Het gebruik van chemische huidbleekmiddelen onder Indiase vrouwen in Bangalore

Patricia D. Gomes, Wiete Westerhof

Abstract

Het (chemisch) bleken van de huid komt bijna overal voor waar mensen met een gekleurde huid wonen. Het is het gevolg van interraciale en intra-raciale discriminatie. Maar ideeën over schoonheid en de maakbaarheid van het uiterlijk spelen ook een rol. Behalve huismiddeltjes op natuurlijke basis zoals fruitsoorten en chemische huishoudelijke middelen, worden ook schoonheidsproducten op chemische basis gebruikt. Een van de populairste blekende stoffen is hydrochinon. Deze stof wordt sinds de jaren dertig van de twintigste eeuw verwerkt in zepen, lotions en ‘bodymilk’. Tegenwoordig zijn hydrochinon- bevattende schoonheidsproducten vanwege de schadelijke werking verboden in de Europese Unie en in verschillende Afrikaanse landen. Maar niet overal. Ook is de vraag naar een lichte huidskleur blijven bestaan. Daarom komen fabrikanten met nieuwe producten op de markt. Een daarvan is Fair and Lovely . Dit middel is erg populair in India, waar een lichte huidskleur vanaf de dagen van de Arische invasie rond 2500 V. Chr. een bepalende rol speelt. Met dit artikel proberen wij de praktijk van het bleken van de huid door 22 vrouwen in de stad Bangalore in India bloot te leggen, en na te gaan waarom deze vrouwen hun toevlucht tot deze middelen hebben genomen en welke rol de Indiase maatschappijstructuur (familie-kaste- en klassesysteem) hierin speelt. Het is ons gebleken dat zij grote moeite hebben discriminatie op basis van huidskleur, het bleken van de huid en de sociale betekenis van deze fenomenen, onder ogen te zien. Volgens ons zijn huidbleekmiddelen in India een onderdrukkingsinstrument, verpakt in een millennia oude schoonheidstraditie.

G.: … “everybody wants to become fair, nobody whish to become dark.

 If you can …eh…become fair, than why not use the cream?”

Het bleken van de huidskleur

Het gebruik van chemische middelen om de huid lichter te maken komt bijna overal voor waar gekleurde mensen wonen. Het is een met taboe omgeven fenomeen dat desondanks wijdverspreid is en toeneemt. Vanwege het taboe is dit verschijnsel vrij onbekend in de bredere maatschappij en in de sociale wetenschappen. Het is wel bekend in de medische wetenschap vanwege de aan het gebruik gerelateerde ziekteverschijnselen. Daarom zijn er meer publicaties over de medische gevolgen van het gebruik van chemische huidbleekmiddelen dan over de maatschappelijke en psychologische context ervan.

Chemische huidbleekmiddelen bevatten verschillende soorten blekende componenten en zijn verkrijgbaar als zeep, crèmes, lotions en ‘bodymilk’. Ze hebben klinkende namen als: Dr. Fred Palmer Skin Whithener, Crusader Skin Toning Creme, Tura Medicated Skin Lightener, Skin Succes, Ambi, Venus de Milo en Fade Out. De bekendste blekende stoffen zijn kwik en hydrochinon. Vanwege de schadelijkheid werd kwik in de jaren tachtig in cosmetica verboden. Hydrochinon werd toen het bleekmiddel bij uitstek. Dit middel is in verschillende Afrikaanse landen verboden en sinds 1 januari 2001 mag het in de Europese Unie (EU) ook niet meer in cosmetica worden verwerkt. Hydrochinon-gerelateerde, ongeneeslijke huidziekten zijn vitiligo (depigmentatie),  exogene ochronosis (de huid krijgt een doffe, roetachtig zwarte kleur en een bobbelige structuur vanwege degeneratie van het collageen en de elastiene vezels), leukomelanoderma en confetti (stipjesjachtige depigmentatie) en een diffuse oranjebruine nagelverkleuring. Het middel kan ook nieraandoeningen en kanker veroorzaken. (Menke et al. 1992; Mosher et al. 1999; Russell 1993: 52).

Enkele publicaties over het verschijnsel

Uit de schaarse niet-medische publicaties blijkt dat het chemisch bleken van de huid niet beperkt is tot mensen van een bepaalde etnische groep, sekse, leeftijd, sociale klasse of huidskleur. Gekleurde mensen uit alle gelederen van de maatschappij en alle huidtinten nemen er hun toevlucht toe. De meeste publicaties over dit onderwerp beperken zich tot het signaleren van het fenomeen [note 1]Enkele publicatie over het gebruik van huidbleekmiddelen: Abraham, 1999; Aka, 1997; Amamoo, 1993; Azuma, 1995; Boyle, 1984; Didillion et al., 1988; Easton, 1998; Gomes et al., 1995; Hall, 1995; Kovaleski, 1999; Mahé et al., 1994; Robins, 1991; Russell, 1993; Yuan-Li Liao et al., 1999; Zuidema, 1992.
. Slechts in enkele gevallen hebben onderzoekers een poging tot verklaring en theorievorming gedaan. Deze auteurs relateren het gebruik aan racisme en aan motieven die zijn gebaseerd op maatschappelijk en economisch gewin. Met een gebleekte huidskleur zouden de gebruikers meer mogelijkheden hebben hun maatschappelijke en economische positie te verbeteren. Een uitzonderingspositie neemt de Afrikaanse feministe Awa Thiam (1986) in met haar complottheorie. In Speak out, black sisters. Feminism and oppression in black Africa schrijft zij dat huidbleekmiddelen een gift met een tweevoudig doel zijn van witten aan zwarten. Het eerste doel zou zijn de zwarten een middel te verschaffen waarmee ze hun ‘ras’ lichter kunnen maken zonder dat ze daarvoor eerst met witten  moeten paren. Een bijkomend voordeel voor de witten zou zijn dat hun ‘ras’ hierdoor puur zou kunnen blijven. Het tweede doel zou de uitroeiing van het zwarte ras zijn. Minder radicaal, maar ook met oog voor de context van de raciale ongelijkheid is het onderzoek van Didillion (1988) waarin de auteurs zeggen dat het gebruik van chemische huidbleekmiddelen in Zaïre (Kongo) het resultaat is van koloniale onderdrukking en verheerlijking van de witte huidskleur. Nana Ama Amamoo (1993) onderschrijft deze factoren en voegt er aan toe dat de wens van vrouwen om (zwarte) mannen te behagen ook een rol speelt in Ghana en andere Afrikaanse landen. Volgens haar is de behoefte van zwarte mannen aan een lichter gekleurde vrouw een koloniaal restverschijnsel. In een artikel in de Guardian Weekly (Kovaleski 1999: 29) dat is overgenomen uit the Washington Post, relateert de auteur het gebruik van huidbleekmiddelen in Jamaica aan een identiteitscrisis van de gebruiksters. Helaas gaat de auteur hier niet verder op in en schrijft ook niet of het bleken van de huid de crisis vermindert of juist verergert. Al deze opvattingen over het bleken van de huid geven het idee dat gebruikers eendimensionale, misschien wanhopige mensen zijn die met hun gebruik reageren op racisme en intra-etnische discriminatie. Uit ons onderzoek onder Ghanese vrouwen uit Amsterdam Zuidoost (Gomes & Westerhof 2001) blijkt dat de situatie vaak complexer is. Andere motieven, hoezeer deze terug te voeren kunnen zijn tot (geïnternaliseerd) racisme, blijken ook een rol te spelen in het besluit te bleken en ermee door te gaan. Zo stelden wij vast dat de Ghanese respondenten hun huidskleur bleekten om zich zekerder, prettiger, moderner te voelen en een intelligente, westerse indruk te maken. Met een lichtere huidskleur en de hierdoor veroorzaakte prettigere psychische gesteldheid dachten ze een betere toegang tot de arbeids- en relatiemarkt te kunnen bemachtigen. Ondanks ervaringen met racisme en intra-etnische discriminatie, vonden sommigen dat ze weloverwogen en autonome beslissingen hadden genomen hun uiterlijk te veranderen. Deze vrouwen vonden dat ze net als witte vrouwen het recht hadden aan hun uiterlijk te sleutelen en dit naar eigen inzicht te veranderen. Ze vonden dat ze een eigen schoonheidsideaal creëerden op basis van het uiterlijk van zwarten uit de caraïben. Op één respondente na, die wit wilde worden, streefden ze de  bruine huidskleur van deze, vaak ‘gemengdbloedige’ zwarten (met name de Surinamers) na, omdat ze deze kleur mooier vonden dan een donkerdere en omdat ze hiermee minder dachten op te vallen. Uit hun motieven en rationalisaties concludeerden wij dat het bleken van de huid niet alleen een middel is om een andere huidskleur te krijgen, of een eigen schoonheidsideaal te creëren, maar ook een instrument om de eigen individuele en collectieve identiteiten te manipuleren en (historische) verwantschappen te suggereren die bij de nagestreefde huidskleur horen.

