alles te maken met de opvatting dat de ‘master-identity’ van kinderen kwetsbaarheid is. Een kind is hulpeloos en moet de protectie van de ouders genieten. Aan de andere kant worden kindsoldaten beschouwd als gewapende bandieten, voornamelijk door lokale mensen die direct of indirect slachtoffer zijn van de daden van kindsoldaten. In deze visie zijn het geen kwetsbare kinderen maar kinderen die zelf kwetsen. Maar hoe zien kindsoldaten zichzelf, hoe komt dit zelfbeeld tot stand, en is het zelfbeeld van kindsoldaten statisch of verandert het in de loop van de tijd?

In Noord-Oeganda woedt al tientallen jaren een burgeroorlog die vooral door kinderen wordt uitgevochten. Christine is één van hen. Ik ontmoette haar gedurende mijn verblijf in Noord-Oeganda voor mijn onderzoek naar ex-kindsoldaten. Het verhaal van Christine vertelt niet alleen over haar eigen levensloop maar in een breder perspectief kan het ook gezien worden als een verhaal over kwetsbare groepen in een samenleving zonder structuur. Ouderen en kinderen worden extra getroffen in een sfeer van leven om te overleven, het recht van de sterkste. Daarin worden ouderen gedood en jongeren weggevoerd (afgesneden van hun banden met huis, gezin, sociale groep, leefomgeving). Dit is zoveel als de traditie onthoofden (ouderen doden) en een hypotheek op de toekomst nemen (jongeren terroriseren), en het instellen van een tijdloos en perspectiefloos zich herhalend recht van de sterkste, in het hier-en-nu.

Christine

August 12 2001

I am Christine and I’m 17 years old. The rebels came in December of 1996. I was 13 years at that time. They abducted many children of my village, my father, my older brother and me. They beat us seriously and they gave us a lot of luggage to carry. But I was not able to carry too many luggage’s. They beat me when I refused. If you refuse they beat you even more. They also beat my father seriously; they even made us step on him so he would die. They left him the other way, because they thought that my father was dead. I thought so too.

 So now it was only my brother and I and the other children walking to Sudan. We had to walk long distances, day and night without any sleep. If someone couldn’t follow we had to kill him. We had to bite him with our teeth to death or we had to step on him or we had to do it with our hands and kill him. The rebels forced us to kill the ones who could not follow or tried to escape. The rebels do that so that you see that you cannot try to escape. Before the border my brother died. They starved him.

I got military training. After three days they trained us. You run in the morning, even during daytime. Even in sunshine you do the running and do the training. The training is very tough. Many of us also died during the training. After one month they took us to fight the government army. You must go and fight. We also went to places to kill the old people and abduct the young ones. We looted their stuff and burned their houses. One day they took us very far away to fight and there was no water. Other people started to drink their own urine. You get diarrhoea and you can die of that. Even me I drunk my own urine. By the time I drank that thing I feel pain and I vomited blood. I experienced a lot of thirst, hunger and beatings.

In the bush, when you are a girl, you also get a husband. When you refuse they can kill you. One time they killed a girl because she refused. She was an example. The commander I married had already seven other wives. At the time I married I was going to be 14.

I escaped during crossfire. We fought with the soldiers of the government, the NRA. When I tried to escape one of the rebels shot me and I got a bullet in my head. I have still some things of the bullet left in my head. I hid in the bush for 2 hours. A priest found me and brought me to the hospital. After one week they took me to Gulu-barracks. They questioned me and then they brought me to World Vision Rehabilitation Centre. From World Vision they took me to the hospital again.

From the hospital they discovered that I was pregnant, I was just 14 years old. By that time I couldn’t believe that I was pregnant because I was too young and very thin. I started crying. I said: ‘how can I get a baby like this? How could this be? What can I do? It’s better for me to kill that baby than to loose my life’. They started talking to me and said you don’t kill him. They told me that they could help me to keep my baby. But I didn’t want them to help me. I felt like that until I delivered. When I delivered I stayed for two months and then they took me to my village. From the village there were children also abducted and they were now saying you are lucky because you are now back and my children are still not back. But I didn’t feel lucky. By that time some of them were seeing me as a rebel.

Now I’m going to boarding school in Lira but in the holidays I’m going home. My mother is looking after my three-year-old baby girl. My youngest brother is one and a half years old. My father is weak because of the beatings. He is not able to dig in the garden. So my other brothers and sisters are helping my father digging. At this time I feel okay. Sometimes I’m happy and sometimes I’m not. I cry often, because I didn’t want it to happen. Sometimes I’m scared. In school I have three or four close friends. They cannot abuse me, but others abuse me, they call me ‘Kony girl’. Then I’m not able to concentrate and read very well. At that time I start to think why did I escape, it is better for me to stay in the bush because I don’t like it when people are jealous. I’m now in Senior 2. If I can stay in school, I want to become a doctor. [note 1]Dit is het levensverhaal van Christine (fictieve naam), weergegeven in haar eigen woorden. Het verhaal is hier zo compleet mogelijk weergegeven. Annemiek Buskens is verantwoordelijk voor het noteren van het levensverhaal. Het interview is oorspronkelijk opgenomen op band en vond plaats in het Engels zonder vertaler.

Het verhaal van Christine roept veel vragen op. Zo komt in haar verhaal de dichotomie tussen ‘slachtoffer voelen’ en ‘rebel zijn’ sterk naar voren, waardoor de vraag zich opdringt of deze kinderen gewetenloze moordenaars zijn of juist slachtoffers. Maar ook andere identiteiten, zoals echtgenote en moeder, komen naar voren. Dit roept de vraag op hoe kinderen door traumatische ervaringen als deze veranderen. Hoe komt hun zelfbeeld tot stand, en is het zelfbeeld van kindsoldaten statisch of verandert het in de loop van de tijd? Uit het verhaal van Christine blijkt dat niet alleen de ervaringen van geweld, maar ook bijvoorbeeld de jaloezie waarmee ze te maken krijgt na haar terugkeer uit de bush, haar leven ontwrichten. Ook veroorzaakt het trauma verstoringen in haar denken. Dit bepaalt de identiteit van het kind. Het is hierbij belangrijk om de vraag te stellen: hoe zien kindsoldaten zichzelf?

