Misbaksel allemaal schilfers

Psoriasis in de bellettrie

Frans Meulenberg

Abstract

In de medische literatuur zijn de psychosociale factoren die te maken hebben met psoriasis, veelvuldig beschreven. Sociale effecten krijgen daarin vaak aandacht: onaangename opmerkingen van anderen, het gevoel een outcast te zijn, het vermijden van aanraking, schaamte, verwarring met besmettelijke ziekten en relatieproblemen. De schrijvers John Updike, Vladimir Nabokov en Dennis Potter hadden zelf psoriasis, en hebben daar ook over geschreven, met name Updike en Potter. Daarnaast hebben ook andere auteurs over psoriasis geschreven, zoals R.A. Basart, Connie Palmen en Simon Vestdijk. Thema's die in deze romans en novellen aan de orde komen, zijn: eenzaamheid, het verbergen van psoriasis, dromen en hallucinaties, relationele en seksuele problemen, de rol van muziek, metamorfose van psoriasis tot kunst, de rol van het verleden, en psoriasis als metafoor voor het creatieve proces. Kennisname van de bellettrie rond het thema psoriasis biedt een dieper inzicht in de verschillende aspecten van de belevingswereld van de patient.

Huidziekten spelen al in de Bijbel een belangrijke rol. De vertalingen spreken meestal van ‘melaatsheid’, maar exegeten nemen tegenwoordig aan dat daarmee ook psoriasis bedoeld kan zijn. In het boek Job (2:4-5) beweert de satan: “Huid voor huid, en al wat iemand heeft, zal hij geven voor zijn leven. Strek daarentegen uw hand uit en tast zijn gebeente en zijn vlees aan – of hij U dan niet openlijk zal vaarwel zeggen!” Aldus be- sluit God de arme Job op de proef te stellen door hem een afschuwelijke huidaandoe- ning op te leggen die hem tot een paria bestempelt. Het onreine karakter van de aandoe- ning is de oorzaak van het buitengesloten-zijn: “De klederen van de melaatse, die door de plaag getroffen is, zullen gescheurd zijn, zijn hoofdhaar zal hij los laten hangen en de bovenlip bedekken en roepen: Onrein, onrein! Zolang hij de plaag heeft, blijft hij onrein; hij is onrein; afgezonderd zal hij wonen, buiten de legerplaats zal zijn verblijf zijn” (Leviticus 13:45-46). De echo van deze veroordeling galmt eeuwen later nog steeds na in onze joods-christelijke cultuur, waarbij de centrale vraag ‘waarom lijdt de onschuldige?’ onbeantwoord blijft.

De huidbarrière heeft een psychosociale dimensie, doordat belevingsaspecten, zoals pijn en tastzin, veelal via de huid worden waargenomen (Van de Kerkhof 1993). Het sociale effect van een huidafwijking als psoriasis is beschreven in de medische literatuur: onaangename opmerkingen van anderen, het gevoel een outcast te zijn, het vermijden van aanraking, schaamte, verwarring met aids, arbeidsverzuim, relatiepro- blemen, etc. (Wittkower 1946, Gutpta 1990, Jowett 1990). Hierdoor mijden patiënten zwemmen, zonnebaden, kappersbezoek, sport, gezamenlijk douchen, dansen en uit- gaan (Ramsay 1988). Seksualiteit wordt daarbij soms als een bijzonder probleem er- varen (Van Dorssen 1992).

De zichtbaarheid van psoriasis spreekt, misschien juist door het chronische, wisse- lende en onvoorspelbare karakter van de aandoening, sterk tot de verbeelding en heeft in de medische literatuur zelfs tot literair taalgebruik geleid (Farber 1991). Zo beschrijft Ingram de plaques en kleurrijke configuraties als patronen die “may rival the heavens for beauty and design”, waaraan hij met gevoel voor dramatiek toevoegt: “to leave a trail of silver scale about the house and blood-stains on the sheets and to fear the public gaze – this is a cruel fate” (Ingram 1954).

De bellettrie gaat nog een stap verder en biedt door de kracht van de verbeelding een verrassend inzicht in de kluwen van fictie en werkelijkheid – de mythevorming – rond dit ziektebeeld. Het schrijven van fictie en non-fictie is voor veel auteurs een indi- viduele poging om de werkelijkheid en daarmee de wereld op eigen houtje vorm te geven. Exploratie van dit terrein is waardevol: net als voor wetenschap geldt voor bel- lettrie, dat aan het begin en aan het eind de mythe staat (Borges 1988). In dit verband is een observatie van de cultuurfilosoof George Steiner verhelderend: “Het is niet het let- terlijke verleden dat ons beheerst, behalve misschien in biologische zin. Het zijn beel- den van het verleden. Deze zijn dikwijls net zo verfijnd van structuur en net zo selectief als mythen. Beelden en symbolische constructies van het verleden zijn bijna als geneti- sche informatie in ons bewustzijn geprent” (Steiner 1991).

Kennisname van bellettrie rond een ziektebeeld kan dus tot inzicht leiden en vormt soms zelfs een zinrijke aanvulling op de therapie (Anstett 1983, Bremer 1987). Ook voor de huisarts kan het lezen van bellettrie verhelderend zijn: “imaginative literature also reminds family physicians that insight can be sought – and hopefully achieved to the extent that one is able – from both inside and outside clinical accounts of any dis- ease, syndrome, or medical issue” (Wear 1993). Maar romancier John Updike is scep- tischer en waarschuwt: “Ziekte en pijn zijn bijvoorbeeld van alles-overheersend belang voor degenen die eraan lijden, maar terwijl we bereid zijn achthonderd pagina’s lang het verloop van een romance te volgen en mee te lijden met alle wederwaardigheden van de liefde, vervelen het verloop van een ziektegeschiedenis en de beschrijving van pijn en ellende, hoe sympathiek de persoon ook is die wordt beschreven, al na een paar alinea’s” (Updike 1978).

De drijfveer voor dit stuk wordt gevormd door mijn interesse voor het thema ziekte in de literatuur in het algemeen en – vanuit de specifieke alertheid en sensitiviteit van de lotgenoot – voor psoriasis in het bijzonder. Er is zelfs een exacte datum te noemen. Op 4 december 1987 schreef de dermatoloog nadat ik hem consulteerde aan mijn huis- arts: “psoriasis vulgaris capitis, meerdere vingernagels tonen putjes.” Jarenlang heb ik, vaak lukraak, literatuur – zowel fictie als autobiografische geschriften en interviews – rond dit ziektebeeld verzameld; het eigen boekenbezit, bibliotheken en enige corres- pondentie vormden dan ook de leidraad voor dit stuk.

Autobiografisch proza

Drie auteurs hebben/hadden zelf psoriasis en hebben dit in hun autobiografisch proza verwerkt: John Updike, Vladimir Nabokov en Dennis Potter. Alleerst John Updike. De Engelse schrijver Martin Amis schreef het volgende: “Most writers need a wound, eit- her physical or spiritual. Updike’s is called psoriasis, ‘skin disease marked by red scaly patches’, as my COD unfeelingly puts it” (Amis 1993).15 Amis betoogt dat de moderne fictie steeds meer autobiografische neigingen krijgt, wat vooral voor Amerikaanse fic- tie geldt en in het bijzonder voor het werk van Updike. Voor deze stelling vindt hij steun in Updike-statements als “The novels are a fair record of what I felt” en “It’s all in the books.” Anders geformuleerd: Updike camoufleert zijn fictie met autobiografie.

Updike wijdde in zijn autobiografie Self-consciousness een hoofdstuk aan psoriasis (Updike 1989). Volgens hem scherpt psoriasis het denken: altijd moeten nieuwe manieren om de symptomen te verbergen, bedacht worden. Steeds weer kijkt de pa- tiënt in de spiegel, het glas dat geen leugens verdraagt. Hoe erg is het? Ziet het er beter uit? Psoriasis leidt in zijn visie tot een eigenaardig soort narcisme, waarbij Narcissus zichzelf vol afkeer bekijkt. Updike voelt zich het slachtoffer van zijn eigen omhulsel.

Een venijnige aanval van mazelen bezorgde hem voor het eerst psoriasis. ‘Ziekte’ vindt hij een te zwaar woord, omdat psoriasis niet besmettelijk is, geen pijn veroor- zaakt en het lichaam niet verzwakt. Daarentegen isoleert de aandoening de patiënt wel van de “happy herds of healthy”. Zijn moeder gaf hem de ziekte; hij zou haar later aan zijn vierde kind doorgeven.

Vóór de tweede wereldoorlog waren teerzalf en zonlicht de enige remedies tegen de rode vlekken en de witte schilfers. Schaamte was het gevolg van de akelige huid en het sterk riekende zalfje. Vanwege zijn uiterlijk ging hij als kind niet op zwemles. Een tactloze onderwijzer deed er nog een schepje bovenop: “Jesses, wat heb jij op je hoofd?” De schrijver voelde zich buitengesloten toen hij afgekeurd werd voor militaire dienst. Hij trouwde de eerste vrouw die zich niet stoorde aan zijn uiterlijk. Hij waande zich zelfs een leproos, lijdend aan een oud-testamentische vloek, een outcast en een monster, maar hij ziet in de zuivere kleuren van de plaques ook een meesterwerk van Jackson Pollock (een prachtig beeld voor iemand die het werk van deze schilder kent).

Updike trof het. Inmiddels is de PUVA-behandeling ontwikkeld. “Het is aange- naam om een of twee keer per week naakt in een soort helverlichte telefooncel te staan.”

Op het tijdstip dat Updike aan zijn autobiografie werkte, was hij al vijftig jaar gewend aan psoriasis, en hij begreep toen dat de oorlog met zijn huid uitsluitend te maken had met zijn gevoel van eigenwaarde, met zichzelf accepteren; anderen staan hier buiten. De aandoening is gedemythologiseerd, zegt hij, “zij komt nu zelfs voor in commercials.”

Van Vladimir Nabokov is weinig bekend dat hij psoriasis had. Vreemd is dat niet; weinigen beschermden hun privacy zozeer als deze Russisch-Amerikaanse schrijver. Zo valt in de (door hemzelf samengestelde en geredigeerde) bundeling van interviews met Nabokov de term psoriasis nergens (Nabokov 1974). In februari 1937 kreeg Nabokov een zware aanval van psoriasis te verduren (Nabokov 1990). Op 15 mei van dat jaar schreef hij ietwat pathetisch aan zijn vrouw Véra: “Ik krijg nog steeds dagelijks mijn lichtbehandelingen en ben zo goed als genezen. Weet je – ik kan het je nu eerlijk vertellen – de onbeschrijflijke martelingen die ik in februari vóór deze behandelingen moest verduren hadden me naar de grens van zelfmoord gedreven – een grens die ik niet mocht passeren omdat ik jou in mijn bagage had” (Nabokov 1993). Hij ging veel zonnebaden, hetgeen zijn psoriasis goed deed, evenals de “radiation therapies” door een vriendelijke Russische arts. Zijn biograaf maakt daarna nog slechts één keer mel- ding van een exacerbatie van psoriasis, namelijk toen de spanning van het schrijven van de roman Ada aan het eind van de zestiger jaren van Nabokovs schouders viel (Boyd 1991).