Ronald Hall (1995) onderzocht het gebruik onder Indiërs in de Verenigde Staten van Amerika en constateerde op basis van hun huwelijksadvertenties dat zij een voorkeur hebben voor een partner met een lichtere huidskleur. Hij kwam erachter dat zij net als veel Afrikaanse-Amerikanen huidbleekmiddelen gebruiken. Zijn conclusie is dat het bleken van de huid de ultieme vorm van culturele assimilatie is in antwoord op culturele dominantie. Om zich zo goed mogelijk aan te passen aan de dominante groep, nemen de gebruikers van huidbleekmiddelen volgens hem niet alleen de dominante cultuur over, maar ook de huidskleur van de dominante groep. Verder noemt Hall het bleken van de huid een syndroom, waarmee hij aangeeft het te beschouwen als een ziekte met een complexiteit van verschijnselen. In dit geval niet zozeer een lichamelijke ziekte, als wel een psychische. Hij gaat hier  niet dieper op in en geeft ook geen uitsluitsel over de psychische gesteldheid van de gebruikers. Hij vermeldt ook niet welke bleekcrèmes de Indiërs gebruikten.

Verantwoording

Ondanks de gezondheidsrisico’s neemt de vraag naar huidbleekmiddelen toe (Gomes & Westerhof 2001: 20). Ook in Azië, waar bedrijven als Unilever, PLC, Beiersdorf  AG en Avon Products Inc. enorme bedragen hieraan verdienen (International Herald Tribune 24 April 1998: 2; Jansen 1998: 23). Sinds het verbod van hydrochinon in de EU echter, zijn fabrikanten ook op zoek naar andere blekende bestanddelen. Zo heeft Unilever Fair and Lovely op de markt gebracht  en heeft het Italiaanse bedrijf General Topics, Thiospot ontwikkeld. Deze spiraal van vraag en aanbod is voor ons een reden om verder onderzoek te doen naar de maatschappelijke omstandigheden en gedragsdeterminanten van (potentiële) gebruikers.

Dit artikel gaat over het gebruik van chemische huidbleekmiddelen onder Indiase vrouwen in de stad Bangalore in Zuid India. Ze worden met hun voorletter aangeduid. De inhoud is gebaseerd op interviews met 22 respondenten en gesprekken met deskundigen. Omdat er een taboe rust op het gebruik van huidbleekmiddelen, was het moeilijk om  respondenten te vinden. We moesten gebruik maken van een mannelijke bemiddelaar. Halverwege de interviews ontdekten wij dat hij alleen respondenten uit de laagste klassen van de maatschappij had gerekruteerd. Dit was niet volgens de afspraak, maar zijn excuus  - waar hij rijkelijk laat mee kwam - was, dat hij vanwege het kastensysteem geen vrouwen van een hogere kaste of klasse kon benaderen. Hij moest zich aan de regels houden. Zo ervoeren wij dat het kastensysteem nog steeds een onwrikbaar fundament is van de Indiase maatschappij. Hoewel de Indiase regering tijdens de Durban Conferentie van de Verenigde Naties in augustus 2001 graag anders deed geloven (Ramdas 2001; Doornbos 2001). Verder gebruikten alle respondenten op het tijdstip van de interviews Fair and Lovely van Hindostan Lever Ltd. Volgens een woordvoerder van dit bedrijf bevat dit middel niet het schadelijke hydrochinon, maar een onschuldig blekend bestanddeel dat bescherming biedt tegen de zon. Wat dit onschuldig middel is, valt niet uit de Indiase verpakking op te maken omdat het in India niet verplicht is de bestanddelen op de verpakking te vermelden.

Een tweede gevolg van het taboe is, dat er in India nog minder over het gebruik van huidbleekmiddelen is geschreven dan in het Westen. Het verschijnsel is ook niet verwerkt in theorievorming over de structuur van de samenleving, de maatschappelijke waarde van het menselijk uiterlijk, huidskleur en de maakbaarheid van schoonheid en identiteit(en). Omdat er hierover dus geen geschreven theorieën zijn, hebben wij enkele Nederlandse hoogleraren naar hun opvatting over dit fenomeen gevraagd. Geen van hen kon hier enig licht op werpen. Wij hebben toen de televisie omroep OHM benaderd. Die heeft ons twee videobandjes Sundarta  (schoonheid) en Solah Shingãra (Ayur- Vedische principes van schoonheid) uit 1999 opgestuurd en de naam van de Indiase Saroj Lakhi gegeven. Zij is een ervaringsdeskundige met de titels Ma (Master of Arts) in Politieke Wetenschappen en Bsc (Bachelor of science) in Biologie. Ze is in Den Haag werkzaam als directeur van een schoonheidssalon op basis van Ayur- Vedische principes.

Ondanks enige kwantitatieve gegevens is ons onderzoek kwalitatief van opzet. De gegevens zijn niet kwantitatief uitgewerkt vanwege het geringe aantal respondenten, en omdat niet alle vragen door iedereen werden beantwoord. Het was de eerste keer dat deze vrouwen hoorden van een dergelijk onderzoek en voor de meesten was het ook de eerste keer dat ze over hun gebruik van huidbleekmiddelen nadachten, anders dan in termen van welk middel het beste was. Vanwege het geringe aantal respondenten kunnen we geen algemeen geldende uitspraken doen. Naar zijn aard is ons artikel meer een signalering van het huidbleek-fenomeen en beoogt het aan te zetten tot verder onderzoek en discussie. Ter vergelijking verwijzen wij naar ons artikel over het gebruik onder Ghanese vrouwen in Amsterdam Zuidoost (Gomes & Westerhof 2001)

Het verlangen naar een lichtere huidskleur

De Human Relations Area Files, een antropologische lijst van driehonderdentwaalf verschillende culturen, vermeldt dat een lichte huidskleur in eenenvijftig van de onderzochte culturen een teken van schoonheid is en dat deze in zevenenveertig ervan wordt geprefereerd (Russell 1993: 58). Hieruit kunnen we concluderen dat de voorkeur voor, de behoefte aan en ideeën over een lichte huid niet alleen voorkomen in landen waar witten de dominante meerderheid vormen, of de macht hebben/hadden, maar ook in landen waar de kleur van macht niet persé Kaukasisch wit is. De vraag dringt zich op wanneer, waarom en hoe deze mentale oriëntatie is ontstaan in landen die zo verschillend zijn  qua historische ontwikkeling en maatschappijstructuur. Het antwoord daarop kunnen wij niet geven. Alleen een groot comparatief onderzoek kan hier enig licht op werpen. Wij hebben ons beperkt tot de hoofdvraag: Waarom gebruiken Indiase vrouwen chemische middelen om hun huid lichter te maken?  Onze hypothese is dat zij dit doen, omdat India een eeuwenoude voorkeur heeft voor een lichtere huidskleur en dat deze voorkeur is gebaseerd op het Hindoeïsme met haar kastensysteem. Met een lichtere huidskleur hopen zij een betere positie en behandeling te bewerkstelligen. We hebben aan de hand van de interviews de volgende vragen proberen te beantwoorden: Waarom gebruiken vrouwen in Bangalore chemische huidbleekmiddelen? Wat beogen zij hiermee (motieven en doelen) en wat zijn hun maatschappelijke omstandigheden? Hoe zijn ze op het gebruik van deze middelen gekomen? Door wie worden ze beïnvloed? Dit cluster vragen is tevens  bedoeld om erachter te komen langs welke kanalen de beïnvloeding verloopt en om vast te stellen of het om autonome beslissingen gaat. Andere vragen waren: Wat vinden zij van een lichte, respectievelijk een donkere huidskleur? Wat vinden zij van hun gebruik? Welke betekenis hebben een lichte en een donkere huidskleur volgens hen in India en hangt deze betekenis samen met hun gebruik van huidbleekmiddelen? Aan Saroj Lakhi vroegen wij hoe het gebruik van huidbleekmiddelen past binnen de Hindoe-cultuur en binnen de Vedische ideeën over schoonheid (de zestien principes van Solah Shringã), en of het mogelijk was om door middel van het bleken van de huid sociaal te stijgen. Ten slotte hebben we de antwoorden vergeleken met onze conclusie over het gebruik van onze Ghanese respondenten en met de stelling van Ronald Hall.