Kwetsbaarheid wordt wel omschreven als een ‘master-identity’ van het kind, maar zien ex-kindsoldaten zichzelf als kwetsbaar? En stemt hun zienswijze overeen met hoe men in hun eigen samenleving en vanuit westerse hulporganisaties aankijkt tegen kindsoldaten? Stel dat deze kinderen daadwerkelijk een identiteitsverandering doormaken door hun soldaat zijn, is dit dan een onomkeerbaar proces en blijven zij getekend voor de rest van hun leven waardoor goed functioneren in de maatschappij onmogelijk wordt? Met andere woorden: is een kind dat anderen heeft gekwetst geen kind meer?

In dit artikel ga ik allereerst in op het feit dat kwetsbaarheid gezien kan worden als een ‘master-identity’ van het kind. In het verloop van mijn essay wil ik deze visie proberen open te breken in het specifieke geval van kindsoldaten in Noord-Oeganda. Hierbij wil ik het proces van identiteitsverandering centraal stellen. Tenslotte zal ik mijn bevindingen proberen te vertalen naar de praktische uitvoering in een rehabilitatieprogramma.

Het kind als kwetsbaar

Het concept kindertijd is een sociale en culturele constructie. Wat een kind is, is moeilijk te definiëren. Er is een grote variatie in zowel de manier waarop kindertijd wordt gedefinieerd, als in de eigenschappen die karakteristiek worden geacht voor de kindertijd; dit geldt zowel tussen àls binnen samenlevingen. Verschillende factoren bepalen de identiteit van een kind. De identiteit van een kind wordt doorgaans vastgesteld aan de hand van de leeftijd. Maar ook concepten als gender, klasse, rijkdom, etniciteit, religie en macht kunnen een persoon de identiteit van kind verlenen. Rijkdom en macht zijn van bijzonder belang, aangezien toegang tot hulpbronnen als geld en tijd direct betrekking heeft op autonomie en het consumptiegedrag. Het is dan ook niet verrassend dat er verschillende zienswijzen wat betreft kindertijd bestaan. Tussen samenlevingen en binnen samenlevingen denken mensen verschillend over bijvoorbeeld de opvoeding van kinderen, seks, criminaliteit, politiek, school en werk.

De percepties over kindertijd in de literatuur komen voornamelijk van volwassenen en vanuit een westerse visie. Zo zegt Ennew (1995) dat het dominante model van kindertijd is gebaseerd op middenklasse kinderen die naar school gaan, spelen, in een gezin wonen, relatief hulpeloos zijn en niet in staat zijn om taken van volwassenen uit te voeren. Ze zijn afhankelijk van volwassenen. Kindertijd wordt gezien als een periode waarin de kinderen beschermd moeten worden door volwassenen. Kinderen moeten in de eerste plaats hun kindertijd ervaren als iets plezierigs en onbezorgds. Binnen de familie worden ouders of verzorgers als verantwoordelijk gezien en het kind als diegene die verzorging, protectie en opvoeding geniet. Dit laat zich vertalen naar een algemene status van kwetsbaarheid van het kind.

Christensen (2000) zegt hierover dat kwetsbaarheid, in het westers discours, gezien kan worden als een ‘master-identity’ van het kind. De identiteit van volwassenen hangt hier onmiddellijk mee samen. Volwassenen worden gezien als ‘in charge’, zij hebben de verantwoordelijkheid voor het kind, waarbij het kind wordt neergezet als afhankelijk en een passief object.

Pas de laatste decennia is er op deze zienswijze vanuit wetenschappelijk oogpunt kritiek gekomen. Hardman (1973) en anderen pleiten voor een nieuwe zienswijze die kinderen ziet als een aparte groep die hun eigen interessen, belangen en betekenissen van de wereld hebben. In deze visie kunnen kinderen als autonome wezens beschouwd worden. In de literatuur wordt dan gesproken van een child agency. Agency wil zeggen een actief proces waarin een persoon zelf keuzes kan maken, dus actief iets kan doen of laten. Wanneer men spreekt van child agency wil dit zeggen dat kinderen worden gezien als kennishebbende actoren die verwikkeld zijn in zaken die betrekking op hen hebben. Kinderen hebben hier eigen ideeën over en doen hiermee ook actief iets. Kinderen hebben opties en zijn in staat om actief te handelen.

Alhoewel er dus wel degelijk kritiek is, blijft de status van kwetsbaarheid de boventoon voeren. Deze westerse zienswijze komt in het bijzonder tot uiting wanneer het kind verwikkeld is in ongelukken of ziekten, maar ook wanneer vanuit hulporganisaties en de media naar kindsoldaten gekeken wordt.

Het woord ‘kindsoldaat’ is een westers begrip dat is opgebouwd uit twee afzonderlijke woorden. De bekendste definitie van een kind is: ‘elk menselijk wezen beneden de achttien jaar oud’, zoals deze door de Conventie van de Rechten van het Kind gegeven is. Een soldaat is iemand die direct of indirect deelneemt aan een gewapend conflict. Het samengevoegde woord ‘kindsoldaat’ kan gedefinieerd worden als: een kind onder de achttien jaar dat door strijdkrachten vrijwillig of gedwongen is gerekruteerd en direct of indirect deelneemt aan gewapende conflicten. Toch krijgt dit samengestelde woord meteen een negatieve betekenis, het wordt gezien als iets ‘slechts’, iets dat niet zou moeten mogen en waar volwassenen een stokje voor moeten steken. Een kind is immers hulpeloos en moet de protectie van de ouders genieten. In deze visie zijn kindsoldaten getraumatiseerde slachtoffers.

Alhoewel deze visie breed gedragen wordt, is dit niet de enige visie. Dezelfde kindsoldaten worden namelijk ook beschouwd als gewapende bandieten (actoren), voornamelijk door lokale mensen die direct of indirect slachtoffer zijn van de daden van kindsoldaten.

Door de samenvoeging van deze twee uitersten wil ik hier de breed aangehangen visie dat kinderen vóóral kwetsbaar zijn openbreken, in ieder geval voor kindsoldaten in Noord-Oeganda die op een buitensporige manier in hun kwetsbaarheid worden aangetast.