De Engelse auteur Dennis Potter leed sinds 1961 aan arthritis psoriatica, waardoor zijn vingers zo krom stonden, dat hij een pakje sigaretten met zijn mond moest openen. Als kind vluchtte hij vanwege de huidaandoening het bos in om alleen te zijn. Wanneer hij alleen thuis was, luisterde hij eindeloos naar liedjes op de radio (“een liedje heeft namelijk dezelfde kwaliteit als een geur – het kan je terugvoeren naar het verleden”). Is de ziekte een bondgenoot of een vijand? Potter antwoordde: “Beide, mijn vriend, mijn vijand. Aangezien de ziekte niet te genezen is, zou het dwaas van mij zijn te doen alsof het geen deel van me was. Anderzijds haat ik het om te zien – ik heb dat meegemaakt in ziekenhuizen, klinieken en waar ik al niet heb moeten verblijven – hoe mensen van hun ziekte hun hobby maken, een knuffeldiertje, een speeltje. In dat opzicht beschouw ik het als mijn vijand.” De ziekte had grote invloed op hem: “Het is ook duidelijk dat de ziekte me op mezelf terugwierp. Ik moest over mezelf nadenken, ik trok mij in mezelf terug, hetgeen voor een schrijver geen slechte zaak hoeft te zijn” (Anoniem 1990). In 1987 dacht hij nog dat zijn ziekte psychosomatisch is (Van der Pauw 1987). Hij sprak de hoop uit met het schrijven van The singing detective ook de ziekte achter zich te heb- ben gelaten. Een hoop die ijdel was, want twee jaar later brak hij een interview af om te vertrekken voor zijn weekend-kuur met methotrexaat (Van der Pauw 1989).

Potter kreeg daarna een pancreascarcinoom met levermetastasen. Hij wist dat het onbehandelbaar was. Palliatieve pijnbestrijding was zijn deel. Op televisie werd het laatste interview uitgezonden. Later verscheen de uitgeschreven tekst in een bundel (Potter 1994). Gevraagd maar zijn mening over god, een issue dat veel in zijn werk terugkomt, antwoordde hij: “Yeah, God’s a rumour if you like (….) what kind of cruel old bugger is god, if it’s terror that is the ruling edifice (…) but religion to me has always been the wound, not the bandage.” Hij sprak over zijn ‘land van herkomst’ (“a sort of mythic Forest of Dean”), zijn vader (“That anxiety to communicate but doing it wrongly”) en zijn psoriasis. Belangrijk was de vraag hoe hij al die dingen in zijn werk verenigde:

(…) I’ve used, for example in The singing detective, I used the Forest of Dean, I used the physical circumstances of psoriatic arthropathy, which, you know, still, you know, I’ve still got bloody psoriasis itching away at me, which is a bugger – you’d think that would lay you off now, wouldn’t you, but it won’t! But I used that, and geographical realities, and it seemed so personal then, but I often do that. It isn’t. I make it up, the story. You know the wife thing? The whole inner structure of that man is different to me. Now he was a man, the ‘Singing Detective’, Michael Gambon character, the Philip Marlow in a hospital bed at the beginning who had nothing. He was stripped of everything. He had no faith in himself, no belief in any political, religious or social system. He was full of a witty despair and cynism. Now I have never been like that, and the dramatic story was very simple.

Potter karakteriseert ook de liedjes uit zijn jeugd die hij in zijn fictie een belangrijke rol gaf: “You know that cheap songs so-called actually do have something of the Psalms of David about them. They do say the world is other than it is.” Liedjes zijn een echo van een andere wereld.

Fictie van psoriasis-patiënten

De drie genoemde auteurs verwerkten psoriasis ook in hun fictie. In Updike’s roman The centaur heeft de jonge Peter Caldwell de ziekte (Updike 1981). Er zijn enkele parallellen met de autobiografie: de schoolkameraad die denkt dat het syfilis is, de huisarts die zelf psoriasis heeft (hetgeen hem ervan weerhield chirurg te worden, omdat de patiënten zouden uitroepen: ‘dokter, genees uzelf’; in hoeverre dit ook voor hem als huisarts geldt, blijft open). Peter Caldwell koestert zijn kleding als vermom- ming: “Overigens was wanneer ik mijn kleren aan had mijn vermomming als normaal menselijk wezen heel goed. Op mijn gezicht had God zich ingehouden; met uitzonde- ring van enkele sporen langs de haarinplant, die ik bedekte door mijn haar naar voren te laten vallen, was mijn gezicht vrij. Zo ook mijn handen, op een onmerkbare stippeling van mijn nagels na; terwijl van mijn moeders nagels een paar tot op het vlees waren weggevreten door wat er uitzag als geel bederf.” Uitkleden doet hij heimelijk, zoveel mogelijk ongezien, en wanneer hij de plekken schilferige huid aanraakt, lijken het “de ruw gevlekte buitenste bladeren van een zeldzame, kostelijke zilveren vrucht die ik langzaam uitpelde.” Zijn buik oogt alsof hij is aangepikt door een grote vogel. Peter Caldwell ervaart de afwijking als een schande:

Schande, overgevoeligheid, – nooit wist ik hoe ik het noemen moest. Het was geen ziekte, omdat het uit mijzelf naar boven kwam. Als overgevoeligheid was het gevoelig voor bijna alles: chocola, aardappelschilfers, stijfsel, suiker, bakvet, opwinding, droogte, duisternis, druk, afsluiting, het gematigde klimaat – kortom, overgevoeligheid voor het leven zelf.

Het kind bewaart zijn afwijking als een geheim. Hij twijfelt of hij het zijn schoolvrien- din zal zeggen maar, opvallend genoeg, is hij zich ook bewust van de macht die ziekte met zich mee kan brengen, als hij zich afvraagt: “Zal hij, door de knechtschap van het medelijden, haar tot zijn slaaf maken? Kan hij zich, zo jong al, een slaaf veroorloven?” Hij voelt zich als een beeld van Michelangelo dat zich niet volledig uit het marmer wist los te maken. En hij verheelt niet dat de ziekte hem ook genot verschaft. “Men moet het verrukkelijke gevoel van een grote schilfer die meegeeft en onder de aanhoudende druk van een nagel loslaat ervaren hebben om het te vergeven.”

Ondertussen droomt Peter Caldwell weg bij de muziek uit de radio: “In die dagen sleepte de radio mij mee naar mijn toekomst, waarin ik groot en machtig was: mijn kas- ten waren vol mooie kleren en mijn huid zo glad als melk terwijl ik, omringd door rijk- dom en beroemdheid, schilderijen schilderde, zo hemels en verstild als die van Ver- meer.” Peter Caldwell voelt zich vervloekt (“En daarom was ik wat mijn psoriasis betreft tot deze slotsom gekomen: het was een vloek. God had om van mij een man te maken mij gezegend met een steeds weerkerende vloek die opleefde met Zijn seizoe- nen”) en dientengevolge bidt hij (“Lieve God, vergeef mij, vergeef mij, zegen mijn vader, mijn moeder en mijn grootvader, en laat mij nu slapen”).

Journal of a leper

Behalve deze roman wijdde Updike de novelle From the journal of a leper aan psoria- sis (Updike 1980). Dit is het dagboek van een naamloze keramist, wiens lichaam voor 70 procent bedekt is met psoriasisplaques. Het dagboek begint bij de aanvang van een PUVA-behandeling. In het drie maanden durende genezingsproces verloopt een op- vallend tegenovergesteld proces. Uitgangspunt is het erotisch profiel van de psoriasis- patiënt: “Lusty, though we are loathsome to love.” Aanvankelijk beziet hij vrouwen met begeerte; hij bemint zijn vrouw, verlangt zich te verbergen tussen de borsten van een serveerster, geilt op de verpleegster met het pezige lijf van een poema en droomt van een medepatiënte. Maar naarmate zijn huid schoner wordt, neemt de belangstelling voor vrouwen af: de serveerster is een onopvallende vrouw en de passie voor zijn echt- genote dooft steeds meer, tot impotentie toe. Dat is het moment suprème: wanneer hij met een gave huid naast zijn vrouw ligt, ontdekt hij oneffenheden en puistjes op haar voorheen zo gaaf lijkende huid. Maar waar zij hem de voorgaande jaren bleef bemin- nen (’s ochtends veegt ze behoedzaam zijn schilfers van haar lichaam), kan hij dat nu niet meer opbrengen. Hij beseft zijn schuld.

Ada

Waar Updike maar liefst twee keer uitvoerig verhaalt over psoriasis, besteedt Nabokov welgeteld één pagina aan de ziekte, in de roman Ada (Nabokov 1992). Hij schrijft over “een spectaculaire huidziekte die kortelings door een beroemde Amerikaanse schrijver was geportretteerd (…) en op oerkomische wijze was beschreven door een lotgenoot, essayist bij een Londens weekblad.” Met deze beroemde schrijver verwijst Nabokov naar Updike’s The centaur; wie de essayist is, kon ook de Vladimir Nabokov Society mij desgevraagd niet meedelen. De twee psoriasispatiënten in Ada wisselen briefjes uit met tips: kwik of Höhensonne zou wonderen doen. Andere adviezen komen uit een eendelige encyclopedie en behelzen ten minste tweemaal per maand een warm bad te nemen en specerijen te mijden. Een bevriend arts omschrijft hen als “ongevaarlijke psoriatici, helrood uitgeslagen, zilver-geschubde, geel-gekorste stakkers”. De verteller is minder pathetisch en spreekt van “zachtmoedige martelaars”.

Elders in de roman is hooguit een enkele associatie met psoriasis te vinden, wan- neer Van, de mannelijke hoofdpersoon, zijn geliefde Ada ziet terugkomen “gelukkig zonder het smeersel”. Ook de zin “Hij bleef staan in de kille zon tot hij zijn huid onder zijn jas voelde veranderen in de onderbuikschubben van een gordeldier” lijkt een ver- wijzing naar psoriasis. Veel concreets is er bij Nabokov niet terug te vinden, maar een hartstochtelijk Nabokov-lezer als John Updike “voelt” dat de roman Glorie geschreven “moet zijn door een psoriaticus”, zo schreef hij mij [18 april 1996], waar ik eenzelfde gevoel heb bij de roman Look at the Harlequins!, als de door de zon verbrande huid van de hoofdpersoon weldadig het smeersel ondergaat, aangebracht door een milde vrouwenhand.