Het gebruik in Bangalore

Op een nationale Indiase tv-zender zag één van ons ’s avonds in een reclamespotje van Ponds een groepje aantrekkelijke, vrolijke en ondernemende jongelui. Een van de jongedames in het gezelschap was een beetje stil en droevig. Het was duidelijk dat ze ergens over in zat. Op een bepaald moment kwam één van haar beeldschone, lichtgekleurde vriendinnen naar haar toe. Ze fluisterden samenzweerderig, waarna haar gezicht zichtbaar opklaarde. In de daarop volgende beeldenreeks was ze erg uitgelaten. Boordevol vertrouwen deed ze overal aan mee en werd zelfs de spil van het gezelschap. Vervolgens kwam haar gezicht langdurig in beeld, gevolgd door een potje bleekcrème. De kijker begreep onmiddellijk dat haar huidskleur lichter was geworden en dat dit de oorzaak was van haar vrolijkheid en zelfvertrouwen. Dit reclamespotje is buitengewoon geraffineerd opgezet. De makers suggereren dat er in India geen discriminatie is op grond van huidskleur. De jongedame in kwestie wordt immers niet buitengesloten of gediscrimineerd. Ze is deel van het gezelschap, maar houdt zich uit eigen beweging afzijdig. Het gevoel dat ze er niet bij hoort en niet goed genoeg is, komt helemaal uit haar zelf voort. Zoals uit onze interviews zal blijken hadden de meeste van onze respondenten dezelfde opvatting als de personages uit het spotje. Ze voelden zich niet gediscrimineerd, maar vonden zelf dat ze minder waard waren met hun donkere huidskleur. Volgens ons laat dit spotje, behalve de boodschap, zien dat ‘racisme’ in India is geïnternaliseerd. Het tweede opmerkelijke van het reclamespotje is dat het bleken van de huid wordt voorgesteld als iets dat iedereen doet en moet doen. Zelfs het knapste meisje blijkt haar schoonheid en de daaruit voortvloeiende populariteit en levensvreugde uit een potje bleekcrème te halen. De boodschap is duidelijk: Je moet goed voor je zelf zorgen. Waarom zou je jezelf het recht op schoonheid, aandacht en een goede behandeling ontzeggen als je deze zo gemakkelijk kunt krijgen? De waarschuwing is ook duidelijk: Als je niet goed voor jezelf zorgt, moet je ook niet zeuren. Je bepaalt tenslotte zelf wat je waard bent. Dit spotje heeft dezelfde boodschap als de Ghanese advertentie voor het bleekmiddel Ambi. In Ghanese kranten stond: “They go…they come….they are noticed…they have the ambi chic” (Amamoo 1993: 32). En wie zou dat niet willen hebben?            

Volgens de Indiase Dermatoloog Anil Abraham, werkzaam in het St. John’s Medical College Hospital in Bangalore, is India ‘color struck’, bezeten van huidskleur. In maart 1999 - in de periode van onze interviews - presenteerde hij op een internationaal dermatologie congres in Bangalore gegevens van een onderzoek dat in 1998 was uitgevoerd onder patiënten uit India en Pakistan, die met huidklachten naar ziekenhuizen waren gegaan. 53,8 % van deze patiënten had bleekcrèmes gebruikt, 64 % van deze patiënten was ongelukkig met de eigen huidskleur en 76 % wilde een lichtere huidskleur hebben. Bij een ander ‘Bodyimage’ onderzoek had hij vrouwelijke respondenten drie foto’s laten zien van dezelfde vrouw. Eén foto was overbelicht, een andere onderbelicht en een derde was normaal belicht. De respondenten moesten aangeven ‘welke vrouw’ hun voorkeur had. Hoewel alle foto’s dezelfde vrouw afbeelden, vond 97 % van deze respondenten de vrouw op de lichterafgedrukte foto aantrekkelijker. Aan het eind van zijn presentatie drukte Abraham zijn zorg uit over de toename van het gebruik van bleekmiddelen en de daaraan gerelateerde huidziekten.                 

De twee-entwintig vrouwen die wij in Bangalore interviewden, varieerden in leeftijd tussen 16 jaar (1983) en 55 jaar (1944). Vijf vrouwen studeerden, één meisje zat op de middelbare school en wilde graag beroepstennisster worden. Eén vrouw stond aan het hoofd van haar uitgebreide huishouding. De rest werkte buitenshuis op kantoor, in winkels, enkelen als computertechnicus. Het huishouden deden ze s’avonds na het werk in de ‘extended family’ (gezin en familieleden). Van deze vrouwen waren er twee patiënt in het St. John’s Medical College Hospital. De duur van het gebruik lag tussen de twee en negentien jaar. Ze smeerden alleen hun gezicht en hals in. Een behandeling van het hele lichaam vonden ze te kostbaar. Hoewel ze verschillende chemische producten hadden gebruikt zoals Jolen, Multani Sand (een soort klei), Emami of Imami Cold Cream, Oriflame, Amways (deze twee zijn duur, 400, 500 roepies), Oil of Ulay en huismiddeltjes, gebruikten ze op het moment van ons onderzoek allemaal dagelijks Fair and Lovely. Een product van Hindustan Lever LTD. Volgens een woordvoerder van dit bedrijf bevat dit middel geen hydrochinon. In India hoeft de samenstelling van producten niet op de verpakking vermeld te worden, zodat de gebruikers niet weten wat ze gebruiken. Op de verpakking staat: Fair and Lovely, the fairness cream. New advanced formula for fair skin. Verder een afbeelding van het lichte gezicht van een vrouw en daarachter haar donkerder gezicht. De crème kost per tube 58 roepies (ƒ 3,27) en is op te brengen voor mensen met een smalle beurs. Een medewerker van Hindostan Lever Ltd schreef ons in een persoonlijke brief dat zijn bedrijf in 1999, 5297 ton Fair and Lovely had verkocht en 5570 ton in 2000.

Druk van de eigen omgeving

We vroegen de respondenten hoe ze op het bestaan van huidbleekmiddelen waren gekomen en wie ze Fair and Lovely had aanbevolen. Ze noemden vriendinnen (7x), familie, met name moeders en tantes (7x), advertenties (3x), een dermatoloog (2x), 1x buren (1x) en een vriendje (1x). Het voortdurende commentaar van hun omgeving op hun (gebleekte) huidskleur was ook een stimulans om huidbleekmiddelen te gebruiken. Zo verklaarden achttien respondenten dat hun omgeving opmerkingen maakte over hun huidskleur. Respondente B. die donkere vlekken in haar gezicht heeft, zei: “In a day fifteen people may ask you what happened to you…?” Dit stimuleerde haar om te bleken. Vervolgens zei ze dat haar vriendin een donkere dochter had die zwaar gebukt ging onder het dagelijkse commentaar op haar huidskleur. Respondente F. zei dat haar dochtertje treiterig ‘blacky’ werd genoemd door de overige leden van de ‘extended family’. En U. herinnerde zich dat ze vroeger op school donkere kinderen pestten en hen kraaien noemden. Over het algemeen zeiden de respondenten dat hun omgeving vond dat ze er met hun donkere huidskleur niet goed uitzagen. Ze geneerden en dachten dat hun donkere huidskleur daarvan de reden was.

D. zei dat mensen meteen reageerden als ze maar ietsje donkerder was geworden: “People will ask, why…are you not well?” Vanaf het moment dat ze haar huid bleekte kreeg H. complimentjes. Voorheen gebeurde dit nooit. Net als bij I. die zei: “If I go anywhere, nobody will be…eh… concentrate about me…, after using this cream I became fair and everyone is watching me.. I like that….guys and  girls even more…” Toen O. met bleken was begonnen riep iedereen: “Ohh, you are fair now.” En T. vertelde dat haar veel lichtere moeder “(…) wanted me to be like her”. Toen V. een keer met bleken was gestopt en weer donker was geworden, begon ze er toch maar weer mee vanwege dat voortdurende commentaar. Dokter Abraham vertelde dat sommige schoonmoeders hun schoondochters de schuld geven als de kleinkinderen donkerder zijn dan zijzelf. Vandaar dat sommige moeders allerlei diëten volgen tijdens hun zwangerschap, zoals saffraan in de melk, papaja en kokosnootpasta. Ook mengen ze allerlei fruitsoorten, groenten en aardappels voor uitwendig gebruik. Dit werd later ook bevestigd door B. als een algemeen overgeleverd gebruik. Volgens Abraham hebben deze natuurlijke mengsels een ‘peelende’ (vervellende) werking vanwege de ‘Alfa hydroxy accids’. De respondenten raadplegen ook boeken met eeuwenoude recepten. C. gebruikt naast Fair and Lovely ook limoensap en mengt Multani Sands - een kleisoort - met kwark. Dokter Abraham vertelde dat sommige moeders hun pasgeborenen ook met deze middeltjes insmeren.

Hoewel ze vrijelijk vertelden wat hun omgeving van een donkere huidskleur dacht, vonden ze het moeilijk om te zeggen wat ze er zelf van dachten. Vijf respondenten beantwoordden deze vraag niet. De anderen zeiden met veel omhaal van woorden dat ze een donkere kleur lelijk vonden, niet elegant, niet goed, ‘dull’, stoffig, niet fris, L. verwoordde het zo: “Everybody wants to look clean, neat… yes. So… when you give  tumbler of water…if outside is dirty, nobody wants to drink water… If tumbler is clean from outside, people say…oh thank you. All happy.” L. vergelijkt hiermee een vies glas met een donkere huidskleur. Net zoals een vies glas de indruk geeft dat de inhoud ook wel vies zal zijn, net zo geeft een donkere huidskleur de indruk dat niet alleen het uiterlijk, maar ook het innerlijk vies zal zijn. Met dit voorbeeld geeft ze - net als in de reclamespot - tevens aan dat een lichte huid niet alleen de bezitter ervan gelukkig maakt, maar ook zijn/ haar omgeving. Dit  viel ook op te maken uit de andere antwoorden. Wij kregen de indruk dat men - niet alleen de respondenten - zich in India over het algemeen prettiger voelt onder lichtgekleurde mensen dan onder donkergekleurden. Alsof iedereen bang is dat de negatieve associaties die donkerhuidigen oproepen ook op hen zal afstralen en hen zal besmetten. Dit doet denken aan het gedrag van elite figuren die alleen met andere elite (wensen te) verkeren. De respondenten vinden allemaal een lichtere huid mooier, aantrekkelijker, waardevoller, slimmer, charmanter, ‘soft and interesting ’ V. zei: “Most people think that…eh…eh…being fair is a fortune. ….and being dark is a misfortune.” Ze vertellen hun omgeving  dan ook graag welke middelen goed zijn en halen elkaar over om deze ook te gebruiken. T. zei: “When it is good, you have to recommend…” Dat het aanbevelen van goede producten wel een sociale plicht lijkt, zagen wij ook onder onze Ghanese respondenten (Gomes & Westerhof 2001: 25)