Kwetsbaarheid als ‘master-identity’ kan ter discussie gesteld worden door de extreme agency die deze kinderen hebben. Dit is een logisch gevolg van dat de kinderen soms jaren zonder ouders of andere familieleden in de bush hebben doorgebracht. Hier is niemand die op hen let of voor hen zorgt. Kinderen hebben zo al snel geleerd om zelfstandig te worden en zijn in staat om hun eigen opinies te vormen en de opinies van anderen te interpreteren. (Dit is niet hetzelfde als opinies uiten omdat dit niet is toegestaan in de bush.) De kinderen kennen hun eigen betekenis toe aan situaties om zo te kunnen overleven. De kinderen zijn gewend om voor zichzelf te zorgen en zelf keuzes te maken. Hierdoor wordt hun status van kwetsbaarheid op de achtergrond geplaatst. Ook zijn de kwetsuren en traumata van deze kinderen soms zo sterk, dat kwetsbaarheid niet meer gevoeld kan worden.

Alhoewel ik hier niet in het algemeen wil betogen dat kinderen niet kwetsbaar kunnen zijn, want kwetsbaar zijn ze wel degelijk, is dit mijn inziens niet hun enige, alles omvattende identiteit. Het is daarom niet zinvol om de kinderen alleen vanuit het perspectief van kwetsbaarheid te bekijken. Kinderen zijn niet slechts passief, in nood en afhankelijk. Kinderen kunnen wel degelijk ook actief en (sociaal-) competent en veerkrachtig zijn. Zowel de kwetsbaarheid in combinatie met de veerkracht en competentie zijn aspecten van kinderen.

Dit uitgangspunt vormt de leessleutel voor de verdere analyse van mijn observaties in mijn onderzoek naar kindsoldaten maar biedt tegelijkertijd ook een kader om reïntegratiemogelijkheden realistisch in te schatten, rekening houdend met de wonden die geslagen zijn en de kracht die aanwezig blijft in deze kinderen. Hierbij is het van essentieel belang om op zoek te gaan naar het beeld dat deze kinderen van zichzelf hebben.

Kindsoldaten in Noord-Oeganda

In het noorden van Oeganda, in het gebied dat ook wel Acholi wordt genoemd, woedt sinds de machtsovername van Museveni in 1986 een guerrillaoorlog. De rebellen van het Lord’s Resistance Army (LRA) onderleiding van Joseph Kony proberen in een heilige oorlog tegen het regeringsleger; National Resistance Army (NRA) genaamd de touwtjes van Oeganda in handen te krijgen. Het is een etnisch conflict waarbij vooral de lokale bevolking de dupe is. Overvallen, hinderlagen, plunderingen, tirannie, aanvallen op, en slachtpartijen onder burgers en het uitbranden van scholen en huizen zijn dagelijkse kost. De bevolking in het noorden wordt actief en met geweld gerekruteerd. Sinds 1992 worden er ook kinderen ontvoerd door de rebellen om deel te nemen in het gewapende conflict. Het Lord’s Resistance Army staat bekend als één van de bloedigste rekruteerders van kindsoldaten. Het aantal kindsoldaten loopt in de tienduizenden. Er wordt geschat dat het LRA voor negentig procent uit kinderen onder de achttien jaar bestaat, en men kan aannemen dat het geen stand zou houden zonder hen.

De LRA ontvoert voornamelijk kinderen tussen de 12 en 16 jaar, al zijn de kinderen soms ook jonger. Zowel jongens als meisjes worden gebruikt als soldaten terwijl veel meisjes daarbij worden uitgehuwelijkt aan een commandant en/of seksueel misbruikt, dikwijls met als gevolg dat zij seksueel overdraagbare aandoeningen oplopen, HIV-besmet raken, of zwanger raken. Er worden overigens meer jongens dan meisjes ontvoerd.

De kinderen worden op vele manieren gebruikt in het gewapende conflict. Hun taken variëren van meevechten in de frontlinies, deelnemen aan het plegen van wreedheden tegen burgers, gevangenen of mede-kindsoldaten, tot getuige zijn van gewelddadigheden. De kinderen beginnen vanaf zevenjarige leeftijd als bedienden, spionnen, boodschappers, dragers, bewakers, verkenners, kanonnenvoer en detectoren van landmijnen. Vanaf hun tiende zijn de kinderen sterk genoeg om een wapen te dragen en te gebruiken. Vanaf die leeftijd krijgen zij vaak enige militaire training en nemen zij actief deel aan de gevechten. De kinderen moeten lange afstanden lopen, vaak dag en nacht, met zware lasten op hun rug. Kinderen die proberen te ontsnappen, weigeren, het niet bij kunnen houden of ziek worden, worden doodgestoken of doodgestenigd. De andere kinderen moeten deze straffen uitvoeren. Wanneer zij weigeren of angst tonen, worden zij geslagen of gedood. Veel kinderen worden gemarteld, bedreigd of misbruikt. In de beweging heerst een ijzeren terreur.

Voor de kinderen die deelnemen in deze gewapende conflicten bestaan veel gezondheidsrisico’s. Kinderen lopen naast lichamelijke schade ook psychosociale en emotionele schade op.

Het proces van kind tot rebel/soldaat

Uit mijn onderzoek blijkt dat het beeld dat kindsoldaten van zichzelf hebben, niet statisch is. Dit beeld verandert tegelijkertijd met de ervaring van ontvoering en de tijd die het doorbrengt in de bush. Op het moment dat de kinderen ontvoerd worden, ontstaat er een breuk met hun huidige leven als kind en veranderen ze, zoals ze dit zelf zeggen, in soldaten. Op het moment van ontvoering zijn de kinderen misschien hulpeloze slachtoffers en kwetsbare kinderen, maar begint ook tegelijkertijd het transformatieproces tot rebel. Tijdens deelname aan het gewapende conflict wordt het kind blootgesteld aan gewelddadigheden, traumatische ervaringen en indoctrinatie die zowel een fysieke als een psychosociale aanslag (kunnen) zijn op het lichaam en gevolgen kunnen hebben voor de identiteit van het kind.