The singing detective

De televisieserie The singing detective – op basis van een scenario van Dennis Potter (Potter 1986, Potter 1987) – heeft een grote impact gehad; patiënten noemen hem een belangrijke informatiebron (Lanigan 1991) en artsen bevelen hem zelfs als zodanig aan (Bennett 1991). Hoofdpersoon Philip Marlow is een detectiveschrijver die niet meer schrijft en wiens boeken niet meer herdrukt worden. Marlow is met een ernstige arthri- tis psoriatica opgenomen (“Je verliest hier al je franje”). Potter introduceert Marlow als volgt: “Marlow kijkt dreigend, nors en in zichzelf gekeerd.” Zijn medicamenteuze anamnese is indrukwekkend: koolteer, prednison, corticosteroïden, hydrocortison- injecties in de grote gewrichten, en methotrexaat, na een positieve leverbiopsie. Dit alles in een cocktail met barbituraten, antidepressiva, valium en librium. Zijn gezicht is zwaar gehavend en oogt alsof er kokende olie overheen is gegooid; zijn huid ziet er gebarsten, schurftig, schilferig, opgezwollen, scharlakenrood en sneeuwwit uit. Hij vergaat van de pijn. Zijn ex-vrouw walgt van hem, want het lijken wel brandwonden. Het komt haar op ware scheldkanonnades van zijn kant te staan.

Zijn toestand is ernstig, zijn lichaamstemperatuur is zo hoog, dat hij gaat hallucine- ren, waarbij de grens tussen fictie en realiteit vervaagt. En in die visioenen gaat hij soms terug naar zijn kinderjaren, dan weer herleeft in zijn fantasie een van zijn boeken waarin hij zelf de hoofdrol als zingende detective vertolkt – een entertainer die toepas- selijke songs als Dry bones en I’ve got you under my skin zingt. Het eerste lied wordt in de hallucinatie zelfs door artsen en verpleegsters meegezongen en gedanst. Het zijn allemaal liedjes die Marlow zich uit zijn kinderjaren herinnert, songs van de radio uit de ouderlijke woonkamer die hij, zittend boven aan de trap, wellustig in zich opnam. Het is ook in de kinderjaren dat hij zich vervloekt voelt en zich, gezeten in zijn ver- trouwde schuilplaats, de kruin van een hoge boom, tot God wendt: “Luister, God. Ik beloof U nooit meer stout te zijn als U me vergeeft. Ik blijf brandschoon, ik zal nooit meer zondigen.” In The singing detective is de relatie tussen heden en verleden, tussen volwassene en kind voortdurend en zichtbaar aanwezig (Klaasman 1979).

Marlow, verzonken in zijn schurftige ik, is niet erg mededeelzaam of behulpzaam. Dit leidt tot heftige confrontaties met de behandelaars. Tijdens het visitelopen wordt nauwelijks naar hem geluisterd tot het hem te gortig wordt: “De laatste keer dat ik zo iets extreems ervaren heb, was in m’n verdomde kinderwagen. Je werd besnuffeld door kwijlende mafkezen (…) die uit het plaatselijke gesticht ontsnapt leken te zijn. Ze dach- ten dat ze dokter of verpleegster waren.” En elders: “Hoe komt ‘t dat als je ziek wordt de hele medische stand voetstoots aanneemt dat je ook gek bent geworden.” Ook de verpleging moet het ontgelden (“Weet je hoe vaak je op school moet blijven zitten om verpleegster te kunnen worden?”), met uitzondering van de mooie en, haars ondanks, sensuele zuster Mills. Zij is het die hem met zalf (“halen ze in de garage”) moet insme- ren, een vies stinkend goedje waarin Marlow zich een kanaalzwemmer waant. En de langs zijn penis wrijvende handen van zuster Mills missen hun erotische werking niet, hoe verbeten Marlow ook zijn gedachten op vervelende dingen wil richten (een toe- spraak van Ted Heath, een lange zin van Bernard Levin, een mannenkoor uit Wales, Finnegans Wake, de lonen in Peru, iedere verdomde Ier en een speciale loterij van Het Beste), het lukt hem niet een erectie te vermijden. Marlow schaamt zich, ook voor zijn uiterlijk: zijn misvormde, omgekrulde, kromme, verminkte, arthritische handen kan hij nauwelijks bewegen. Zijn pyjama zit vol zalfplekken, zijn lichaam is stijf van de pijn. Hij is een gevangene van zijn eigen vel en botten.

Het is uiteindelijk de psycholoog die de façade slecht. “Een chronische ziekte kan een uitzonderlijk goede toevlucht zijn”, zo wordt Marlow voorgehouden. Het is een grot in de rotsen om in weg te kruipen. Het is een schuilplaats van dezelfde orde als de hoge boom waarin de jonge Philip zich verstopte om de wereld te bespieden. Marlows ex-vrouw verwoordt het anders: hij gebruikt zijn ziekte als wapen tegen andere mensen en als excuus om aan ieder menselijk contact te ontkomen.

Potter gaf The singing detective de vorm van een detective-verhaal, maar dan wel een crime-story vol aanwijzingen over de auteur zelf “(…) so that you’ve got this super- fluity of clues, which is what we all have, and very few solutions – maybe no solution – but the very act of garnering the clues and the very act of remembering, not merely an event but how that event has lodged in you and how that event has affected the way you see things (…).” Als thema benoemt hij “the way we can protect that sovereignty that we have”, een nog kostbaarder bezit dan taal (Potter 1994). In dit scenario mengde hij verschillende conventies: die van het detective-verhaal, muziek en de autobiografie om ze naast elkaar, bij elkaar, bestaansrecht te geven als parallelle levens. Want de zoektocht naar de zin van het leven, via al deze conventies, is – beweert Potter – een metafoor voor de wijze waarop de mens leeft.

Fictie van niet-patiënten

Genoeg gezegd over het werk van auteurs die zelf psoriasis hebben. Er zijn nog enke- le schrijvers die psoriasis in hun fictie hebben gebruikt, onder andere Jacques Hame- link, Christoph Ransmayr, Ovidius Naso, R.A. Basart, Connie Palmen en Simon Vestdijk.

Indianenverhalen

Ook in de niet-christelijke cultuur komen natuurlijk huidproblemen voor, zoals in Indiaanse mythen en sagen. Een fraai voorbeeld is uitgewerkt door H.C. Ten Berge (Ten Berge 1990). Het verhaal Mijn naam is schurft opent als volgt: “De clan van de Dondervogel telde vele kinderen. Een van hen, Schurft-Lijf, had huidschilfers en uit- slag over zijn hele lichaam.” Prompt daarop volgt een bijzondere uitsluiting van de gemeenschap, in die zin dat niet de verstotene vertrekt doch de rest:

Zijn vader was weinig in zijn schik met zo’n schurftige jongen. Hij riep zijn stamgenoten bij elkaar om over deze aangelegenheid te spreken. Ze verzamelden zich allemaal in zijn huis, de vrouwen en kinderen inbegrepen. De man was bij met hun komst en begroette iedereen met woorden van dank. “Weest welkom”, zei hij. “Het verdient een pluim dat u zo snel bent gekomen. Want het zou er kwalijk uitzien, indien u net als mijn zoon zou worden aangestoken door de ziekte die zijn lichaam in haar greep heeft. Hij is van top tot teen bedekt met schurft; het ziet er bedenkelijk uit. Daarom stel ik voor dat we hem hier achterlaten en we allemaal ver wegtrekken met onze vrouwen en kinderen.

Aldus geschiedt. Het kind wordt naakt op de grond gezet en in de steek gelaten. Het kind huilt omdat het zich in de steek gelaten voelt. Het is koud maar met een gloeiend kooltje maakt hij een vuurtje.

Hij krabde zijn jeukende lichaam en zag dat de zweren van zijn huid vielen. Hij krabde zich een tweede keer. Toen begon zijn maag zich te roeren. Het vreemde was dat de maag bleek op te zwellen. En toen hij zich weer krabde, kwam er een hand te voorschijn die zich op zijn buik legde. Hij ontdekte dat de hand terugkroop in zijn maag als hij zich bleef krabben. Daarom bedwong hij de aanvechting om te krabben. De hand kwam prompt weer uit de maag te voorschijn. De knaap beheerste zich en voelde zijn hart groeien zolang hij het gekrab achterwege liet. Ofschoon het moeilijk was en de jeuk soms ondraaglijk, hield hij koppig vol en krabde niet. Terwijl hij oplettend toekeek, kroop de hand steeds verder uit de maag. Hij kon de pols al zien, toen de arm, en plotse- ling sprong er een ventje uit zijn maag. Tegelijkertijd viel er op het lichaam van de jon- gen geen zweer of schilfer meer te bekennen.

Is het Köbner fenomeen ooit treffender verbeeld? Het kereltje uit zijn maag bekent schuld te hebben aan zijn huidaandoening. “Ik heb je een schurftige huid bezorgd, omdat ik in jouw lichaam zat. Nu ben je weer in orde. Je zult die ziekte nooit meer krij- gen, want ik heb je maag voorgoed verlaten.” Het ventje wil de naam ‘schurft’ dragen en zijn vader staat dat toe. Het blijkt een wonderkind die metamorfoses bewerkstelligt: hij gaat vissen, strooit sparrennaalden in het water die vervolgens transformeren tot ‘kisutch-zalm’, ‘keta-zalm’, ‘lente-zalm’, ‘blauwrug-zalm’ en ‘bultrug-zalm’. Het einde van ‘schurft’ lijkt op dat van Icarus. Op weg naar de zon klampt hij zich vast aan de schouders van zijn vrouw. Loslaten mag niet. Hij doet het toch en stort ter aarde.

De Wetten

In De Wetten, de debuutroman van Connie Palmen filosofeert de hoofdpersoon Marie Deniet veel over huidziekten (Palmen 1991). Als zij in het slothoofdstuk haar ware liefde gevonden lijkt te hebben, kijkt ze naar hem – een kunstenaar overigens – als hij slaapt:

De rode vlekken op zijn handen had ik die nacht ook op andere plaatsen op zijn lichaam aangetroffen.
“Psoriasis?” had ik gevraagd.
“Ja.”
“Kenmerk van tweeslachtige hyperindividualisten,” had ik gezegd.
“Zal wel,” zei hij.
Zijn gezicht was glad, hij had minder rimpels dan ik. De ouderdom had zich verscholen, ergens achter zijn oor, in de buurt van de zachte lellen, verborgen voor wie daar niets te zoeken had.
Ik zocht overal. Ik wou op iedere plek belanden.
Nadat hij ontwaakt was kookte ik een ei voor hem en wenste hem een vrolijke Pasen. De rest van mijn leven was begonnen.
Ik wist nog niet dat Lázslo gelijk kreeg en ik er inderdaad zo een ben die ziek wordt van de liefde.