Opvattingen over huidbleekmiddelen en het gebruik er van

We vroegen wat ze van huidbleekmiddelen vonden en hoe ze hun gebruik zagen. Hoewel ze allemaal Fair and Lovely gebruikten (sommigen ook andere producten), een lichtere kleur mooier vonden en er meestal ook naar streefden, vonden vijftien respondenten dat Fair and Lovely geen echt huidbleekmiddel is. Ze waren van mening dat je er niet zo licht van wordt als van andere producten, of  van een behandeling in de schoonheidssalon. Geconfronteerd met de tekst en de afbeelding op de verpakking die de blekende werking benadrukken, bleven ze bij hun mening. Van deze vijftien respondenten ontkenden negen dat ze hun huid bleekten en zes gaven tegenstrijdige of ontwijkende antwoorden. Ze zeiden onder andere dat ze Fair and Lovely gebruikten om de huid zachter te maken, pukkels te behandelen, de huid te verzorgen, er fris en gezond uit te zien. Sommigen zagen het als basis voor make-up en voor H. was het een middel om gezichtsharen lichter te maken. Zeven respondenten zeiden dat Fair and Lovely een bleekmiddel is en dat ze het gebruikten om lichter te worden. T. zei: “It really improves your skin color….I feel psychologically satisfied… your skin glowes…everyone notices you.” Afgezien van de twee patiënten van Abraham, had geen van de overige respondenten nagedacht over de samenstelling van huidbleekmiddelen in het algemeen en wat deze in de huidlagen doen. Patiënte B. ontmoetten wij tijdens zijn spreekuur. Ze had donkere vlekken in haar gezicht en kende de schadelijke gevolgen ook uit haar directe omgeving. Toch ging ze door met het gebruik van hydrochinon-bevattende huidblekende medicijnen en cosmetica. Ze  hoopte er het beste van, omdat ze niet goed kon leven met die donkere vlekken op haar jukbeenderen. Mede vanwege het commentaar van haar omgeving.

De respondenten waren niet bang voor schadelijke neveneffecten bij Fair and Lovely omdat ze zelf nooit ergens last van hadden gehad en ook niemand kenden met problemen. Ze wisten wel dat andere producten schadelijk konden zijn. Ze noemden herhaaldelijk Pond’s Fair and Lovely skin lightening lotion. N. had zelfs veel vertrouwen in Hindustan Lever Ltd.. Ze geloofde dat dit bedrijf vanwege zijn eigen reputatie nooit iets schadelijks op de markt zou brengen. Volgens haar zouden ze juist heel hard werken om het product te verbeteren, omdat iedereen het gebruikt: “I don’t think that ..( schadelijke bijwerkingen) ..would happen with this, because it’s a standard company and its’ been….since a long time and I don’t think people would use such a thing which would harm people and which would even affect their business too………..(…)….it has a high level of reputation in the city market…he (the businessman) didn’t want to lose it. In fact he will try to improve more on it.”

De vraag of ze ooit van plan waren met huidbleken te stoppen gaf enige problemen, omdat zoals eerder gezegd, vijftien respondenten zeiden dat Fair and Lovely geen huidbleekmiddel was.

Om verdere geïrriteerd commentaar van de respondenten te vermijden, vroegen we dus in tweede instantie of ze ooit met het gebruik van dit middel zouden stoppen. Slechts één respondente zou ooit stoppen en één misschien. Zeven respondenten zouden nooit stoppen, zeven gaven een ontwijkend antwoord en zes gaven geen antwoord. Hun argument om nooit te stoppen was dat ze nergens last van hadden en ook niemand kenden die last had. Het feit dat ze mensen kenden die last hadden van andere producten, maakte juist dat ze zich veilig voelden.

Dit cluster antwoorden geeft een idee over de lijnen waarlangs kennis zich verspreidt en de beïnvloeding verloopt. De directe omgeving, bestaande uit familie, vrienden en collega’s bepaalt voor een belangrijk deel de opvattingen, ideeën en het gedrag van de gebruiksters. Ze staan onder grote druk van de omgeving om hun huid te bleken. De media (advertenties) lijken hierin een minder grote of directe rol te spelen. Mannen  lijken in dit proces van beïnvloeding ook geen rol te spelen. Terwijl uit de meeste huwelijksadvertenties (Hall 1995; Jordan 1998) en mediabeeldvorming duidelijk hun voorkeur voor een lichte huidskleur blijkt. De oorzaak hiervan zou kunnen liggen in het feit dat vrouwen nooit direct van mannen vernemen wat zij vinden van de vrouwelijke huidskleur. Volgens B.  gebeurt dit in familieverband, want mannen vinden het onfatsoenlijk daar direct iets over te zeggen tegen een vrouw of zelfs tegen hun echtgenote.

Motieven en doelen in Bangalore

De vraag naar motieven voor het gebruik van huidbleekmiddelen werd door iedereen uitvoerig beantwoord. Slechts zeven respondenten noemden een lichtere huidskleur als motief. De meesten gebruikten (chemische en eigengemaakte) huidbleekmiddelen, in het bijzonder Fair and Lovely, om er fris, jonger, gezonder, aantrekkelijker en knapper uit te zien en kleding en make up beter te doen uitkomen. Verder wilden ze een glad, verzorgd en schoon gezicht en negatief commentaar over hun huidskleur en een slechte behandeling voorkomen. Door het huidbleken kregen ze veel complimentjes, aandacht en een goede behandeling. Ze voelden zich normaal, met een gezonde, natuurlijke uitstraling. Door al deze positieve uitwerkingen voelden ze zich zekerder van zichzelf en ook gelukkig. C. zei: “ My parents feel happy when they see me looking good and neat……they don’t have to worry about me.” I. had met een donkere huid geen zin om uit te gaan omdat ze werd genegeerd. Maar dat veranderde toen ze lichter werd : “When it’s (my face) becomes dark, I feel very bad like…when it’s become fair, yes, I feel very happy.” R. vertelde hetzelfde: “I was ugly, I was black…nobody talked to me.” Ze is een Tamil van de ‘schedule caste’ [deze kaste is een onderklasse van meestal diepzwarte mensen. Ze worden onderdrukt en mogen onder andere niet in de tempels komen. Tegenwoordig probeert de regering hun situatie te verbeteren door middel van wetgeving en positieve actie, maar veel helpt het niet] en moest worden uitgehuwelijkt. Maar niemand had belangstelling. Pas toen ze ging bleken vond haar familie een man voor haar. Ze vertelde trots dat ze zelfs tussen twaalf en één uur in de zon kan lopen zonder bang te moeten zijn dat ze zwarter wordt. De angst voor de zon was vrij algemeen. Sommige respondenten gaven er zelfs favoriete bezigheden voor op, zoals M. die van zwemmen hield:  “I was scared I would become dark…. I wanted to retain my original skin color.” Vier  respondenten (D., E., R., U.). gebruikten bleekmiddelen om een echtgenoot te strikken

Uit hun motieven en hun opmerkingen bij andere vragen concluderen wij dat onze respondenten huidbleekmiddelen, met name Fair and Lovely gebruiken om sociaal beter geaccepteerd te worden en hun toegang tot de liefdes – en relatiemarkt (huwelijk) te vergemakkelijken. Ook smeren ze zich in om zich beter te voelen en de omgeving te laten zien dat ze weten hoe ze zich zelf moeten verzorgen. De reclame speelt hier ook op in door huidbleekmiddelen voor te stellen als een verzorgend product voor de vrouw die weet wat ze verdient en wat ze waard is. Deze motieven hebben ze gemeen met de Ghanese respondenten (Gomes & Westerhof 2001), die ook veel nadruk leggen op het verzorgende aspect van de bleekmiddelen. Hoewel enkele Indiase respondenten hadden gezegd dat huidskleur een rol speelde op de arbeidsmarkt, zei niemand dat ze bleekte om de toegang hiertoe te verbeteren. Wel bleekten ze om het sociale contact met de collega’s op de werkvloer te verbeteren