Of een kind echt een rebel wordt, hangt af van op welke leeftijd een kind ontvoerd wordt en hoe lang het kind bij de rebellen verblijft. Jongere kinderen zijn minder ver ontwikkeld wat betreft waarden en normen en zijn dus makkelijker te beïnvloeden en te hersenspoelen. Ze worden daarom loyaler aan hun ontvoerders. Hoe langer een kind bij de rebellen verblijft, des te groter is de kans dat het kind de identiteitsverandering doormaakt van een kind tot een soldaat. Een soldaat die in beginsel slechts bevelen opvolgt, om later misschien wel zelf bevelen te geven.

De rebellen hebben ook een groot aantal middelen om van het kind een echte rebel te maken. Dit begint met de ontvoering zelf. In veel gevallen is de ontvoering van de kinderen een gewelddadige gebeurtenis. Vaak worden de ouders van het kind dat ontvoerd wordt hierbij vermoord. De kinderen die dan worden meegenomen wordt verteld dat dit hun schuld is en dat er nu geen weg meer terug voor hen is. De kinderen wordt verteld dat er nu niemand meer is die voor hen wil of kan zorgen, de gemeenschap zou hen de moorden verwijten en wraak willen nemen. Ook plunderen de rebellen vaak de huizen en steken ze daarna in brand. De kinderen die worden meegenomen worden gedwongen om hiernaar te kijken zodat ze goed beseffen dat er hier niets meer voor hen is en dat ze geen thuis meer hebben. De kinderen worden niet alleen fysiek onder druk gezet, ook verbaal wordt er gedreigd. Zo zouden de kinderen niet alleen vermoord worden wanneer ze probeerden te ontsnappen, maar niemand zou ze ook meer willen hebben. Er zou wraak op hen worden genomen, of ze zouden teruggestuurd worden naar de rebellen. Wanneer ze zouden ontsnappen zouden de rebellen hen ook achternakomen en de kinderen alsnog vermoorden, en ook hun familie. Ook zou hun hele dorp worden platgebrand.

Daarbij leidt de ontvoering er ook toe dat kinderen plotseling worden weggerukt uit hun vertrouwde omgeving, gescheiden worden van hun ouders en andere familieleden (als deze in leven worden gelaten). Dit zorgt ervoor dat het kind geïsoleerd raakt van zijn vertrouwde omgeving en personen. Vooral de afwezigheid van volwassenen die voor het kind zorgen, leidt er toe dat het kind gevoelig wordt voor andere normen en waarden, en deze dus makkelijker overneemt.

Een derde factor is de continuïteit van de gewelddadigheden. Door de kinderen voortdurend getuige te maken, zelf te laten deelnemen aan gewelddadigheden, of te bedreigen met hun dood, worden zij gevormd tot angstige en willoze kinderen die slechts orders uitvoeren. Het is een manier om de kinderen te ontmoedigen te ontsnappen en tegelijkertijd een loyaal leger te creëren. Door constant en systematisch gebruik van geweld proberen de rebellen de normen en waarden van de kinderen te transformeren in die van een gewelddadige rebel. Daarbij gaan ze er vanuit dat wanneer een kind dit lang genoeg meemaakt, en hieraan zelf deelneemt, dit ook de norm wordt voor het kind, zodat het uiteindelijk ook vrijwillig gaat deelnemen aan de gewelddadigheden.

Naast deze talloze gewelddadigheden gebruiken de rebellen ook andere middelen om van de kinderen rebellen te maken. Zo ondergaan de meeste kinderen rituelen om hun nieuwe levensfase als rebel in te luiden en krijgen ze een militaire training die ervoor zorgt dat de kinderen zich geen kind meer voelen, maar soldaat. Ook wordt er in sommige gevallen drugs verstrekt aan kinderen. De rebellen maken op deze manier de kinderen afhankelijk van hen. Dit om de kinderen te doen geloven dat het helemaal niet zo erg is om deel te nemen aan de gewelddadigheden.

Verder proberen de rebellen de kinderen welwillend te maken en voor hen te winnen door hen beloftes te doen en hen voor bepaalde acties te belonen. Zo wordt ze bijvoorbeeld beloofd dat wanneer de rebellen het regeringsleger omverwerpen, zij een belangrijke post in de regering krijgen waardoor ze veel geld gaan verdienen. Kinderen worden direct beloond, wanneer ze bijvoorbeeld dappere en goede vechters zijn en de orders gewillig opvolgen, in de vorm van een promotie met bijbehorende privileges.

Al deze factoren zijn van invloed op de mogelijke identiteitsverandering van het kind waardoor het kind zich een soldaat gaat voelen en zich gaat gedragen als een rebel. Boothby spreekt in Cohn & Goodwin-Gill (1994) over ‘socialization into violence’. Het proces van slachtoffer tot rebel is aan te duiden als een identificatie met de agressor. Wat men passief onderging gaat men anderen aandoen: ‘turning passive into active’. Deze identificatie met de agressor is des te sterker en des te meer onontkoombaar, naarmate de afhankelijkheid groter is. In het geval van de kindsoldaten in Noord-Oeganda wordt de afhankelijkheid plots gecreëerd door de banden met huis, thuis, ouders, sociale herkomst af te snijden. Er is geen ontkomen aan de ontvoerders (tenzij in de dood), en in die zin zijn deze kinderen extreem afhankelijk van de rebellen en bevordert dit de identificatie met deze rebellen. Tegelijkertijd worden symbolen van vroegere afhankelijkheid vernield: ouders, thuis, huis, etc. De bedreigingen en de afbraak van elke beschermende laag, alsook de opzettelijke misleiding maken hen willoos. (Deze kinderen lijken vrijwillig mee te draaien.) Dit alles verhoogt de kans op herhaling als expressie van wat men zelf heeft meegemaakt; dat wat men onderging zonder kans om eraan te ontsnappen, wordt nu uitgeageerd tegen anderen, zonder hen kansen te bieden op ontsnapping.

Door het veranderingsproces van kind tot rebel zien kindsoldaten zichzelf hierdoor niet uitsluitend als kinderen, slachtoffers of bandietengedurende hun deelname in het conflict. Ze zien zichzelf als soldaten die zowel slachtoffer zijn als rebel. Het is vaak een proces waarbij de nadruk in het begin ligt op het slachtoffer zijn, en dan langzaam vervormt tot rebel zijn. Wanneer de realiteit waarin het kind leeft gedefinieerd wordt door bovenstaande factoren, is de kans groot dat kinderen rebellen worden.