Interessant is ook lezing van Palmen waarin zij tot een verrassende vergelijking komt tussen schrijver en arts – psychiater om precies te zijn (Palmen 1994). Het primaat ligt bij de taal, stelt ze, maar het nare van taal is dat ze interpretatie behoeft:

Alleen dankzij dit kader van het verhaal kunt u de patiënt plaatsen als een personage, van wie de handelingen samenhang vertonen en logisch worden. Daarmee toont u zich schat- plichtig aan de eisen die de wetten van de literatuur stellen aan de schrijver.

En zij vervolgt haar betoog als volgt:

Het blootleggen van de logica van het eigen levensverhaal is misschien wel de enige manier waarop mensen betekenis kunnen geven aan hun bestaan. Het is onmogelijk om een zin te verlenen aan afzonderlijke gebeurtenissen, aan loshangende feiten die met geen ander feit verbonden kunnen worden. Betekenis en zin ontstaan pas door het leggen van verbindingen, door verhoudingen, door zinnen.

Kortom: zin is er niet, zin moet je geven. Ieder levensverhaal, elke medische casus, is een constructie en is daarmee vergelijkbaar met een roman, met fictieve elementen. Opnieuw Connie Palmen: “Alle fictie is een constructie van de ziel, van ons denken, ervaren, beleven, van onze psyche, en alle fictie wordt uit nood geboren. En omge- keerd. Onze ziel, onze persoonlijkheid, ons denken en beleven is tot op zekere hoogte het resultaat van fictionele constructies, zowel van wat we er zelf van maken als van de verhalen die anderen over ons en over de wereld vertellen.”

Palmen erkent dat levensverhalen weliswaar uniek zijn maar dat de wetten die eraan ten grondslag liggen, en dankzij welke mensen in staat zijn verhalen te begrijpen en te duiden, dat niet zijn. Een arts bevindt zich in een situatie waarin personen hun unieke lot ontvouwen aan de hand van algemene, voor iedereen geldende wetten. Dit voert haar naar de volgende vergelijking tussen de arts en de schrijver: “Ik meen dat u, evenmin als ik, in uw beroep voornamelijk te maken hebt met de realiteit, maar dat u zich ook verhoudt tot fictie, tot verhalen, tot personages.” Er is dus een overeenkomst. Maar de professionele afstandelijkheid van de arts is een probleem, omdat deze zich als persoon bereikbaar opstelt, maar daarentegen de eigen psyche ontoegankelijk ver- klaart voor patiënten. In deze laatste constatering ziet ze trouwens een duidelijke tegenstelling tussen arts en schrijver: “U heelt zielen van anderen, u bent als persoon (lichaam) toegankelijk en u houdt uw eigen ziel (fictie) verborgen. Ik maak mijn ziel (fictie) publiek en houdt mij als persoon (lichaam) verborgen.”

Hoofd in ontbinding

In De huidaandoening van Jacques Hamelink merkt de hoofdpersoon dat hij die nacht uiterlijk veranderd is (Hamelink 1977): “Zijn hele gelaatsoppervlakte was opgezet, uit- gedijd. Zijn poriën waren tot ronde kratertjes opgerekt. De huid voelde strak aan als een gipsmasker. Toen hij zich de ogen uitwreef, kwamen er uit de hoeken grove korrels los die op brokjes krijt leken.” Hij schrikt niet van deze metamorfose (het verhaal lijkt nog in meer opzichten op Die Verwandlung van Franz Kafka). Ik ben melaats, wit als de sneeuw, denkt hij nuchter. Hij ziet een gelijkenis met de maskers van schoonheids- specialistes. In de spiegel kijkend, ontwaart hij zelfs een kunstwerk dat hij noemt: “Hoofd in Ontbinding, Onbekende Meester.” De dokter denkt eerst aan een vorm van eczeem maar moet de volgende dag zijn mening bijstellen, als de hoofdpersoon nauwe- lijks zijn ledematen nog kan bewegen. Het ziekteproces gaat in hetzelfde tempo door (de term psoriasis heeft Hamelink uitsluitend in een interview gebruikt) en de man raakt ingekapseld als in een cocon. Dit omhulsel wordt steeds dikker waardoor almaar minder geluiden tot hem doordringen. Communicatie wordt onmogelijk en hij verstijft snel. Hij wordt tenslotte als een brok kalk naar buiten gegooid. Daar ligt hij, onopval- lend als een steen tussen de heuvels.

Echo

Petrificatie (‘verstening’) is als thema niet nieuw. De Oostenrijker Christoph Ransmayr gebruikt het in zijn roman De laatste wereld (Ransmayr 1989). Een vrouw met de naam Echo beschrijft hij als volgt: “Het regelmatige gezicht van de knielende vrouw (…) was van boven tot onder met schilfers bedekt, met witte vlokken afgestorven huid, alsof ze haar gezicht, haar handen had gedompeld in kalk die nu door de inspanning van haar werk droogde, scheurde en lossprong.” Ze lijdt aan “een kwaal die door geen enkele schemering en door geen stilte te verzachten viel, zij leed aan haar huid, waaraan de bovenste, beschermende laag ontbrak en die daarom zo kwetsbaar was, dat slechts een zonnestraal of een stoffige windvlaag er sporen op achterliet. Zelfs in het milde licht en in de kruidige, droge voorjaarslucht scheurde, brak en schilferde deze huid en sneeuwde de ongelukkige van het lijf.” Soms echter zijn de schilfers weg en is ze van een betoverende schoonheid.

De figuur van Echo ontleende Ransmayr aan Ovidius’ magnum opus Metamorpho- sen (Ovidius 1993). De laatste wereld is een twintigste-eeuwse variant van dit klas- sieke meesterwerk. Bij Ovidius eindigt Echo als volgt: “Door de slapeloze zorgen raakt haar trieste lichaam uitgeteerd, schraalheid doet haar vel verschrompelen, alle levens- sappen ontsnappen aan haar lichaam. Slechts stem en botten blijven over; daarna alleen nog stem: de botten, zegt men, zijn tot steen geworden… Zij is voor iedereen te horen, het is de klank die in haar voortleeft.”

De troostelozen

In De troostelozen, een roman van de Engelsman Kizua Ishiguro (zijn meest bekende roman is verfilmd: The remains of the day), heeft de aan lager wal geraakte dirigent Leo Brodsky – alcoholicus, stadsgek – psoriasis. Hij bekent zijn lustdromen jegens juf- frouw Collins, een voormalige jeugdliefde met wie hij al jarenlang geen woord heeft gewisseld:

En ik, mijn lichaam, kijkt u maar, dat is ook niet zo best meer. Mijn huid, ik heb van die schilfers, die komen almaar los, ik weet niet wat het is. Toen het begon, vorig jaar, had ik het alleen op mijn hoofd. Als ik mijn haar kamde, enorme schilfers, net visschubben, je kon erdoorheen kijken, ze kwamen los. Ik had het alleen op mijn hoofd, maar nu heb ik het overal gekregen, eerst op mijn ellebogen, toen op mijn knieën, nu op mijn borst. Ze ruiken ook naar vis, die schilfers. Nou je, ze zullen blijven loskomen, daar zal ik niets te- gen kunnen doen, dat zal ze moeten accepteren, dus ik zal niet klagen over de lucht van haar poesje, of over dat ze haar dijen niet meer gewoon zonder gekraak kan spreiden, ik zal niet boos worden, u zult mij geen pogingen zien doen om ze met geweld te spreiden, zoals bij iets wat defect is, o nee (Ishiguro 1995).

In zijn seksuele fantasieën droomt hij ervan haar naakt aan matrozen te presenteren. Heeft Brodsky’s psoriasis te maken met de huidziekte van zijn hond? “Maar laten we eerlijk zijn, die hond was een gevaar, zowel voor andere honden als voor mensen. En als meneer Brodsky zijn vacht af en toe eens gekamd had en die huidziekte had laten behandelen waarmee het beest duidelijk al jaren rondliep.”

Laatste glimlach

In een vroeg gedicht schreef de Nederlander R.A. Basart:

Het leven is
traag dalende roos:
een heer verschilfert
in het theelicht
(Basart 1975).

Deze onschuldige metafoor met lichtvoetige ironie bleek ruim een decennium later de opmaat te zijn voor een hallucinerende roman: De laatste glimlach (Basart 1997). De complexe roman is bouwwerk vol dubbele bodems, tjokvol citaten en verwijzingen.

Feit en verzinsel lopen door elkaar heen, voor de hoofdpersoon en voor de lezer. Docent Nederlands Adam Beek is van middelbare leeftijd. Een man met dwangneuro- sen. Hij is grimmig jegens zijn leerlingen, wenst er dandy-achtige uit te zien maar kan dat wel als je psoriasis hebt? “En dan zijn huid… die nu eens denken doet aan sneeuw in het voorjaar, vuil en sponzig; dan weer aan de witte schubben met rode schimmel- plekken van platanen; dan weer aan de gele mossen die je wel op oude grafzerken ziet en die de ingebeitelde letters onzichtbaar maken.” Zijn leerlingen nemen wraak en schrijven met viltstift op een schedel uit het biologielokaal: “Beek. Eindelijk Schurftloos.” Zijn handen zaten “vol rode, glinsterende plekken, raakten aan korsten en harde strengen haar als hij zich het zweet van het voorhoofd wiste.” Na te zijn ont- slagen, gaat hij als redacteur afgewezen literaire manuscripten van commentaar voor- zien. Zo wordt Adam Beek geheel meegezogen een het mijnenveld van citaten, allusies en associaties uit de wereldliteratuur. Alles is immers al eens eerder gezegd. Alles al eens eerder geschreven, en beter. Een authentieke tekst is ondenkbaar, een authentiek gevoel ook, zo lijkt het. Zijn neergang gaat richting Dante’s hel: “Hij staarde zo lang omhoog dat hij de zon zag vonken als ijzer dan gloeiend is gemaakt. Toen kroop hij achter het stuur. Zijn huid jeukte en brandde. Mijn omhulsel is ontredder. Ik ben gesla- gen met boze zweren. Een potscherf moet ik hebben, een potscherf om te schrabben.” In elke patiënt sluimert het verlangen naar een potscherf.