Vervolgens vroegen wij aan onze respondenten of er in India gediscrimineerd werd op grond van huidskleur. Vijf respondenten antwoordden stellig dat er geen discriminatie was, vier zeiden van wel en acht zeiden schoorvoetend (na lang aarzelen) dat dit soms gebeurde en vijf deden ontwijkend (ze gaven geen duidelijk antwoord). Afgezien van de vier die discriminatie bevestigden, putten de overige respondenten zich uit in geïrriteerde, verontwaardigde,  verontschuldigende en dubbelzinnige uitleg. Volgens hen had de algemeen verbreide negatieve waardering van een donkere huidskleur en de slechtere behandeling die de bezitters ervan genoten, niets te maken met huidskleurdiscriminatie. In ieder geval was het niet te vergelijken met de Verenigde Staten. Een goed voorbeeld van een dubbelzinnige ontkenning gaf K.: “In India our God Krishna …is very dark, but still we worship him…(…)…and I don’t find any difference in color…even dark people can apply any cream… they will be free from pimples and other marks.” In de eerste plaats ontkende ze het bestaan van discriminatie door op de donkere huidskleur van Krishna te wijzen, terwijl ze tegelijkertijd indirect op het bestaan ervan wees door op te merken dat mensen crèmes kunnen gebruiken als ze donker zijn. Waarom zouden ze die crèmes moeten gebruiken als mensen met een donkere huidskleur niet werden gediscrimineerd? In de tweede plaats ontkende ze de werking van ‘Fairness creams’ door te zeggen dat men deze kon gebruiken om pukkels en andere vlekken weg te werken. Even dubbelzinnig was de ontkenning van L. Volgens haar gebruikten donkere mensen huidbleekmiddelen niet om lichter te worden, maar om zich gelukkiger te voelen. Ze kon niet uitleggen waarom men zich met een donkere huid niet gelukkig voelde en met een lichtere huidskleur wel, en bleef benadrukken dat het niets te maken had met huidskleurdiscriminatie. Dit was een opmerkelijke uitspraak omdat deze respondente eerder iemand met een donkere huidskleur had vergeleken met een vies glas met water. Hiermee had ze aangegeven dat men liever niets te maken wilde hebben met een donker (vies) persoon, net zo min als men een vies glas met water zou aannemen. Op de vraag waarom zoveel mensen bleekcrèmes gebruikten als huidskleur er niet toe deed en als er niet gediscrimineerd werd, verkoos M. langdurig te zwijgen. H. zei dat er soms werd gediscrimineerd in huwelijksadvertenties en bij sociale contacten. Maar volgens haar was het allemaal niet zo erg. Want men kon daar met een potje bleekcrème iets aan doen. Dat lichtergekleurden (betere) banen hebben, bijvoorbeeld op film en tv, en de donkerst gekleurden tot het straatvolk behoren, was naar haar mening meer het gevolg van hun armoede en dan van discriminatie. Ze redeneerde dat de meeste Indiërs donker zijn door de zon. Degenen die geld hebben doen daar iets aan door bleekcrème te kopen. Als die zwarte straatmensen niet arm waren geweest, hadden ze ook bleekcrème of een bezoek naar de schoonheidssalon kunnen betalen en zo een baan kunnen krijgen, “(…) ragpeople cannot go to a parlor…because he is concentrated on his two meals a day”, had ze spijtig verzucht. De respondenten die het bestaan van huidskleurdiscriminatie beaamden, waren ondubbelzinnig in hun antwoorden. Zo gebruikte F. bleekcrèmes om lichter te worden “…because somebody is…will not like black people”. Ze vertelde dat zwarten worden beledigd en zoals eerder vermeld, dat haar dochtertje wordt uitgescholden door de dochters van haar zuster. N. zei dat ze op haar werk werd genegeerd door haar lichter gekleurde collegae. Dat veranderde toen ze ging bleken. Hoewel O. aanvankelijk discriminatie ook ontkende, zei ze later in het interview dat er alleen gediscrimineerd werd: “If it (gezicht) is too dark, they may be… it’s too dark.” Abraham zei dat bepaalde banen voorbehouden bleven aan lichtergekleurden: “…Jobs where you are seen in public like..eh..public relations, hotelcounters, tv news announcers.” Tijdens zijn presentatie op het congres noemde hij enkele gezegden waaruit bleek dat de kleur zwart van oudsher negatief wordt gebruikt, zoals ‘Black sheep’, blacken the family name, paint the face black.’ Dit laatste gezegde stamt af van een oud Indiaas gebruik om het gezicht van iemand die zich had misdragen, zwart te schilderen en op een ezel het dorp in te sturen.

Hoewel alle respondenten zeiden dat een lichte huidskleur belangrijk is en dat zij en hun omgeving een donkere kleur meestal negatief waarderen, legden de meesten het verband met discriminatie niet. Net zoals in het reclamefilmpje van Pond’s voelden de respondenten zich niet gediscrimineerd. Hun gevoel van zwaarmoedigheid en verdriet vanwege hun donkere huidskleur en het gevoel er daarom niet bij te horen kwam niet van anderen, maar van hen zelf. De respondenten waren niet in staat het ‘racisme’ te onderscheiden, noch het feit dat ze dit hadden geïnternaliseerd. De vraag naar de oorzaak van deze ontkenningen, dubbelheid en vaagheid zullen we in de paragraaf ‘Discussie’ beantwoorden.

Discriminatie op grond van huidskleur

Er is één bevolkingsgroep die al jarenlang zegt dat huidskleurdiscriminatie welig tiert in India. Deze groep bestaat uit de Dalit, die rond 2500 v.Chr. door de vanuit het noorden binnenvallende Ariërs van hun grondgebied, de Indusvallei, werden verdreven en onderworpen. Ze zijn van Afrikaanse origine en hebben een zwarte huidskleur. Nadat zij (en andere gemeenschappen) waren verslagen, voerden de lichtgekleurde Ariërs het Hindoeïsme in en verdeelden de bevolking gaandeweg in vier kasten met ontelbare subcategorieën op basis van huidskleur- en tint (Simons 1958: 73; Basham  1967  3 ). De hoogste kaste bestaat sindsdien vooral uit de lichtst gekleurden die de grootste maatschappelijke, economische, politieke en religieuze voordelen genieten. Zij zijn de Brahmanen (priesters). De tweede kaste bestaat uit Ksahtriya (krijgsheren en regeerders), gevolgd door de derde kaste van Vaishya (boeren), waartoe Ghandi behoorde. En tenslotte de Shudra (handwerkslieden). Dat de kastenindeling op basis van huidskleur heeft plaatsgevonden, wordt bewezen door eeuwenoude manuscripten zoals de Manu Smriti (wetten) en de Megha Sandhesani waarin het Sanskriet woord ‘Varna’ staat voor kaste èn kleur. Een ander bewijs dat huidskleur van oudsher een grote rol speelt, vormen de vele mythologische verhalen (Purana’s). In één ervan verwijt de god Shiva zijn echtgenote Parfati dat ze veel te donker van huidskleur is. Ze gaan daarop de ascese beoefenen, waarna zij lichter van huidskleur wordt (Adriaensen  et al. 1998: 62). Sinds de modernisering van India loopt de klassenindeling parallel aan de kastenindeling en dus ook langs lijnen van huidskleur (Basham 1967 3: 34-35, 137).

De Dalit vielen en vallen buiten dit kastensysteem. Tegenwoordig is discriminatie van de kastelozen bij de grondwet verboden en hebben velen uit deze groep carrière gemaakt met behulp van voorrangsbeleid en positieve actie. Zo is de huidige premier van het land, Shri Atal Bihari Vajpayee een kasteloze, evenals eenderde van de leden van het Hooggerechtshof en het parlement. Volgens de Dalit zijn dit schijnresultaten en gaat discriminatie gewoon door. V.T. Rajshekar, woordvoerder van de Dalit en auteur van Dalit, the black untouchables of India meent dat het Hindoeïsme een in religieuze termen verpakt socio-economisch, politiek onderdrukkingssysteem is. Hij vindt India een racistisch land, dat van alle racistische landen, het langst racisme heeft kunnen volhouden, door de verstrengeling van religie en maatschappelijke orde. Volgens hem is dit de reden dat men er in binnen- en buitenland niet tegen in opstand komt. De Dalit hebben de Verenigde Naties talloze malen gevraagd het systeem te veroordelen. Maar ze krijgen geen gehoor. Ook niet tijdens de antiracisme conferentie van de Verenigde Naties in Durban in augustus 2001. Volgens Rajshekar is India nog niet klaar ‘to face the color question’. Op grond van ons onderzoek kunnen we dit alleen maar beamen.

Discussie  [note 2]Naar aanleiding van onze eerdere artikelen zijn er Kamervragen gesteld en heeft de regering geld uitgetrokken voor een epidemiologisch onderzoek naar het gebruik van huidbleekmiddelen in Nederland (Aanhangsel 1999).

  • Het karakter van de Indiase samenleving en het gebruik van huidbleekmiddelen.

De hoofdvraag die wij aan het begin van dit artikel stelden, luidt: Waarom gebruiken Indiase vrouwen in Bangalore chemische middelen om hun huid te bleken? In onze hypothese hebben wij hun gebruik gerelateerd aan de Hindoeïstische structuur van de Indiase samenleving, namelijk het kastensysteem en de latere, parallel daaraan lopende klassenindeling. In deze paragraaf proberen wij na te gaan hoe beide  onderdelen van deze maatschappijstructuur een rol spelen. Vervolgens zullen we het gebruik van de Indiase respondenten vergelijken met onze conclusie over het gebruik van onze Ghanese respondenten en met de conclusie van Hall.