Een nieuwe identiteit als soldaat

Uit de verhalen die kindsoldaten mij vertelden blijkt dat zij zichzelf niet als kinderen zien. In de eerste plaats omdat ze niet de dingen doen die ‘normale’ kinderen doen. Kindsoldaten gaan bijvoorbeeld niet naar school, ze spelen niet, en ze helpen ook niet in het huishouden. Opvallend is dat bij al deze kinderen het verlies aan speelsheid te constateren is. In plaats van speelsheid komt er alertheid, gerichtheid en planning die kinderen normaal niet kennen. Er is geen ruimte meer om in te gaan op een brede waaier aan interessen en intrigerende dingen: er is een inperking in de richting van ‘dreigen’ en ‘bedreigen’. In het algemeen zien de kinderen die deelnemen in het gewapende conflict zichzelf als soldaat of militair. Één kind zei in een Focus Group Discussion (FGD) letterlijk: “I didn’t see myself as a child when I was in the bush, I had military training so I was a soldier”.

Kinderen die deelnemen aan gewapende conflicten raken eraan gewend om verantwoordelijkheden voor zichzelf en anderen te dragen. Ze hebben vaak een helder idee over wat het beste voor hen is. De meeste kindsoldaten zien zichzelf niet alleen als soldaat, maar ook als zelfstandig individu. Ex-kindsoldaten moeten voor hun eigen overleven zorgen, en hebben geen ouders of andere volwassenen die voor hen zorgen. Ze vergelijken zichzelf eerder met volwassenen omdat ze niet als kinderen worden behandeld.

Samuel, seventeen:

In Sudan, we were informed that we were now soldiers. They said we would be given one-week’s rest, and then we would begin military training. I went through three weeks of military training. We were given guns and were selected to fight in Sudan. There were confrontations between the Lord’s Resistance Army and the UPDF in Sudan. The weapons we used [included] mortars and antipersonnel land mines. The BKs were the preferred weapon among us—it was the most reliable. It takes two people to operate it: one person to hold and feed the chain of bullets, and the other to shoot.

Samuel vertelt over zijn militaire training, en zijn leven als rebel. Dit fragment laat zien dat hij zich soldaat voelt, is, én zich in zijn gedrag hiermee ook identificeert.

Thomas (14)

When I think back, the hardest thing was seeing other children being killed. That was the hardest thing. The second hardest thing was the brutal life—someone can be beaten on no grounds at all. I don’t know what I will do, now: I would like to go back home but it is still unsafe, and I fear the rebels coming again. I am learning bicycle repair here, but when I must leave I fear having no tools. I do not know how I will support myself.

Thomas houdt zich bezig met zijn eigen levensonderhoud en zijn eigen overleven. Dit is iets waar volwassenen zich druk om zouden moeten maken, en niet een kind. Bij hem is zijn rolidentiteit dan ook veranderd.

Concy (15)

I had to take care of my husband. I had to cook, even if I didn’t know how, wash his clothes, and serve him in all ways. I had to wash his clothes, polish his shoes, iron, cook for him, get water; you do everything for him like a man and a woman in a home. You even have to go and dig.

Bij Concy stemt ook haar rolidentiteit niet meer overeen met die van een kind: als vijftienjarige kreeg zij een rol die nog niet bij haar paste. Veel ‘vrouwelijke’ kindsoldaten hebben zelf kinderen of vervullen een rol als echtgenote waarbij ze voor de man moeten zorgen.

Charles (13)

My mother died when I was very young. When the rebels came they killed my father and my two brothers. Now I’m an orphan. I haven’t seen my other family, and I don’t know where they are. So there is no place to go now. Maybe some relatives will take care of me, if I can find them. There is no one to pay my school fee.

Charles kan geen kind meer zijn omdat hij geen ouders of andere familieleden meer heeft die voor hem kunnen zorgen. Wanneer je geen ouders meer hebt, is het moeilijk om jezelf nog langer te zien als een kind. Zijn traditionele identiteit is verloren gegaan.

Grace (18)

I was only fifteen years of age. Three days after my abduction I was given to a man to be his fourth wife. He was quite old. He was a bad man who was quite harsh and rude. Twice he beat me and I almost died. He was so harsh and unkind to me, during the day he would treat me as a prisoner but at night he would want to treat me as a wife and would force me to love him. I got a baby girl. Despite this I was given a gun and sent to the warfront with the baby strapped on my back.

In veel opinies zou een kind geen moeder moeten worden, of seksueel actief moeten zijn. Dit meisje ondervond het allebei, en ziet zichzelf dan ook niet meer als een kind. Ze heeft geen eigen kindertijd meer omdat ze nu zelf voor een kind moet zorgen. Bij haar is sprake van een expliciete seksuele identiteit die niet overeenstemt met die van een kind.

Uit al deze verhalen blijkt dat voor deze kinderen na hun ontvoering hun kindertijd al snel plaatsmaakte voor de fase van volwassen soldaten. Kinderen zien zichzelf als soldaat. Maar de verandering is complex en heeft betrekking op verschillende facetten van de identiteit, namelijk in de rol die ze in het dagelijks leven op zich nemen, hun seksuele gedrag en de verloren traditionele waarden en normen. De kinderen kregen allen te maken met andere omstandigheden, waardoor ze niet alleen door hun ontvoering en hun militaire ervaringen, maar ook door persoonlijke omstandigheden, het ‘kind zijn’ niet langer als vanzelfsprekend ervaren. Bij de kinderen ontstaat een ander beeld van zichzelf, een beeld waarin kwetsbaarheid en het recht bescherming te mogen genieten geen rol meer spelen. (Dit staaft mijn idee dat kwetsbaarheid niet als de ‘master-identity’ van het kind moet worden gezien.) Hun nieuwe identiteit stemt niet meer overeen met die van een kind (in Acholi). Dit beeld komt ook tot uiting in hun daden en activiteiten.