De Victor Slingeland trilogie

Het meest bekende boek in de Nederlandse literatuur rond psoriasis is Het glinste- rend pantser van Simon Vestdijk (Vestdijk 1956) zijnde het eerste deel van de Victor Slingeland trilogie die in de neerlandistiek uitvoerig bestudeerd is (Van der Paardt 1983). Het boek behandelt de moeizame relatie tussen twee mannen, van wie de ver- teller S er één is. De ander, de componist en dirigent Victor Slingeland, draagt gedu- rende het hele boek zijn psoriasis als een geheim met zich mee, een geheim dat hem eindeloos lange boswandelingen doet maken, hem niet doet zwemmen en er de oor- zaak van is dat hij wordt afgekeurd voor militaire dienst (Hawinkels 1980). Hij is on- benaderbaar als kunstenaar én als mens. Schaamte voor zijn lichaam verklaart zowel zijn contactueel onvermogen als zijn reactief kunstenaarschap. Zijn werk als dirigent is het betoveren van mensen en dat maakt hem ongeschikt om zelf betoverd te wor- den. Hij is “een man in pantser”, wiens huid geen raakpunten heeft met de wereld, een man voor wie de liefde onmogelijk is. Wanneer een vrouw hem wil aanraken, scheldt hij haar de huid vol. Het thema van het boek is daarmee de onmogelijkheid om de werkelijkheid en de liefde te verzoenen met het leven van de verbeelding (Gomperts 1981).

Psoriasis is in deze roman een concreet symbool van het emotionele isolement van Victor Slingeland. De ziekte is de graadmeter voor zijn gemoedstoestand: hoe erger zijn psoriasis, des te meer manifesteert hij zich als kunstenaar. En dit scheppen gaat weer gepaard met de tol van een depressie (Fenoulhet 1981). Zijn enige redding is een schijnwereld: de kunst (Fens 1982). Dat de duiding van deze symboliek geen sinecure is, blijkt overigens uit de bepaald opmerkelijke beeldspraak die de criticus Brandt in dit verband hanteert: “Hoewel psoriasis geen kanker is, kan het wel ontaarden in een ver- kankering van de geest” (Brandt 1983).

De verteller S heeft een wat ambivalente relatie met Slingeland in zijn behoefte aan bewondering en zijn aandrang zich met hem te vereenzelvigen. Deze mogelijkheid tot identificatie geeft Vestdijk fraai weer in zijn beschrijving van een stenen beeld in een bospark, voorstellende een Griekse krijger die zijn gewonde makker wegsleept (De Boer 1982). Het beeld is zwanger van betekenis: “je kunt nog net ontwaren, dat het demonische erlangs geglipt is, een schaduw, een echo is blijven beklijven” (Van Schaik-Willing 1971/1972). Vestdijk suggereert in zijn beschrijving dat het beeld- houwwerk de relatie tussen S en Slingeland symboliseert, een allusie die nog aan diepte wint wanneer wij begrijpen dat de gesneuvelde Griek Patroklos voorstelt, de held die stierf in het harnas (!) van zijn boezemvriend Achilles (Fens 1972). Het boek vindt zijn apotheose in de onthulling van het psoriasis-geheim aan het slot:

Hij was het, en hij was geheel naakt. Een lendendoek, meer niet; en boven die lenden- doek en eronder was de huid niet zoals huid moet zijn bij de mens, en ook de armen, vooral aan de achterkant, bij de ellebogen, waren niet zoals men zich gewend is mense- lijke armen voor te stellen. Het waren ronde of zich spiraalsgewijs uitbreidende vlekken, rood, hier en daar bloedend wellicht, zich verenigend, zich van elkaar scheidend als de nevelvlekken bij de geboorte van een gruwelijk heelal: vlammen zonder zin of grond; en ook het licht was er, dat er zijn moest bij zulk een schepping uit niets: niet duidelijk, niet overtuigend, meer in kleine kernen hier en daar, witte punten, schilfers, glinsterend, nu ja, zo was het wel, al was het maar nietig en verspreid: glinsterend in dat melkwitte schijnsel van de lamp in het midden van de zoldering. Nu liep hij daaronderdoor, en het geglinster scheen toe te nemen op dit sterke, gespierde lichaam, het was erger, ondraag- lijker dan al dat rood, of dan die resten van zalf of wat het mocht zijn, die als violette of bruingele vegen achtergebleven waren bij de reiniging, ontzwachteling, waaraan hij zich in de badkamer had onderworpen. Nu was het geglinster weer verdwenen, het was maar een flits geweest, een efflorescentie van licht, zo goed als een zinsbegoocheling.

De aanblik van de huidziekte bij zijn jeugdvriend ontroert de verteller tot tranens toe, net als vele uitvoeringen van de dirigent Slingeland dat eerder deden. In de slotregel blikt de verteller terug: “ – ja in de jeugd zijn de dingen het ergste, daar duren zij het langst, tot heel veel later toe, als ze niet verminderd zullen zijn in zwaarte en verdriet en schaamte en medelijden.” In een essay betoogt Vestdijk dat “het heel goed mogelijk is, dat ziekte niet zozeer een stoornis als wel een overdrijving van normale levensproces- sen is” (Vestdijk 1977). Dit idee is met grote kracht uitgewerkt in Het glinsterend pant- ser. Het gegeven dat psoriasis een overdadige en versnelde aanmaak van huidcellen is, geeft deze uitspraak een navrante kleuring. Als terzijde meld ik hier nog dat een jeugd- vriendin van Vestdijk beweerde dat de auteur zelf psoriasispatiënt zou zijn, maar zij is de enige die dat beweert (Brandt Corstius 1996).

Open Boek en De arme Heinrich

Het vervolg heette Open boek met dezelfde hoofdpersonen (Vestdijk 1957). De ope- ningshoofdstukken zijn een vervolg op de onthullingsscène van Het glinsterend pant- ser. De verteller S die getuige was van de metamorfose, zit verbijsterd tegenover Slingeland en overdenkt:

(…) en de vrienden van Job bleven vermoedelijk alleen maar bij zijn mesthoop praten, omdat ze geen geschoolde acteurs waren; ze wisten met hun figuur geen raad, telkens weer namen ze een afscheid waar geen eind aan kwam, en dat waren dan die gesprekken.

Hij durft niet goed te vertrekken, onder het uiten van een gratuite opmerking als ‘nu ga ik maar’ of iets dergelijks.

Ik had veel te veel van hem gezien. Ik had hem aanschouwd in de jammerlijkste aller ont- blotingen, waarbij men alleen nog maar de keus heeft tussen hard weglopen en vergaan van snotterend medelijden. Ik was méer dan een getuige, ik was bijna een schuldige.

Slingeland legt een relatie met zijn functie als dirigent wiens huid een porseleinachtige gladheid moest vertonen: “Maar ik sta altijd voor die mensen te kijk, vergeet dat niet. Met een rok aan mijn lijf, en ze hebben geen X-stralen in hun ogen, maar je voelt het…” En vervolgens met zijn normale menselijke bestaan:

Het vervelende is niet dat ik denk dat iedereen het zien kan, maar dat ik altijd op moet passen, met dassen werken, en truien met lange mouwen, en met baden en zo. Ik ben geen verbitterde figuur, denk dat niet, maar het laat me toch nooit met rust.

Niemand heeft het tot op heden ontdekt. Het zou anders allang in de kranten hebben gestaan, schampert Slingeland, en dan niet als psoriasis maar als lepra of schurft. S heeft goed door dat het niet zozeer zijn ziekte is, die Slingeland parten speelt, niet de stigmata op zijn welbetaalde huid maar dat er een dasein-probleem speelt, in het besef van “een flauwe jeuk door de wrijving van schijn en wezen”. Hoe verwerkt Slingeland in het algemeen het niveauverschil tussen wat hij zei en wij hij was. Pas veel later valt het S op dat Slingeland niet altijd een dienaar van zijn orkest of de kunst is en dat de rol van dirigent “óok maar een dierbare fictie” is.

In latere ontmoetingen zal Slingeland zijn onthulling en de daarop volgende gedach- tewisseling als ‘theatraal’ afdoen en een verband leggen met depressief gevoel. Ooit sprak hij hierover met een psychiater die niets van de ‘soriasis’ wist. De analyse richtte zich op zijn relatie met vrouwen waarop S eindelijk de vraag durft te stellen of Slinge- land ooit echt van een vrouw gehouden heeft. Maar “terwijl die vraag nog bezig was haar echo’s uit te zenden naar de snaren van zijn vleugel” maar de normaliter zalvende en grootscheeps distantiërende stem geeft geen antwoord. De oude Slingeland be- schouwt zijn ziekte nu, volgens “zijn solide en kwaadaardige logica” als een persoonlijk affront, een familieverraad. Hij nam zijn medicatie weliswaar trouw, maar niet zonder “woest gegrom en haat in het oog.” Spreken hierover deed hij nauwelijks, maar voor S is duidelijk dat “door de bloeddorstige jungle van zijn jeugd engelengestalten” hadden gezweefd die zonder uitzondering met muziek te maken hadden. En nu, ouder zijnde, had hij met zijn huidziekte compromissen gesloten. Aanvankelijk had de ziekte hem voorbereid tot een zekere ontzegging, die hem geen moeite kostte. Later wist hij hoever hij kon gaan, “naar gelang van zijn bekendheid ter plaatse, het beschavingspeil van de minnares, haar relaties, haar discretie, haar vermoedelijke esthetische en hygiënische zin, en zo meer.” En natuurlijk is er de muziek, die erlöst, zoals Wagner.

In het tweede deel van Open boek zet S nog eens alles op een rij. Hij voelt zich niet alleen een mede-schuldige, maar ook een medeplichtige. Impliciet voelt het alsof hij een verplichting op zich had geladen hem de “grote liefde” te bezorgen, die het schelden onmogelijk zou maken en al het vroegere schelden zou uitwissen. Maar of hij werkelijk zo diep onder zijn kwaal gebukt als zij aanvankelijk meende, betwijfelt hij nu ook:

Voor hemzelf stond de psoriasis allang op éen lijn met een wat groot uitgevallen moeder- vlek, die men tenslotte óok liever niet aan anderen toont. De kwaal was een onderdeel van zijn leven geworden, niet innig gekoesterd misschien, niet begroet als adelbrief van het lijden of merkteken der vervloekten, maar simpelweg aanvaard als iets dat er nu een- maal bijhoorde. Daarbij het dan nog zijn paspoort, zijn alibi, zijn vrijgeleide in het land der vrouwen. Het verschafte hem onschatbare voordelen als kunstenaar. (…) De moge- lijkheid bestond, dat Victor’s huidziekte niets te maken had met het schelden, niets met zijn vader, niets met zijn kunstenaarschap, niets met zijn celibaat, niets met zijn hele innerlijk, noch als oorzaak noch als gevolg, en dat er tussen dat alleen maar een nuttig ar- rangement tot stand was gekomen. Wat niet wegnam, dat ook het tegendeel waar kon zijn, – en dat hij onnoemlijk veel had geleden. Wie paste beide helften in elkaar?