Zoals wij schreven is India niet alleen op basis van huidskleur ingedeeld in kasten. Sinds de modernisering is de bevolking ook in meerdere of mindere mate in klassen geordend. In Caste and Class in India in the late twentieth century (2000) schrijft S. Selvam dat veel schrijvers ervan uitgaan dat kaste en klasse elkaar tegenwerken, waardoor er weinig zou veranderen. Volgens hem zijn kaste en klasse niet enkel aan elkaar tegengesteld, maar vormen zij vaak genoeg ook een coalitie, afhankelijk van de problematiek en de geografische setting van stad of platteland. Selvam spreekt daarom veel liever van ‘caste – class-dynamics’ die het hele sociale gebeuren, de economie, politiek, religie, educatie, zakenleven en huwelijk bepalen (Selvam 2000: 3, 4). Hij benadrukt dat geen enkele sociale gebeurtenis zich volkomen onafhankelijk van kaste of klasse kan ontwikkelen (Selvam 2000: 179). In Gender, caste and power in South Asia. Social status and mobility in a transitional society’(Neelsen 1991: xvi) stellen de auteurs dat de ‘family’ de kern is voor de reproductie van de samenleving. Niet alleen mensen, maar ook de maatschappij en alle sociale relaties ontwikkelen zich vanuit de familie die centraal staat. Zo bepaalt de familie zaken als landaankopen, huwelijken en het volgen van opleidingen. Beroepen worden via families verdeeld, waardoor bepaalde werkzaamheden eeuwenlang door dezelfde families worden uitgeoefend. Dit geldt ook voor moderne beroepen zoals de ambtenarij. De familie beslist tevens of, en welke opleiding een vrouw mag volgen en welk beroep ze mag uitoefenen. Meestal helpen ze haar ook aan een baan. Hoewel vrouwen uit de hogere kasten en uit de steden tegenwoordig zelf mogen beslissen inzake opleiding en baan, zullen ze niet gauw tegen familie- en kaste wensen ingaan. Ook als ze meer geld verdienen dan hun familieleden en klassefactoren (opleiding, inkomen, bezit) een rol gaan spelen, zullen ze niet gauw  buiten de familie- en kastengoedkeuring om handelen, omdat ze anders worden uitgestoten. Uit beide boeken blijkt dat de familie- en kastenstructuur er voor zorgen dat de vrouw over het algemeen geen individuele, autonome beslissingen kan nemen. Individualisme en autonomie zijn verworvenheden van het klassensysteem en als zodanig klassefactoren. Door deze klassefactoren af te remmen of te neutraliseren beperkt het kastensysteem de invloed van het klassensysteem en versterkt het zichzelf. Het gevolg is dat de vrouw van twee kanten wordt beknot: als kastelid en als klasselid. Volgens Saroj Lakhi zullen individualisme en autonomie een grotere rol spelen als een vrouw van de hoogste kaste is of als ze in de stad of in het buitenland woont. De familiemacht en kastebeheersing en –controle zullen dan geringer zijn, maar niet helemaal verdwijnen, vooral niet op het gebied van het huwelijk. In het laatste geval heeft dit te maken met het feit dat niet zozeer individuen met elkaar trouwen, als wel dat de families een economische machtsverbintenis aangaan. De macht van de familie blijkt ook uit de tijdschriftartikelen over het kiezen van een huwelijkspartner onder moderne Hindoes in Engeland (Asian Bride: summer 2001 nr 5; Asian Woman: summer 2001, nr 4).

Hoe past de beslissing van een vrouw haar huid te bleken binnen de hiervoor geschetste structuur van de kaste- en de klassenordening en de macht van de familie over de vrouw? Het antwoord daarop zoeken wij in de betekenis van haar huidskleur. In de eerste plaats is haar huidskleur een teken van de familie en de kaste waartoe ze behoort en in zekere zin ook van haar klasse. Klasse wordt bepaald door inkomen, bezit en opleiding. Deze klassenfactoren worden bereikt via grondbezit, bepaalde beroepen en status, en deze worden op hun beurt van oudsher langs lijnen van kleur en familie verdeeld die weer gebaseerd is op het kastensysteem. Ook het niet bezitten van deze klassenfactoren wordt hierdoor bepaald. (Selvam 2000: 186-187). Over het algemeen valt uit haar huidskleur dus zowel haar kaste als haar klasse op te maken. In de tweede plaats heeft haar huidskleur als familie-, kaste- en klasseteken, drie maatschappelijke betekenissen. Aan haar huidskleur valt dus haar positie en toekomst op sociaal (onder andere status en mobiliteit), economisch, cultureel, en religieus (onder andere deelname aan rituelen) gebied af te leiden. In het licht hiervan zal een verandering van de huidskleur een ondermijning en /of verloochening van de familie-, kaste- en klassenstructuur inhouden. Dit zouden de machtsfactoren (kaste, familie, mannen) nooit toestaan. En de vrouw zou nooit hiertegen ingaan vanwege haar ondergeschiktheid aan de kaste- en familiestructuur en vanwege het feit dat ze niet kan beschikken over de klassefactoren,  individualisme en autonomie.

Toch wordt er volgens onze respondenten op grote schaal gebleekt. Ze vertelden immers dat familieleden, vrienden en kennissen huidbleekmiddelen gebruiken en dat dit een eeuwenoud gebruik is. Van de media weten we dat het gebruik wijdverspreid is en toeneemt. Dit toenemend gebruik kan twee dingen betekenen. In de eerste plaats kan het betekenen dat de Indiërs niet via de politiek, maar via het bleken afwillen van hun maatschappij- ordening die op huidskleur is gebaseerd. Zoiets als: iedereen dezelfde huidskleur, iedereen dezelfde rechten. Er zijn echter geen aanwijzingen voor een dergelijke ontwikkeling. In de tweede plaats kan het zijn dat de machtsfactoren (kaste, familie, mannen) het bleken van de huid goedvinden. Onze respondenten hebben dit ook met zoveel woorden gezegd. Hun ouders, familie en vrienden (die tot dezelfde kaste behoorden) spoorden ze immers aan huidbleekmiddelen te gebruiken. Met een gebleekte huid kregen ze complimentjes en droegen ze bij aan de status van de familie. Niet alleen zij, maar de hele familie en vriendenkring deelde in de vreugde van het lichter zijn, net zoals iedereen het vervelend vond als ze er zwart uitzagen. De aansporing te bleken is, zoals eerder gezegd, ook op te maken uit de eeuwenoude boeken die een lichte huidskleur verheerlijken (Zuidema Teake 1992: 44 e.v.) en uit de eeuwenoude recepten voor bleekmiddelen op natuurlijke basis. Het gebruik vindt dus plaats met instemming en onder aansporing van de familie, de kaste en de klasse.               

Als er dus sprake is van een maatschappelijke goedkeuring, dan betekent dit dat de samenleving het bleken van de huid niet ziet als een ondermijning van de maatschappijstructuur. Maar hoe ziet de samenleving het dan wel? Het antwoord hierop is te vinden in de eeuwenoude schoonheidsopvattingen en -regels die nog steeds in bepaalde mate gangbaar zijn. Saroj Lakhi legde uit dat de Hindoecultuur uiterlijke schoonheid erg belangrijk vindt, omdat dit een teken is van innerlijke schoonheid. Deze schoonheid kun je van binnenuit en van buitenaf met behulp van de millennia oude leefregels en schoonheidsregels bevorderen (OHM tv documentaire ‘Sundarta  (schoonheid) en ‘Solah Shingãra uit 1999).  De schoonheidsopvattingen en –regels zijn vastgelegd in zestien Ayur- Vedische principes (levenswetenschap). Afhankelijk van hun kaste, geld, vrije tijd, moderne of traditionele leefwijze en geografische setting, versieren en verzorgen man en vrouw hun uiterlijk dagelijks volgens deze eeuwenoude leer. Het versieren gebeurt met sieraden, bloemen en gekleurde tekens op de huid. De verzorging gebeurt op basis van natuurlijke middelen, zoals kamferpoeder, saffraan, sandelhout, rozenwater, olie, muskus, witte klei, citrusvruchten en geelwortel (kurkuma). Geelwortel, saffraan, sandelhout, witte klei en citrus staan bekend om hun blekende werking. Saroj Lakhi bevestigt dat een lichte huidskleur sinds de dagen van de Arische bezetting een teken van schoonheid is en dat het streven ernaar net zo oud is. Even oud zijn de huidbleekrecepten en adviezen. Volgens haar is het bleken van de huid dus niet in strijd met het Hindoeïsme, noch met de zestien Ayur- Vedische principes van schoonheid. Het streven naar een lichte huid is er juist een onderdeel van. Aangezien het streven naar en het bevorderen van een lichte huidskleur is ingebed in de Hindoe schoonheidsopvattingen die onderdeel zijn van de machtsstructuur, is het te begrijpen dat de machtsfactoren het bleken niet zien als een ondermijning van deze machtsstructuur, maar als een bevestiging ervan. Vandaar dat het volgens ons hun goedkeuring kan wegdragen. In deze context is het ook te begrijpen dat onze respondenten het bleken over het algemeen zien als een schoonheidverhogende verzorging en niet (alleen) als een antwoord op huidskleurdiscriminatie. Ze ervaren het schoonheidsideaal ook niet als iets discriminerends en onbereikbaars en streven dan ook geen eigen schoonheidsideaal na, zoals onze Ghanese respondenten. Met hun gebruik sluiten ze naar hun gevoel aan bij hun millennia oude schoonheidstraditie.