Terugkeer naar kwetsbaarheid: het proces van rebel tot kind

Na terugkeer uit de bush blijkt, naar aanleiding van hun wensen en gedragingen, dat ex-kindsoldaten zich weer kind willen voelen, en zichzelf weer als kinderen willen zien. Uit mijn interviews en gesprekken met ex-kindsoldaten blijkt dat ze bijna allemaal terugwillen naar school, willen worden opgetild door hun ouders en terugwillen naar huis. Ze willen weer beschermd worden door anderen. De wens om terug te keren naar de status van kwetsbaarheid wordt hier geuit.

Grace (20)

We don’t see ourselves in the bush as children. Because you don’t have parents who take care of you, you have to do all responsible things and shooting. So I don’t see myself as a child. When you come back you see yourself as a child because you be with your mother, father, all your relatives. When you just arrive they can carry you. Even when my mother came to the centre she carried me.

Niet alleen uit wat ex-kindsoldaten zeggen, ook uit hun handelen en bijvoorbeeld hun tekeningen blijkt dat ze zich nu weer identificeren als kind. Ze spelen het liefst spelletjes en brengen veel tijd door met bijvoorbeeld voetballen. De tekeningen die ze maken, staan vlak na hun terugkomst in het teken van hun leven in de bush, zo worden er veel wapens en overvallen getekend, maar na verloop van tijd verandert dit en tekenen de kinderen vooral hun familie en hun huis of een school.

Ik denk dat dit kind willen zijn en voelen aan de ene kant een reactie is op hun harde leven in de bush, maar aan de andere kant een blijk is dat ze hun leven weer willen oppakken waar het voor de ontvoering was geëindigd. Door de ontvoering is hun kindertijd zeer abrupt tot een einde gekomen. Hoewel alle kinderen in Noord-Oeganda in een oorlogssituatie leven waar geweld genormaliseerd is geraakt en slechte economische omstandigheden heersen waardoor hen vervroegd volwassenheid wordt opgedrongen, komen kindsoldaten door hun ontvoering en harde opleiding tot rebel versneld in een nieuwe rol / identiteit terecht. Dit brengt hen in een uitzonderlijke positie.

Een onomkeerbaar proces?                             

Uit een van mijn groepsdiscussies met acht ex-kindsoldaten blijkt dat ze zich, na terugkeer uit de bush, in eerste instantie weer kind (willen) voelen. Toch blijkt in de loop van het gesprek dat er ook momenten zijn dat ze hieraan twijfelen. Ze kunnen niet uitschakelen wat ze hebben meegemaakt en zullen dit altijd met zich meedragen, waardoor het soms moeilijk is zich kind te voelen. Zo vertelde Geoffrey mij: “We are a bit in between, sometimes we feel ourselves as children and sometimes we don’t”. Hierop werd instemmend geknikt. Waar ze allemaal heel stellig in zijn, ook al hadden twee van de acht kinderen zelf een kind uit hun periode in de bush, is dat ze zichzelf in ieder geval nu niet als volwassenen beschouwen.

Uit de groepsdiscussie kwamen verschillende punten naar voren waar zij het van af vonden hangen of zij zichzelf als kinderen zagen en zich ook zo voelden. Zo vonden ze dat de leeftijd een rol speelt. Op welke leeftijd je precies volwassen wordt, konden zij mij niet vertellen, maar vooral kinderen tussen de achttien en eenentwintig jaar waren volgens hen moeilijk als kind of volwassene te bestempelen. Ook bleek het ‘kind zijn’ af te hangen van het feit of het kind nog ouders had. Wanneer beide ouders waren overleden waren de gevoelens van ‘kind te zijn’ zwakker. Vooral de kinderen waarvan de ouders op bezoek waren geweest in World Vision voelden zich helemaal kind. ‘Je kind voelen’ hangt volgens de groep ook samen met het feit of je de jongste of oudste in het gezin bent. De kinderen die de oudste waren in het gezin voelden zich minder kind dan de kinderen die de jongste waren in het gezin. Ik denk dat dit ook samenhangt met het feit dat de oudste in de Acholi-cultuur vaak verantwoordelijkheden heeft, zoals oppassen op jongere broertjes of zusjes.

De mate waarin ze zich kind voelden werd ook beduidend minder wanneer ze zelf kinderen hadden. Dit was vooral bij de meisjes te constateren. ‘Het kind voelen’ bleek ook af te hangen van het feit hoe groot je bent. De jongens en meisjes die al volgroeid waren, werden minder snel beschouwd als kinderen. Letterlijk zei een jongen tegen mij: “Rose is big now so she can’t be a child anymore”. Ten slotte bleek het gevoel van kind zijn samen te hangen met de groepssamenstelling in World Vision. De oudsten uit de groep voelden zich automatisch meer volwassen dan de jongeren. Dat dit niet met leeftijd te maken had, bleek toen in de loop van mijn verblijf in het centrum de gemiddelde leeftijd van de kinderen omhoog ging. Kinderen die zich eerst betrekkelijk volwassen voelden, waren nu opeens weer kinderen omdat er nu oudere kinderen waren.

Naast deze verhalen van de kinderen zelf, zijn er mijns inziens ook nog andere aspecten die een rol kunnen spelen in de totstandkoming van de identiteit van het kind na terugkeer uit de bush. Zonder kader van resocialisatie en zonder investering in heropbouw van deze maatschappij, riskeert de gezonde tendens om te tekenen, te spelen en beschermd te willen worden, opnieuw te verdwijnen temidden van de onveiligheid en de ontgoocheling. Ze zullen bovendien als een re-traumatisering beleefd worden. Ook zal de wens naar scholing een invulling moeten krijgen, zoniet zou die boodschap kunnen verdwijnen. En ook de toekomstdromen zullen geëxpliceerd moeten worden omdat sommigen anders meer heil dreigen te zien in de korte termijn voordelen van rebellie en banditisme dan in het lange termijn voordeel van schoollopen. Zolang deze omstandigheden niet gerealiseerd kunnen worden, omdat Noord-Oeganda een ontwricht oorlogsgebied is waarbinnen de economie tot een nulpunt gereduceerd is, is het moeilijk voor ex-kindsoldaten om zich te ontdoen van hun identiteit als soldaat. Ook al willen ze zichzelf het liefst weer kind voelen.      