Die dualiteit komt later nog terug:

Maar tenslotte hing alles af van zijn gevoeligheid voor een openbaarmaking van zijn kwaal. Die gevoeligheid kon groot zijn, gering zijn, nu eens groot dan weer gering, en zelfs tegelijk groot en gering, het had niet de minste zin dit te willen schatten.

In Open boek zijn de dagboekaantekeningen van Stan Vastenou opgenomen, de voorma- lige vriendin van Slingeland die later zelfmoord pleegde. Vestdijk creëerde op die manier de mogelijkheid voor een andere invalshoek op psoriasis. Vastenou was volledig op de hoogte van zijn ziekte. Zo staat er de kreet “syfilis” met een vraagteken erachter. Ze is, zoals ze zelf beweert “een trouwe ziel, – een trouw hart, – trouw lichaam”:

Victor, heb ik gedacht, zal mij niet zo gemakkelijk opgeven, omdat ik geen afkeer van zijn ziekte heb. Hij weet helemaal niet hoe andere vrouwen daarover denken; ik ben voor hem de eerste, en dus moet hij mij hoeden als een soort verpleegster, waarvan er maar éen op de wereld is. Tenminste geen noemenswaardige afkeer, ik merk daar eigenlijk alleen wat van, wanneer ik boos op hem ben en een voorwendsel zoek om nog bozer te worden of boos te kunnen blijven. De hele liefde heeft al zoiets klinisch (…). Een huid- aandoening kan daar best bij. Ik weet nu ook de naam, en ik geloof wel dat hij het zich nogal aantrekt. Maar echte schaamte tegenover mij heb ik toch werkelijk nooit van hem gemerkt; daar kan ik blij om zijn, en ik kan er evengoed om huilen. Het is mogelijk, dat hij altijd zo vlug ‘afwerkt’, omdat hij zich tóch schaamt, en zich dan ook nog voor zijn schaamte schaamt.
(…)
Toch is hij niet ongevoelig, en hij laat natuurlijk ook alleen maar van zichzelf zien wat hij kwijt wil. Dat hij die huidziekte erg vindt, weet ik nu; maar hoe lang heeft dat niet geduurd? En verder zwijgen maar, niet aanroeren.
(…)
Waar hij het heeft, op zijn huid, daarmee komt hij nooit tegen me aan, maar dat is niet om mij te ontzien, en ook niet uit schaamte, maar gewoon uit zelfzucht: hij gunt mij zijn huid niet, daar heb ik niets mee nodig.

Open boek bevat al een verwijzing naar de legende van de arme Heinrich, een ridder die melaats was en door een meisje gered werd. ‘Heinrich’ is de centrale metafoor in het derde deel van de Victor Slingeland trilogie, De arme Heinrich, in combinatie met het motief schaamte:

Wie zich schaamt, in een onmogelijke situatie, kan maar beter openlijk de houding aan- nemen van de verraste oevernimf met de hand voor de schaamstreek, dat is tenminste eer- lijk en consequent, en men wordt dan meestal verder ook wel ontzien (Vestdijk 1958).

Kleinoden en varia

Zojuist heb ik romans en novellen aangehaald waarin psoriasis als belangrijk motief en meestal zelfs als thema aan de orde komt. Maar er zijn ook enkele kleinere vindplaat- sen, curiosa, grappen en boutades die het waard zijn – kort – te vermelden.

In de grote romancyclus Het bureau van J.J. Voskuil treedt – in het eerste deel – de heer Veerman op: “zijn huid was geschilferd” en hij is uitgerust met “dat grote, rode, geschilferde hoofd”. Veerman eindigt jong: hij wordt door zijn hospita dood op het toi- let gevonden. Veerman is niet de enige patiënt, want ook meneer Beerta – hoofdper- soon van het eerste deel van de romancyclus – is patiënt (Voskuil 1996). Veel van Beerta’s charme is wellicht te danken aan zijn psoriasis.

Niet onvermeld mag Nescio blijven die in Dichtertje niemand minder dan god beschrijft als iemand met “schilfers op zijn kraag” (Nescio 1996) God heeft dus roos en dat betekent dat hij op latere leeftijd kans heeft op het krijgen van psoriasis. En hoe oud kunnen goden wel niet worden….

Bij wijze van curiosum wijs ik ook op het lied Psoriásis, psoriásis, dat is raar van de cabaretgroep Don Quishocking, waarbij de zangers aan het eind van het lied in de handen klappen en de huidcellen als stofwolken opdwarrelen.

Machismo is de psoriasis patiënt in de regel vreemd. Kwetsbaarheid – al heeft die in eerste instantie betrekking op de huid – strookt niet met het haantjesgedrag van de versierder of de amant. In die zin is ook de volgende opmerking uit een column van cabaretier Youp van ‘t Hek te duiden: “Dat Sanex is een ziekenhuisgoedje, associeer je met lysolgeur, doorliggende dementen en schilferende psoriasislijders. Wees nou eer- lijk: welke echte vent verzorgt nou zijn huid?” (Van ’t Hek 1998).

Nog absurder verhaalt Hans Dorrestijn in een van zijn fictieve radio-nieuwsberich- ten over een huidzieke jonge patiënt:

SCHAGEN [Noord-Holland] – Bij haar bezoek aan Schagen onlangs op koninginnedag heeft koningin Beatrix een jongetje met een ernstige huidziekte aangeraakt. De bewo- ners hadden uit voorzorg het ventje achteraf opgesteld, zijn hoofd en armen geheel omwikkeld met verband. Kennelijk oefende dit een enorme aantrekkingskracht op de koningin uit, want ondanks waarschuwingen drong zij door de menigte om de patiënt aan te halen. De historicus professor Geylbaard noemde Hare Majesteit in dit opzicht erfelijk belast. Generaties vorsten gaan graag op bezoek in ziekenhuizen en vooral veld- lazarets of -retten om gewonde soldaten te bezichtigen en met behoud van de wedde moed in te spreken. Het jongetje, de 12-jarige Basje van A., is door de KOD, de Kinder Opruimings Dienst, in het heropvoedingskamp Amersfoort geplaatst. Het had volgens de instructies hard weg moeten lopen voor de koningin. In plaats daarvan liet Basje zich gewillig aaien. Majesteit Beatrix wilde geen commentaar geven op de huidschilfers die in haar eenvoudige groene mantelpakje van koninginnedag zijn achtergebleven. Op de ziekte van de koningin gaat het DPA op verzoek van de telefoniste van de VPRO niet in, want zij brandt al tijdens de uitzending van dit bericht gedurig haar poten bij het op- nemen van de telefoon. Met excuses voor het woord poten, maar na een bericht over de koningin kan men toch bezwaarlijk een eenvoudige ongeletterde telefoniste dezelfde lichaamsdelen geven als Hare Majesteit (Dorrestijn 1986).

Ander proza met psoriasis als thema of motief is mij niet bekend. Zelfs John Updike kwam in een brief [19-9-1993] niet verder dan vage tips: J.F. Powers schreef “ergens” een novelle waarin een priester optreedt met een plaque op zijn neus, en in “een” boek van Aldous Huxley zou iemand een psoriasisplaque van de hoofdhuid krabben.

Poëzie

Er lijkt weinig poëzie te zijn geschreven over psoriasis. Ik ken maar één voorbeeld van een gedicht dat geheel gewijd is aan psoriasis. Het is geschreven door de Utrechter Ingmar Heytze. In zijn gedicht “Psoriasis” vergelijkt hij de witte schilfers met een sneeuw die onder de kleren verborgen gaat.

Ik zit gevangen in een huid
die sneeuwt onder mijn kleren.
Zo blijft het altijd winter in mijn onderbuik.
Ik smelt niet meer.

Ik denk aan dode schilfers
op een leren damestas.
Ik denk aan hagedissen
zonder staarten in het gras.
Ik denk een bruine adder
die vervelt tot een karkas

en soms droom ik een feniks
die verrijst uit witte as
(Heytze 1997).

Heytze bekrachtigt in dit gedicht het ‘archetype’ van de psoriasispatiënt als introverte individualist. Een loner die zich opgesloten voelt (“ik zit gevangen in een huid”) en die ook emotioneel gesloten is (“ik smelt niet meer”). Hij voelt zich een amfibie of een rep- tiel wiens huid goed is voor een luxe damestasje. Gelukkig laat Heytze het niet bij dit deerniswekkend beeld van een patiënt vol zelfbeklag. Een psoriasispatiënt heeft niet alleen verzwegen hoop (eenderde van de patiënten geneest immers plotsklaps spon- taan) maar ook grandeur: als een feniks zal hij verrijzen uit zijn sneeuwwitte asla.

Rest mij nog wat poëtische kruimels op te rapen, zoals het beeld van de gepantserde mens in een gedicht van de Pool Zbigniew Herbert:

nogmaals
stelt hij hoogst verbaasd vast
dat er iemand buiten hem bestaat
ondoorgrondelijk
als steen
(…)
met eigen bloed
een vreemde slaap
gepantserd in een eigen huid
(Herbert 1999).

en flarden beeldspraak zoals “de hemel schilfert” (Schouwenaar 1992) en een psoria- sismetafoor voor herfstbladeren:

voor wie wilde
lagen de bladeren als schilfers
van een zieke huid over een terras
(Gellings 1990).

Stakkers zijn psoriasispatiënten, althans in de woorden van de Duitse dichter en essay- ist Hans Magnus Enzensberger:

Uit enquêtes is gebleken dat 56% van alle mensen,
naamloos op hun fitnesstoestellen hurkend,
aan psoriasis lijden
(Enzensberger 2000).

En – tot slot – drie allesverzengende woorden van Lucebert: “misbaksel allemaal schil- fers” (Lucebert 1994).

Beschouwing

Lichaam en geest zijn tweelingbroers. Welke is de invloed van de geest op gezond- heid? Er is meer geest in het lichaam dan de geest beseft. Er zijn drie reactiepatronen: repressie, depressie en suppressie. Bij repressie schenken mensen geen of weinig aan- dacht aan signalen of gevoelens die als reactie op ellendige ervaringen opkomen; er is een duidelijke discrepantie tussen wat ze zeggen te voelen en meetbare lichamelijke reacties. Bij een depressief reactiepatroon gebeurt het tegenovergestelde. Een verdrie- tig gevoel krijgt alle aandacht en gaat daardoor een eigen leven leiden en iemands leven kleuren. Suppressie is een mengvorm: de aandacht die aan reacties wordt be- steed, is flexibel en gedoseerd, ook in de tijd gezien; aandacht voor emoties kunnen worden uitgesteld of tot een bepaalde tijdsduur worden beperkt. De mate waarin suppressie mogelijk is, hangt samen met op elkaar van invloed zijnde factoren, waarin persoonlijkheidsaspecten en de ernst van een gebeurtenis een hoofdrol spelen. Zelf- controle en zelfregulatie zijn hierbij sleutelwoorden.