De vraag komt op waarom de respondenten deze schoonheidsopvattingen en het kaste-systeem niet als discriminerend ervaren. Zoals wij hebben laten zien in de paragraaf over motieven en doelen, zeiden slechts vier van de tweeëntwintig respondenten onomwonden dat er in India wordt gediscrimineerd op basis van huidskleur. Uit recente publicaties blijkt dat de 18 andere respondenten niet de enigen in India zijn met deze opvatting. Racisme is nog steeds een heet hangijzer en de meerderheid van de bevolking kan het bestaan ervan niet toegeven. Daarbij is het argument van de overheid dat niet iedere vorm van onderscheid (het kaste-systeem) discriminatie is (Ramdas, NRC-Handelsblad: 2001: 5 A).

De oorzaak van de ontkenning dat de kastenordening een discriminerend systeem op basis van huidskleur is, ligt volgens ons in de typische maatschappelijke constellatie en historische ontwikkeling. De Indiërs staan bloot aan een discriminerend systeem dat millennia oud is en dat ruim 2500 v. Chr. werd gevestigd door de binnengevallen Ariërs. Daar bovenop volgt het witte superioriteitsdenken van het moderne, westerse kolonialisme zoals dat door de Britten werd gevestigd. De Indiërs hebben hierdoor een dubbele erfenis van discriminatie, die zich in onze tijd heeft verdikt tot een speciale vorm van intraraciale discriminatie. Wij noemen dit een speciale vorm, omdat de discriminatie is ingebed in zowel de traditionele (kaste-ongelijkheid) als de moderne facetten (klasse-ongelijkheid) van de samenleving en omdat de Hindoe religie aanvaarding van het systeem gebiedt. Dit en het feit dat het nastreven van een lichtere huidskleur wordt voorgesteld als een millennia oude schoonheidstraditie, zorgen er volgens ons voor dat de meeste van onze respondenten niet in staat waren de schoonheidsopvattingen en het kastensysteem als discriminerend te ervaren. Een soort maatschappelijke blinde vlek. Zoals wij hebben laten zien erkenden de meeste respondenten het onderscheid op grond van huidskleur en de daaruit voortvloeiende onderscheidende behandeling, maar weigerden zij dit huidskleurdiscriminatie te noemen. Voor de meesten bestaat intraraciale discriminatie niet in India. Van interraciale discriminatie hadden onze respondenten ook geen last. Maar dit heeft te maken met het feit dat zij zelf niet met blanken in aanraking kwamen.

  • Huidbleekmiddelen als instrument

Om de maatschappelijke mogelijkheden van huidbleekmiddelen te laten zien en het gebruik van de Indiase respondenten inzichtelijker te maken, gaan we wat dieper in op de situatie van onze Ghanese respondenten. Anders dan de Indiase respondenten erkenden de Ghanese respondenten het bestaan van interraciale en intraraciale discriminatie.[note 3]Aangezien de term ‘ras’ geen biologisch gegeven is, maar een sociale constructie op basis van huidskleur en fysionomie, bedoelen we met deze term voor het gemak gekleurde mensen.
Ook brachten zij hun gebruik van huidbleekmiddelen daar direct of indirect mee in verband. Het racisme waar zij slachtoffer van zijn, is zo’n vijf eeuwen oud en stamt uit de koloniale tijden. Zoals wij in de inleiding opmerkten, streefden de Ghanese respondenten de bruine huidskleur van ‘gemengdbloedige’ zwarten, met name de Surinamers na. Wij relateerden hun streven aan de maatschappelijke positie van de Surinamers die in Nederland door hun grotere aanpassing een betere maatschappelijke positie hebben dan de andere niet-witte ‘allochtonen’. Deze aanpassing is mede het gevolg van hun, door het kolonialisme veroorzaakte, historische bloed- en culturele verwantschappen aan witten. Door deze koloniale dynamiek vertegenwoordigt hun bruine huidskleur bloedbanden met witten, en verwantschap aan de witte (westerse, moderne) cultuur, aan witte schoonheid en witte superioriteit. Deze verwantschappen zijn segmenten waarmee individuele en collectieve identiteiten (van buitenaf door anderen opgelegd/van binnenuit gewenst) kunnen worden opgebouwd. Wij concludeerden dan ook dat onze Ghanese respondenten de huidbleekmiddelen niet alleen gebruikten om hun huidskleur te veranderen en/of een ander schoonheidsideaal te creëren, maar ook om andere individuele identiteiten te creëren en de historisch gegroeide, collectieve identiteiten en verwantschappen van deze beter in de markt liggende zwarte groep (Surinamers) te suggereren, om zodoende betere of net zulke posities op de arbeids- en liefdes- en relatiemarkt te veroveren. In het geval van deze respondenten is het gebruik van huidbleekmiddelen, naast de andere oogmerken, bedoeld om een overgang te maken naar een andere (sub)cultuurgroep.

Dit is niet het geval bij de Indiase respondenten. Ze streefden geen andere, individuele of collectieve identiteit na. Ze zagen de lichtere kleur van de ander, wilden deze ook hebben, maar streefden niet de maatschappelijke betekenis van die kleur na. Ze wilden niet doorgaan voor iemand uit een andere (sub)kaste. Dit kan ook niet, vanwege de familie- en kastecontrole en vanwege de Hindoe-religie. Volgens deze religieus- maatschappelijke ordening wordt een mens binnen een bepaalde kaste geboren. Dit is een gegeven, waaraan je alleen kunt ontsnappen door sterfte en reïncarnatie en soms door een huwelijk. In het licht van de voorbestemming is het ambiëren van een hogere maatschappelijke positie [note 4]Wij spreken uitdrukkelijk van maatschappelijke positie omdat het hier gaat om het geheel van culturele, politieke en religieuze voordelen. Een betere economische positie houdt niet vanzelfsprekend een betere maatschappelijke positie in. Een betere economische positie is binnen de eigen kaste, voor iedereen te bereiken. Een betere maatschappelijke positie niet.
- die bij een hogere kaste hoort - gelijk aan het ambiëren van de verworvenheden van een hogere kaste zonder dat je daarvoor de noodzakelijke, voorgeschreven ontwikkeling hebt doorgemaakt. Dit is volgens ons de reden dat de meesten het bleken van de huid niet als een antwoord op intraraciale discriminatie kunnen zien. Het lot dat je ten deel valt, is niet het gevolg van discriminatie, maar een gevolg van je geboorte. Je mag niet tornen aan het gevolg van je geboorte. En hoewel de huidskleur ook een gevolg van de geboorte is, valt er gemakkelijker aan te sleutelen dan aan de maatschappelijke betekenis ervan. Huidskleur is zowel een vrij onbetekenend facet dat je kunt veranderen, als een bijna alles bepalend kenmerk, boordevol betekenis. Dit is een dubbelzinnige, vage situatie, met als gevolg dubbelzinnige en vage antwoorden van de meeste respondenten. Deze antwoorden zijn volgens ons niet zozeer een poging foute zaken onder het tapijt te vegen, als wel een aanwijzing dat ze weten dat er iets niet goed is, maar dat ze zich er geen raad mee weten. Of, zoals de Dalit zeggen: “Nnot ready to face the color question.” Vanwege de Hindoeleer zijn ze niet goed in staat na te denken over de maatschappelijke betekenis en consequenties van huidskleur, noch over het gebruik van huidbleekmiddelen.

Anders dan bij de Ghanese respondenten is het bleken van de huid voor de Indiase respondenten op dit moment in hun geschiedenis geen instrument om andere individuele en collectieve identiteiten aan te nemen en andere historische verwantschappen te suggereren. Ze ontlenen hun identiteit in hoge mate aan de collectieve identiteit van de kaste, en daarbinnen de klasse en de familie, waartoe ze behoren. Belangwekkend hieraan is, dat ze ook in ‘groepsverband’ bleken. Het systeem van individuele ‘pass over’ naar een andere socio-culturele groep, zoals dat in het Westen, Zuid Afrika en de Verenigde Staten mogelijk is, lijkt volgens ons niet zo gauw met een potje bleekcrème bereikt te kunnen worden in India. Verandering is alleen mogelijk binnen de eigen kaste.

Hall ziet dit anders. Volgens hem zou de behoefte aan een lichtgekleurde huid en een lichtgekleurde echtgenote/echtgenoot zo groot zijn dat de Indiërs de grenzen van klasse en sub-kaste overschrijden en met armere mensen trouwen, als deze maar lichter gekleurd zijn (Hall, 1995: 179). Daarbij schuwen ze het gebruik van huidbleekmiddelen niet, waardoor dit een instrument is om de  (sub)kaste te overschrijden en cultureel te assimileren. Wij zetten hier vraagtekens bij. Onze respondenten hebben geen (sub)kaste overschrijdende huwelijken gesloten vanwege hun lichter gemaakte huid. Een viertal had wel bleekmiddelen gebruikt om een man uit hun eigen kaste te strikken. Maar of dit de reden voor hun huwelijk was, weten we niet. Wij hebben vooralsnog geen bewijzen voor de opvatting dat huidbleekmiddelen de kansen op een ‘goed huwelijk’ vergroten of de kans op een slecht huwelijk verminderen. We weten wel dat dit vanwege de vele huwelijksadvertenties wordt aangenomen. Er zijn ook geen bewijzen dat (sub)kaste overschrijding überhaupt hiermee mogelijk is. Volgens Selvam (2000: 180) speelt de economische positie een ontzettend grote rol. De rijkste persoon uit een bepaalde kaste zal volgens hem niet gauw met de armste uit de dezelfde kaste trouwen. Hij stelt dat de klassefactor rijkdom/bezit meestal de doorslag geeft bij huwelijken binnen de kaste. Op basis hiervan veronderstellen wij dat dit ook de doorslag zal geven bij een kaste overschrijdend huwelijk.