Hieruit kan, mijns inziens, geconcludeerd worden dat ‘kind zijn’ (voordat ze ontvoerd werden) of ‘kind (willen) voelen’ (nadat ze zijn teruggekeerd uit de bush) voor deze kinderen onder andere situationeel, en dus door veel verschillende factoren, bepaald wordt. Duidelijk wordt dat deze kinderen niet zonder meer weer kind kunnen zijn.

Conclusie

Het blijkt dat het beeld van hoe kindsoldaten zichzelf zien, niet statisch is. De identiteit van het kind verandert tegelijkertijd met zijn of haar ervaring van ontvoering, tijd die hij of zij doorbrengt in de bush en de terugkeer in de maatschappij. Voor alle kinderen ontwikkelt de identiteit zich in de loop van hun leven normaal gesproken naar die van een volwassene. Bij ex-kindsoldaten in Noord-Oeganda ligt dit anders. Er blijkt zich een proces te voltrekken van kind zijn, naar ‘volwassen’ soldaat voelen en in gedrag ook identificeren met een soldaat, naar weer zo goed mogelijk kind willen zijn. Hoewel de meeste kinderen zich weer kind willen voelen, is het proces van rebel naar kind niet zo gemakkelijk. Hoe graag de kinderen ook weer kind willen zijn, ze hebben een heel stuk ontwikkeling gemist en een andere ontwikkeling doorgemaakt. Soms is de lichamelijke, geestelijke en emotionele schade zo groot dat deze onherstelbaar is en dat het kind zich niet meer kan aanpassen aan de maatschappij. Anderzijds heeft de maatschappij grote moeite deze soldaten die zelf gemoord hebben weer te zien als kinderen. De status van kwetsbaarheid die bij het kind zijn hoort, is onherstelbaar beschadigd. In veel opzichten is de ontwikkeling van kind naar soldaat een onomkeerbaar proces.

De verschillende stadia in de identiteitsvorming van kindsoldaten verlopen niet in een ‘juiste’ volgorde en kunnen niet duidelijk afgebakend worden, en lopen in elkaar over. Omdat het proces niet in één richting verloopt, zou je het proces het beste kunnen weergeven in een driehoek, waarbij op elke hoek een ‘identiteit’ staat en waarbij tegengestelde richtingen aangegeven kunnen worden.

Ik ben dit essay begonnen met de westerse definitie van wat een kind is. Deze definitie stemt niet overeen met hoe ex-kindsoldaten zichzelf zien en voelen. Zoals uit de FGD bleek, definiëren deze kinderen zich niet als kind aan de hand van hun leeftijd maar wordt dit situationeel bepaald. Dit relativeert het bovenstaande schema. Het woord ‘kind’, en dan met name de pijlen in de richting van het woord ‘kind’, moeten niet zo expliciet worden opgevat. Want alhoewel ex-kindsoldaten zich kind willen voelen, zijn ze naar eigen zeggen niet zonder meer ‘normale’ kinderen.Ik ben dit essay begonnen met de westerse definitie van wat een kind is. Deze definitie stemt niet overeen met hoe ex-kindsoldaten zichzelf zien en voelen. Zoals uit de FGD bleek, definiëren deze kinderen zich niet als kind aan de hand van hun leeftijd maar wordt dit situationeel bepaald. Dit relativeert het bovenstaande schema. Het woord ‘kind’, en dan met name de pijlen in de richting van het woord ‘kind’, moeten niet zo expliciet worden opgevat. Want alhoewel ex-kindsoldaten zich kind willen voelen, zijn ze naar eigen zeggen niet zonder meer ‘normale’ kinderen.

Ex-kindsoldaten zijn niet simpel terug te vormen tot ‘normale’ kinderen die weer door kunnen groeien naar volwassenen. Hiermee moet rekening worden gehouden in het reïntegratieprogramma en de praktische toekomstmogelijkheden van deze ex-kindsoldaten. Het uitgangspunt moet zijn dat de ex-kindsoldaten die net terugkeren uit de bush, en aan het begin van het reïntegratieproces staan, zichzelf zien als volwassen soldaten. Uiteindelijk zal de ex-kindsoldaat, vanuit zijn positie van ‘kind willen voelen’, zich moeten ontwikkelen tot een volwassen burger van Acholi.

De bijdrage van een reïntegratieprogramma

Het World Vision Children of War Rehabilitation Centre heeft een programma opgesteld voor ex-kindsoldaten in Noord-Oeganda dat gericht is op de acute opvang en toekomstmogelijkheden van ex-kindsoldaten. In de meeste gevallen probeert World Vision de kinderen terug te laten stromen in het onderwijs of ze een beroepsopleiding te laten volgen, verder worden ex-kindsoldaten begeleid door persoonlijke langdurige follow-up waarbij ook de samenleving betrokken wordt. Toch blijkt in de praktijk dat de toekomstmogelijkheden voor ex-kindsoldaten slechts zeer beperkt zijn. De meeste ex-kindsoldaten belanden op het land of doen niets.

Dit zijn resultaten uit mijn eigen archief onderzoek waarin follow-up gegevens van 171 ex-kindsoldaten zijn verwerkt. Het grote percentage ex-kindsoldaten dat terugkeert naar school heeft te maken met het feit dat de lagere school voor de eerste drie kinderen gefinancierd wordt door de overheid. Het percentage bestaat daarom bijna geheel uit jonge kinderen die terug gaan naar de lagere school. Het voorgezet onderwijs is voor ex-kindsoldaten bijna nooit haalbaar.Dit zijn resultaten uit mijn eigen archief onderzoek waarin follow-up gegevens van 171 ex-kindsoldaten zijn verwerkt. Het grote percentage ex-kindsoldaten dat terugkeert naar school heeft te maken met het feit dat de lagere school voor de eerste drie kinderen gefinancierd wordt door de overheid. Het percentage bestaat daarom bijna geheel uit jonge kinderen die terug gaan naar de lagere school. Het voorgezet onderwijs is voor ex-kindsoldaten bijna nooit haalbaar.