De arts staat hierbij aan de zijlijn. Maar de arts moet beseffen dat hij onvermijdelijk in het domein terecht is gekomen waar hij eigenlijk niet thuis hoort. Hij is een in- gewijde en vertrouweling die bij het onderzoek van de patiënt moet beseffen dat hij een intieme grens overschrijdt. In de film Wilde aardbeien van Ingmar Bergman blijft de arts-bacterioloog Izak Borg het antwoord schuldig op de vraag: wat is de eerste plicht van de arts? Dit antwoord zou moeten luiden: vergiffenis vragen voor het binnen- dringen van iemands leven (De Visscher 1987/1988).

De rol van psoriasis in de hier behandelde boeken speelt zich af op verschillende niveaus, in uiteenlopende betekenislagen. Ik wil enkele parallellen aanwijzen:

  • eenzaamheid;

  • het verbergen van psoriasis;

  • dromen en hallucinaties;

  • relationele en seksuele problemen;

  • de rol van muziek;

  • metamorfose van psoriasis tot kunst;

  • schuld en boete;

  • de rol van het verleden;

  • psoriasis als metafoor voor het creatieve proces.

Verbindende elementen zijn de ook uit de medische literatuur bekende aspecten, zoals pijn, schaamte en de sociale gevolgen, met name eenzaamheid. Niet alleen het sociaal opgelegde isolement speelt een rol, maar evenzeer het zich moedwillig afzon- deren door de patiënt zelf. Dit laatste zien wij in de boswandelingen van Victor Slingeland, Philip Marlow die zich als kind altijd verschuilt in de kruin van een boom in het bos, en de jeugdervaringen van Dennis Potter. Hiermee hangt samen dat psoria- sis soms als geheim bewaard wordt, zoals door Peter Caldwell en Victor Slingeland. Ook wanneer de aandoening niet als ‘geheim’ wordt beschouwd, wordt psoriasis waar mogelijk verborgen, bijvoorbeeld onder de kleding, terwijl zelfs het uitkleden heimelijk geschiedt.

Vanuit die eenzaamheid en een verborgen psoriasis koestert Peter Caldwell zijn dagdromen (schilderen als Vermeer). Dit soort onschuldige dagdromen krijgen voor Adam Beek de vorm van neurosen en zijn in Dennis Potters The singing detective uit- gegroeid en tot ware hallucinaties van de hoofdpersoon Philip Marlow. In die dromen en hallucinaties betreden zij een andere wereld.

Psoriasis leidt tot zeer uiteenlopende reacties, van walging (de ex-vrouw van Marlow), via onverschilligheid (de echtgenote van Updike), tot ontroering (de verteller bij Vest- dijk). Psoriasis kan dus problemen geven in relaties en een zekere angst voor seksuali- teit: de puber Peter Caldwell is aarzelend in het benaderen van een meisje, Updike trouwt de eerste vrouw die zich niet stoort aan zijn uiterlijk, Slingeland scheldt een vrouw die hem wil aanraken de huid vol, Leo Brodsky schrijft ranzige brieven aan een vrouw die hem al jaren niet meer wenst te zien en Marlow stort zijn verbaal vitriool uit over zijn ex-vrouw. En dat terwijl de vrouwen – in de regel – zich niet storen aan de huidziekte: Stan Vastenou schreef dat in haar dagboek. Het treffendst is de ommekeer van de keramist in de novelle van Updike: bevrijd van zijn psoriasis, krijgt hij oog voor de oneffenheden in de huid van zijn echtgenote, waarna het bleke vuur van zijn sek- suele drift dooft. De Italiaanse essayist Guido Ceronetti gaat nog een stap verder. Voor hem zijn rondspattende schilfers onlosmakelijk met liefde verbonden:

De slaapkamers vullen zich met schilfers verzengde huid: het is de liefde die, dagelijks in ontbinding overgaand, ons meedeelt dat weldra de enige opperhuid tegen de opdoe- mende eenzaamheid de herinnering zal zijn. Maar bij hoeveel paren blijven de vloeren schoon en kaal omdat ze nooit een levende liefde gekend hebben waaruit op een dag iets doods op de grond zou kunnen vallen! (Ceronetti 1995).

Het zien van psoriasisplaques laat niemand onberoerd. Niet zonder reden verklaart ver- teller S in de romans van Vestdijk dat hij “de jammerlijkste aller ontblotingen” aan- schouwde waarbij men alleen nog maar de keus heeft tussen “hard weglopen en ver- gaan van snotterend medelijden.” De toeschouwer is meer dan een getuige, hij voelt zich vaak bijna een schuldige of medeplichtige.

Eén van de onverwachte overeenkomsten is de rol die muziek speelt in het leven van Peter Caldwell, de herinnering van Dennis Potter en de hallucinaties die hij Philip Marlow meegaf. Let daarbij tevens op het gegeven dat de psoriasispatiënt bij Vestdijk en Ishiguro een dirigent is. Opmerkelijk is ook de paradoxale combinatie van een mon- sterachtig uiterlijk met kunstzinnige allures (Michelangelo, Jackson Pollock, een Onbekende Meester). Hamelink verwoordde dit dualisme sterk in de vergelijking met een “masker van schoonheidsspecialistes”. Dit kan niet los gezien worden van het feit dat verschillende romanpersonages een kunstzinnig beroep hebben: keramist, schrijver- zanger, kunstenaar, dirigent en componist.

Deze gedaanteverwisseling van ziekte tot kunstwerk loopt natuurlijk parallel met de metamorfose van een normale en schone huid naar het aangetaste lijf van een psori- asispatiënt. Ovidius en Hamelink gaan nog een stap verder. In hun werk speelt een dub- bele metamorfose een rol: eerst van schoonheid naar zieke huid en daarna van aangetaste huid tot steen. Wat na de metamorfosen overblijft, is een afgietsel (Hamelink, Ovidius), een standbeeld of een uitvoering (Vestdijk), en dat zijn vormen van onsterfelijkheid.

Onverklaard blijft de wisselwerking tussen kunst en ziekte – hoe pregnant die ook naar voren treedt. Vestdijk laat zijn verteller de kernvraag verwoorden: is er sprake van een compromis of van een nuttig arrangement tussen kunst en ziekte?

In bijna alle werken is het thema schuld en boete te ontwaren – de lijn van zondeval naar sterfelijkheid. Deze grondtoon sluit aan op wat de bijbelteksten twee millennia geleden al vermeldden en de eerder genoemde vraag “waarom lijdt de onschuldige?” Daarom voelen Peter Caldwell en Philip Marlow zich vervloekt en bidden zij. Ook de bijbelse associatie met melaatsheid speelt nog steeds een rol: Updike waant zich een leproos in zijn autobiografie en hij geeft zijn novelle de titel From the journal of a leper. Adam Beek voelt zich in De laatste glimlach “geslagen door schurft.” Alsof God niet de waanzinnige verkoos om de wijzen met schaamte te bedekken, maar de psoria- sispatiënt (maar “god is een gerucht”, zei Potter). Tekortschieten ten opzichte van het geweten bezorgt een mens schuldgevoel. Niet voldoen aan het ik-ideaal leidt tot schaamte. Schuld is een sterk naar binnen gericht gevoel. Daarbij is schuld de morele emotie par excellence, omdat schuld gebaseerd is op verinnerlijkte sancties bij het individu. Het ontstaat wanneer een sterke spanning bestaat tussen de waarden en stand- aarden van de geïdealiseerde modellen en onze eigen handelingen. Bij schaamte wor- den rechtstreeks andere mensen betrokken en overheersen een externe sancties. Schaamte vereist een publiek. En wanneer het beeld dat een mens van anderen terug- krijgt, niet overeen komt met het zelfbeeld ontstaat schaamte. In die zin is schaamte de erkenning van een nederlaag (Philips 1987/1988).

Zowel in de boven besproken boeken van John Updike en de trilogie van Simon Vest- dijk als in de televisieserie The singing detective van Dennis Potter speelt psoriasis een centrale rol. In alle gevallen is het verleden of de herinnering daaraan overweldigend aanwezig in het leven van de hoofdpersoon. Het lijkt of deze drie auteurs stellen dat men de psoriasispatiënt pas kan begrijpen, als men zijn verleden doorgrondt. In welke mate dit te verwezenlijken is, blijft open, zeker doordat de patiënten in de romans van Potter, Vestdijk en Basart de werkelijkheid niet kunnen of willen scheiden van de even fascinerende werkelijkheid van de herinnering of de kunstzinnige verbeelding. De logische onmogelijkheid de dubieuze realiteit van het heden te paren aan het onomsto- telijke van de herinnering, verdriet hen. Of in de woorden van Vestdijk: er bestaat “Een flauwe jeuk door de wrijving van schijn en wezen.” Beelden, klanken, teksten zijn krachtiger dan de indrukken van de dagelijkse realiteit. Beklemmender ook. “Het leven is slechts een tekst die nog geredigeerd moet worden”, schreef Nabokov in zijn laatste roman Doorzichtige dingen (Nabokov 1994). Een citaat dat als motto kan dienen voor de hele roman van R.A. Basart waarin Adam Beek beseft dat een authentieke tekst (en authentiek gevoel) onhaalbaar is.

De rol van het verleden is trouwens niet alleen bij psoriasis aan de orde, maar lijkt ook een constante te zijn in en rond het werk en leven van andere chronisch zieken. Het is opvallend, stelt Oderwald in zijn literatuurstudie naar egodocumenten van chronisch zieken, hoe vaak op een bepaald moment van de ziekte het verleden van de zieke in een ander daglicht komt te staan (Oderwald 1994). “Om het duidelijker te zeggen: door het naakte ervaringsfeit dat de ziekte zich blijkbaar heeft gemeld om nooit meer weg te gaan, begint de zieke vanuit het feit van de ziekte het verleden te reconstrueren om de breuk te helen. Niet alleen het toekomstige leven, maar ook het reeds geleefde leven komt in het teken van de ziekte te staan.” Wanneer een chronisch ziekte zijn intrede doet, betreedt de patiënt per definitie ook het land van de universele ziekte.