Wat betreft Hall’s opvatting dat het gebruik van huidbleekmiddelen een vorm van culturele assimilatie is (‘pass over’ of  ‘cross over’), willen wij opmerken dat een dergelijke aanpassing alleen kan slagen als er aan andere culturele en economische eisen is voldaan en als de ontvangende maatschappij de assimilatiepogingen accepteert. Iemands plaats in de samenleving wordt niet alleen bepaald door zijn eigen doen en laten, maar ook door het doen en laten van zijn eigen groep en van de samenleving in haar geheel. Dit geldt zeker voor India waar individuele prestaties en aspiraties minder ruimte krijgen zich te ontwikkelen en waar de individuele identiteit(en) grotendeels bepaald worden door de collectieve identiteit(en). Het succes van assimilatie hangt ook af van de fysionomie en huidtint van de gebruikers van huidbleekmiddelen.De fysionomie zal overeen moeten komen met die van de groep waartoe men wilt behoren. Anders zal daar plastische chirurgie voor nodig zijn. Wat de fysionomie van de Indiërs betreft, vertoont deze grote overeenkomsten met de Arische fysionomie. Wat de huidtint betreft zal een donkerder type sterkere bleekcrèmes moeten gebruiken. Culturele assimilatie via een potje bleekcrème is volgens ons dan ook beperkt mogelijk, zowel in lichamelijk als in sociaal opzicht. We denken hierbij aan respondente N. die met een gebleekte huid beter sociaal contact kreeg met haar collegae. Of ze met een gebleekte huid een klasse- en een (sub)kaste-overschrijdend huwelijk kunnen sluiten moet nog worden onderzocht. Anders dan bijvoorbeeld in Zuid Afrika of de Verenigde Staten heeft het bleken van de huidskleur minder grote sociale veranderingen tot gevolg, omdat kaste, familiestatus, macht en rijkdom een beslissende rol spelen.

Zelfs als een individu in een hogere kaste kan komen is dit nog geen aantasting van het systeem, maar eerder een versterking ervan (met haar grip op het klassensysteem), omdat de gebruikers zich alleen bezighouden met het veranderen van hun huidskleur en niet met het veranderen van de betekenis en de sociale consequenties van die huidskleur. Volgens ons zijn huidbleekmiddelen in de Indiase maatschappelijke context een instrument ter onderdrukking van de donkere bevolking. Via millennia oude, discriminerende schoonheidsopvattingen wordt de bevolking gevangen gehouden in een jacht naar een lichtere huidskleur zonder dat de mogelijkheid bestaat ook de voordelen te verwerven die bij die lichtere huid horen. We zijn het wel eens met de bevindingen van Hall dat het streven naar een lichtere huidskleur en het bleken niet alleen worden veroorzaakt door interraciale oppressie, maar ook door intra-etnische discriminatie die weer het gevolg is van geïnternaliseerde ideeën over witte superioriteit.

Hoewel de situatie van de Indiase respondenten fundamenteel anders is dan die van de Ghanese respondenten vanwege de Hindoeïstische maatschappijstructuur en het gebrek aan individualisme en autonomie, hebben ze wel het psychisch welbehagen dat een gebleekte huid geeft, met hen gemeen. Beide groepen voelden zich zekerder, prettiger, aantrekkelijker en verzorgder en hadden het idee dat ze hun kansen vergrootten. Huidbleekmiddelen lijken hierdoor wel een geestverruimend middel, met een verslavende werking.

Noten

Patricia D. Gomes is historica, geschiedenisdocente, free lance journaliste en onderzoeksmedewerkster van Stichting COLOR. Wiete Westerhof is dermatoloog en als Universitair Hoofddocent en directeur van het Nederlands Instituut voor Pigmentstoornissen verbonden aan het Academisch Medisch Centrum Amsterdam en tevens oprichter en directeur van Stichting COLOR. Stichting COLOR steunt activiteiten die het inzicht in de medische en sociale aspecten van huidpigmentatie vergroten, met als doel de ‘rassen’ relaties te verbeteren. De stichting is gevestigd in Paramaribo, Suriname. Tel: 597-45232 (e-mail: swin.@sr.net). De auteurs danken Stichting COLOR en Mama Cash.

Literatuur

Aanhangsel
1999    Aanhangsel van de Handelingen, Tweede Kamer der Staten Generaal, vergaderjaar 1998-1999: 3563-64.
Aka, P.A.
1997    Epidemiology of the African phenomenon of cutaneous depigmentation. In: Abstactbook of the International Congress ‘Pigmentary disorders from a global perspective’, June 22-24: 75.
Amamoo, N. A.
1993    African women and skin bleaching. The politics of black beauty. African Woman 30-33.
Asian Bride
2001    Asian Bride Summer, nr. 5.
Azuma V.
1995    Why I bleach. The Mirror (Ghana). August 5: 15.
Bannerjee, S.
2001    Mixed blessings. Asian Woman 4: 96-101.
Basham, A.L.
1967    The wonder that was India, A survey of the history and culture of the Indian sub-
continent before the coming of the Muslims. London: Sidgewick & Jackson.
Boyle, J. & C.T. Kennedy
1984    Hydroquinone concentrations in skin lightening creams. British Medical Journal
288: 1998-99.
Didilion, H. et al.
1988    The Maquillage practice in Brazzaville. Psychological Reports 62: 307-16.
Doornbos, H.
2001    Ouders vermoorden eigen kinderen. Noord Hollands Dagblad August 25: f.  12.
Easton, A
1998    Women have deadly desire for paler skin in the Philippines. The Lancet. 352: 555.
Gomes, P.D
1995    Een blanke huid is belangrijk voor succes. Schoonheidsidealen bij wit en zwart. Opzij 23 (3): 44-47.
Gomes, P.D. & W. Westerhof
2001    Het gebruik van chemische huidbleekmiddelen onder Ghanese vrouwen in
Amsterdam-Zuidoost. Aanzet tot onderzoek en discussie. Tijdschrift voor Genderstudies  4 (1): 20-33.
Hall, R.
1995    Bleaching Syndrome. African American's response to cultural domination vis-à-vis skin color. Journal of Black Studies. 26 (2): 172-84.
Jansen, A.
1998     Zie mij niet aan dat ik zwart ben. Middeltjes voor een blanke huid zijn aan Aziaten wel besteed. Reformatorisch Dagblad December 28: 23.
Jordan, M.
1998    Creams for a lighter skin capture the Asian Market. International Herald Tribune April 24: 2.
Kovaleski, S.F.
1999 In Jamaica, shades of an identity crisis. Guardian Weekly August 19-25: 29.
Mahé, A. et al.
1994    Complications dermatologiques de l'utilisation cosmétique de produits dépigmentants
à Bamako (Mali). Annales de Dermatologie et de Vénéréologie 121: 142-46.
Menke, H.E. et al.
1992     Exogene ochronosis, een weing bekende bijwerking van hydrochinon-bevattende crêmes.
Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde 136 (4): 187- 90.
Mosher D.B. et al.
1999    Hypomelanoses resulting from chemical exposure. In: I.M. Freedberg  et al. (eds), Fitzpatrick's dermatology in general medicine. 5th Edition. McGraw-Hill, New York, pp. 974-77.
Neelsen, J.P. (ed)
1991    Gender, caste and power in South Asia. Social status and mobility in a transitional
society. New Delhi: Manohar Publications.
OHM Televisie Omroep
1998     Sundharta. Video documentaire Solah Shingãra
Rajshekar, V.T.
1995    Dalit, the black untouchables of India.  Atlanta: Clarity Press.
Ramdas, A.
2002     Kastestelsel blijft een tere snaar in India. NRC-Handelsblad, September 3: 5.
Robins. A.H.
1991    Biological perspectives on human pigmentation. Cambridge: Cambridge University
Press.
Russell, K.  et al.,
1993    The color complex. The politics of skin color among African Americans. New York, London : Anchor Books Doubleday.
Selvam, S.
1998     Caste and class in India in the late 20th century. Lewiston, etc.: The Edwin Mellen Press.
Simons, R.D.G.Ph.
1958     Huidskleur en menselijke verhoudingen. Amsterdam: Elsevier.
Thiam, Awa
1986     Speak out, black sisters. Feminism and oppression in Black Africa. London: Pluto Press.
Weijland, J.W. et al.
1990     Cosmeticarapport 45:Skin bleaching products. Keuringdienst van Waren, Enschede:
Juli, 2-4.
Weijland J.W. et al
1995    Rapport skin bleaching products. Keuringdienst van Waren, Enschede (ongepubliceerd).
Westerhof, W & H.E. Menke
2001    Hydrochinon gevaarlijk? Pharmaceutisch Weekblad 136: 1260.
Yuan-Li Liao et al.
1998    Contact leukomelanosis induced by the leaves of Piper betle L. (Piperacea): A clinical
and histopathologic survey. Journal of the American Academy of Dermatology 40                        (4): 583-89.
Zuidema Teake
1992     De perfecte huidskleur. Onze Wereld  November:  44-45.