Enerzijds heeft dit te maken met de onomkeerbaarheid van het identiteitsproces. Kindsoldaten hebben het proces doorgemaakt van kind naar rebel. Hierbij zijn de kindsoldaten niet uitsluitend slachtoffer of bandieten, hun identiteit verandert gedurende hun ontwikkeling. Na hun deelname in het gewapende conflict moeten ze echter weer terug naar een rol in de ‘normale’ maatschappij; hierin willen de kinderen zichzelf het liefst weer kind voelen. Helaas kan dit echter niet: hun (traumatische) ervaringen verhinderen dit. Trauma verandert de kinderen, mogelijk zelfs definitief. Overleven in dergelijke omstandigheden vergt het afsnijden van bepaalde aspecten (zoals je kwetsbaar voelen) van het leven. En dit is moeilijk terug te draaien. Anderzijds heeft dit te maken met de oorlogssituatie en de daarmee samengaande slechte economische omstandigheden.  

Ondanks dit negatieve beeld ben ik er van overtuigd dat het geen hopeloze zaak is. In sommige gevallen worden ex-kindsoldaten goed op weg geholpen en is er wel degelijk een toekomstperspectief. (Soms is er zelfs sprake dat ex-kindsoldaten juist een betere toekomst hebben dan dat het geval zou zijn wanneer ze nooit ontvoerd zijn geweest omdat ze door de opvang in het World Vision centrum nieuwe mogelijkheden hebben gekregen die ze anders nooit zouden hebben gehad, bijvoorbeeld een beroepsopleiding.)

Ook is het zo dat wanneer je ex-kindsoldaten vergelijkt met kinderen in Noord-Oeganda die geen kindsoldaat zijn geweest, dat ook zij niet echt een kwetsbare status hebben. Alle kinderen in Noord-Oeganda maken armoede en oorlog mee. De status van kwetsbaarheid is dan ook bij hen vaak ver te zoeken. Dat wetende, zijn kindsoldaten minder een anomalie.

Niet alleen deze externe factoren kunnen de reïntegratie in de maatschappij bevorderen, ook zelf zijn ze vaak bij machten om een toekomst op te bouwen. Hun soldaat zijn is een teken van ‘agency’, van hun vermogen om bewust dingen te doen. Zo hebben ze in de bush vaak hechte vriendschappen ontwikkeld en hebben ze voor elkaar gezorgd. Het zijn vaak ook sterke, zelfstandige individuen geworden die overleefd hebben en veerkracht hebben. Dit kan tot iets positiefs getransformeerd worden in het reïntegratieproces.

Alhoewel ik hier zeker niet wil aansturen op doemdenken over de toekomst van kindsoldaten, heb ik evenmin een magisch geloof in hun toekomstkansen. Hoeveel therapie, hulp, sociale structuur, samenlevingsopbouw er ook zal komen, hoe constructief ze hun leven kunnen uitbouwen, een aantal van deze kinderen blijven zitten met het idee: ‘dit blijft ook definitief in mij zitten, als iets akeligs, iets raars, iets explosiefs, etc.’

Tegelijk, niets van dit alles aan blijvend kwetsuur en littekens, doet iets af aan het belang van hulp, sociale opbouw, reïntegratieprogramma’s, etc. Integendeel, ze maakt ze alleen maar meer nodig.

In dit essay heb ik geprobeerd om de breed aangehangen westerse visie dat kinderen vóóral kwetsbaar zijn, open te breken. Op kinderen in Noord-Oeganda, en dat met name op (ex-) kindsoldaten is deze visie niet van toepassing. Door hun ervaringen in de bush waarin ze gekwetst zijn en zelf kwetsend hebben opgetreden, is hun status van kwetsbaarheid aangetast. Hun identiteit verandert door hun ervaringen en wordt bepaald naar aanleiding van het beeld dat de kinderen van zichzelf hebben en de mogelijkheden die hen ter beschikking staan.

Tot slot wil ik hiermee dan ook de vraag beantwoorden: hoe kunnen voormalige kindsoldaten weer deelnemen en verder leven in de maatschappij? Naar mijn mening is het belangrijk om aan te sluiten bij hun dubbele identiteit (kind willen zijn, maar soldaat voelen). De termen gekwetst, kwetsend en kwetsbaar spelen hier een rol. De dubbele identiteit van deze ex-kindsoldaten moet het uitgangspunt zijn voor reïntegratie. Ex-kindsoldaten willen zich weer kind voelen. Er is dus de wens om terug te keren naar de status van kwetsbaarheid. Het blijkt dat deze status vaak (onherstelbaar) is aangetast, of niet meer gevoeld kan worden. Toch is dit nog geen reden om deze kinderen helemaal niet meer vanuit het perspectief van kwetsbaarheid te bekijken. Kwetsbaarheid biedt wel degelijk een uitweg om de reïntegratie te kaderen, waren het alleen al omdat dit een wens is van de kinderen zelf. De realiteit is echter dat ex-kindsoldaten zichzelf als soldaat zien. Naar mijn mening is het daarom niet juist om alléén op hun slachtofferschap en kwetsbaarheid in te zetten in een reïntegratieprogramma, maar juist óók op hun veerkracht. Deze combinatie vormt naar mijn mening het kader voor de reïntegratie.

Noten

Annemiek Buskens is recent afgestudeerd aan de Universiteit van Amsterdam als Cultureel Antropoloog en werkt nu bij de ILO in Genève. In het kader van haar scriptie: “Zijn ex-kindsoldaten te wapenen voor een betere toekomst?” heeft zij vier maanden onderzoek gedaan naar het proces van identiteitsverandering en de reïntegratiemogelijkheden van kindsoldaten in Noord-Oeganda (E-mail: anniebuskens@hotmail.com).

Literatuur

Christensen, P.
2000    Childhood and the cultural constitution of vulnerable bodies. In: A. Prout (ed.) The body, childhood and society. New York: Macmillan, pp. 38-59.
Cohn, I. & G.S. Goodwin–Gill
1994    Child soldiers: The role of children in armed conflicts. Oxford: Clarendon Press.
Convention on the Rights of the Child
2002    Optional protocols to the Convention on the Rights of the Child.http://www.unicef.org/crc/oppro.htm 2002.
Ennew, J.
1995    Street and working children. London: Save the Children.
Hardman, C.
1973    Can there be an anthropology of children? Journal of the Anthropological Society of Oxford 4 (1): 85-99.