Psoriasis fungeert in de bellettrie als metafoor voor het creatieve proces. Psoriasis is de resultante van de implosie van de kunstenaar (zelfs de puber Peter Caldwell denkt dat de ziekte “uit hemzelf naar boven kwam” als “een overgevoeligheid voor alles”; net zoals het kereltje dat in de vertelling van Ten Berge uit de maag tevoorschijn komt). Niet alleen spelen mythen als motief een rol (Updike verwijst naar de Narcissus- mythe; Ten Berge benut de Icarus-mythe), maar de boeken cultiveren het idee dat de psoriasisplaque de Achilleshiel is van de introverte individualist, de kunstenaar die als een wachter vanuit de ivoren toren van zijn psoriasis de wereld beschouwt. Een wereld, in al zijn menselijke contacten, die hij moeilijk (Marlow en Adam Beek) of nimmer (Slingeland) betreden kan. Zijn redding is een schijnwereld: het gedroomde verleden of de kunst, waarbij het beeld van psoriasis in al zijn associatierijkdom fonkelt in de handen van alle auteurs: associatief en ironisch (Nabokov, Basart), symbolisch en empathisch (Updike), bewogen (Vestdijk), depressief en hallucinerend (Potter), gro- tesk en apocalyptisch (Hamelink en Ransmayr) en mythisch (Ovidius, Ten Berge).

Noot

Frans Meulenberg (frans.meulenberg@woordenwinkel.nl) is tekstschrijver en wetenschaps- journalist. Daarnaast is hij verbonden aan de afdeling Richtlijnontwikkeling en Wetenschaps- beleid van het Nederlands Huisartsen Genootschap in Utrecht. Een prille versie van dit artikel verscheen zeven jaar geleden als ‘Het heimelijke genot van het lostrekken van een schilfer’ (Huisarts en Wetenschap 1994(3): 104-10) terwijl later over de Angelsaksische bronnen een voorstudie verscheen onder de titel ‘The hidden delight of psoriasis’ (British Medical Journal 1997: 1709-1711). Zomer 2001 verschijnt zijn nieuwe essaybundel Formules voor verlangen.

Literatuur

Amis, M. 1993 Visiting Mrs Nabokov and other excursions. New York: Harmony Books. 
Anoniem 1990 Interview met Dennis Potter. VPRO-Gids.
Anstett, R.E. & S.R. Poole 1983 Bibliotherapy: An adjunct to care of patients with problems of living. Journal of Family Practice 17: 845-53.
Basart, R.A. 1975 Oranjebal. Amsterdam: Bert Bakker. 1997 De laatste glimlach. Amsterdam: Querido.
Bennett, P. 1991 Psoriasis – a problem shared. Practitioner 235: 241-46. 
Borges, J.L. 1988 De maker. Amsterdam: De Bezige Bij [vertaling Barber van de Pol].
Boyd, B. 1991 Vladimir Nabokov. The American years. London: Chatto & Windus. 1990 Vladimir Nabokov. The Russian years. London: Chatto & Windus. 1991 Vladimir Nabokov. The American years. London: Chatto & Windus.
Brandt, W. 1983 Het glinsterend pantser. In: R. van der Paardt (red.), Je kunt er toch bij blijven zitten? Een verzameling kritieken op de romans van S. Vestdijk. Amsterdam: De Bezige Bij, pp. 168-72.
Brandt Corstius, H. & M. ’t Hart 1996 Het gebergte – De tweeënvijftig romans van S. Vestdijk. Amsterdam: Nijgh & Van Ditmar / De Bezige Bij.
Bremer, G.J. 1987 Bibliotherapie: Lezen helpt genezen. Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde 131: 2396-99.
Ceronetti, G. 1995 De stilte van het lichaam – Materiaal voor de bestudering van de geneeskunde. Amsterdam: De Bezige Bij [vertaling Wilfried Oranje].
De Boer, P. 1982 Beeld-spraak. Picturale en sculpturale symboliek in de romans van S. Vestdijk. Maatstaf 2: 75-92.
De Visscher, J. 1987/88 Schroom, schaamte en schande. Wijsgerig Perspectief 1: 20-23. 
Dorrestijn, H. 1986 DPA – Dorrestijns Pers Agentschap. Amsterdam: Bert Bakker.
Enzensberger, H.M. 2000 Alles onder controle. De Tweede Ronde: 201-202 [vertaling René Smeets]. 
Farber, E.M. 1991 The language of psoriasis. International Journal Dermatology 30: 295-302.
Fenoulhet, J. 1981 De scheppende elite. Vestdijkkroniek 31: 36-53. 
Fens, K. 1972 Schaduw van een misvatting. InTussentijds. Bilthoven: Ambo: pp. 103-16.
1972 Puriteinen en piraten, filosofen en sluipmoordenaars. InVoetstukken. Een keuze uit de essays 1964-1982. Amsterdam: Querido: pp. 61-75.
Gellings, P. 1990 Het oog van de egel. Amsterdam: De Arbeiderspers.
Gomperts, H.A. 1981 Terug tot Simon Vestdijk. InIntenties 2. Amsterdam: Meulenhoff: pp. 7-76.
Gupta, M.A, A.K. Gupta, C.N. Ellis et al. 1990 Some psychosomatic aspects of psoriasis. Advances in Dermatology 5: 21-32. 
Hamelink, J. 1977 De huidaandoening. InGehandhaafde Verhalen. Amsterdam: Athenaeum-Polak & Van Gennep, pp. 113-149.
Hawinkels, P. 1980 Een eerste onderzoek naar vorm en Vorm in de ‘Symfonie van Victor Slingeland.’ Vestdijkkroniek 28: 2-44.
Herbert, Z. 1999 Verzamelde gedichten. Amsterdam: De Bezige Bij [vertaling Gerard Rasch].
Heytze, I. 1997 De allesvrezer. Utrecht: Kwadraat.
Ingram, J.T. 1954 The significance and management of psoriasis. British Medical Journal II: 823-29. 
Ishiguro, K. 1995 De troostelozen. Amsterdam: Atlas [vertaling B. Kriek].
Jowett, S. & T. Ryan 1984 Skin disease and handicap: an analysis of the impact of skin conditions. Social Science and Medicine 20: 425-429.
Klaasman, R. 1979 Het vergrootglas van Dennis Potter. VPRO-Gids 49: 8-10. 
Lanigan, S.W. & A. Layton 1991 Level of knowledge and information sources used by patients with psoriasis. British Journal of Dermatology 125: 340-42.
Lucebert 1994 Van de maltentige losbol. Amsterdam: De Bezige Bij.
Nabokov, V. 1974 Strong opinions. London: Weidenfeld.
1992 Ada. Een familiekroniek. Amsterdam: De Bezige Bij [vertaling René Kurpershoek]. 
1993 Zuivere kleuren: brieven 1923-1977. Amsterdam: De Arbeiderspers [vertaling Anneke van Huisseling].
1994 Doorzichtige dingen. Amsterdam: De Bezige Bij [vertaling Sjaak Commandeur].
Nescio 1996 Dichtertje. InVerzameld werk. Amsterdam: Nijgh & Van Ditmar / G.A. van Oorschot. 
Oderwald, A. 1994 Lijden tussen de regels. Zoetermeer: Nationale Commissie Chronisch Zieken.
Ovidius Naso 1994 Metamorphosen. Amsterdam: Athenaeum-Polak & Van Gennep [Vertaling M. d’Hane-Scheltema].
Palmen, C. 1991 De wetten. Amsterdam: Prometheus.
1994 Echt contact is niet de bedoeling – Schrijver en psychiater als verhalenmaker. Maandblad Geestelijke Volksgezondheid 12: 1323-33.
Philips, D.L. 1987/88 Spiegelen en idealiseren – Schuld,schaamte en de psychologie van het zelf. Wijsgerig Perspectief 1: 13-20.
Potter, D. 1986 The singing detective. London: Faber & Faber.
1987 De zingende detective. Amsterdam: Bert Bakker [Vertaling John van Bladel]. 1994 Seeing the blossom – Two interviews and a lecture. London: Faber & Faber.
Ramsay, B. & M. O’Reagan 1988 A survey of the social and psychological aspects of psoriasis. British Journal on Der- matology 118: 195-201.
Ransmayr, C. 1989 De laatste wereld. Amsterdam: Bert Bakker [Vertaling Ronald Jonker].
Schouwenaar, M. 1992 De drempel die vertrek is. Amsterdam: Querido.
Steiner, G. 1991 In de burcht van Blauwbaard. Enige aantekeningen voor een herdefiniëring van het begrip cultuur. Amsterdam: Bert Bakker [vertaling Peter Bergsma].
Ten Berge, H.C. 1990 Mijn naam is schurft voorafgegaan door Het verhaal van Asdiwàl. Amsterdam: Meulenhoff.
Updike, J. 1978 Bij wijze van zelfportret. Amsterdam: Meulenhoff [vertaling Willem van Toorn]. 1981 From the journal of a leper. InProblems and other stories. London: Deutsch, pp. 181-97.
1981 De centaur. Amsterdam: Meulenhoff [Vertaling Frans Bijlsma]. 
1989 Self-consciousness – memoirs. London: Deutsch.
Van ’t Hek, Y. 1998 Fax aan Marianne & Gianni. NRC Handelsblad 21-1-1998. 
Van de Kerkhof, P.C.M. 1992 Delen van het ondeelbare. Nijmegen: Katholieke Universiteit Nijmegen [inaugurele rede].
Van der Paardt, R. 1983 Je kunt er toch bij blijven zitten? Een verzameling kritieken op de romans van S. Vestdijk. Amsterdam: De Bezige Bij.
Van der Pauw, A. 1987 Een man gekweld door zijn verleden en lijdend aan psoriasis. VPRO-Gids 14: 3-6. 1989 Dennis Potter: “Ik weerleg de leugen van de happy ending.” VPRO-Gids 39: 3-8.
Van Dorssen, I.E, B.W. Boom & M.H. Hengeveld 1993 Seksualiteitsbeleving bij patiënten met psoriasis en constitutioneel eczeem. Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde 136: 2175-78.
Van Schaik-Willing, J. 1971/72 Het glinsterend pantser van S. Vestdijk. Maatstaf 19: 328-34.
Vestdijk, S. 1958 De arme Heinrich. Amsterdam: De Bezige Bij.
1977 De zieke mens in de romanliteratuur. Amsterdam: De Bezige Bij. 1956 Het glinsterend pantser. Amsterdam: De Bezige Bij.
1957 Open boek. Amsterdam: De Bezige Bij.
Voskuil, J.J. 1996 Het bureau 1: Meneer Beerta. Van Oorschot, Amsterdam.
Wear, D. 1993 Literary images of menopause. Family Medicine 25: 589-92. 
Wittkower, E. 1946 Psychological aspects of psoriasis. Lancet i: 566-9.