De patiënt vertelt, de dokter schrijft, de schrijver deelt

Martin Winckler

Abstract

Deze korte beschouwing gaat over wat schrijven voor mij betekent en hoe dit schrijven verbonden is met mijn werk als arts (en hoe het daarvan verschilt), Net als in het schrijven is in de relatie tussen arts en patiënt de 'waarheid' van de feiten niet van belang. In beide gevallen gaat het in de eerste plaats om de diepte van de gevoelens die je deelt. Enkele fragmenten uit mijn boek De ziekte van Sachs illustreren dit.

Mensen vragen me vaak hoe een arts ertoe komt verhalen te gaan schrijven. Is het niet iets heel anders dan zorg? En loopt de privacy van de patiënten geen gevaar als ik hun verhalen opschrijf? Hoe ‘reëel’ zijn mijn boeken?

Er is geen eenvoudig antwoord op deze zo eenvoudig lijkende vragen. Men begint niet zomaar op een mooie dag te schrijven. Ik schrijf al jaren. Ik begon ermee toen ik nog een kind was. Lang voordat ik arts werd. Ik was toen verslaafd aan boeken. Ik maakte verhalen van de verhalen die ik gelezen had. Sommige maakten meer indruk op me dan andere. Gewoonlijk gingen die over liefde en dood en reizen door de tijd. Gaan al de verhalen van patiënten trouwens niet over deze zelfde onderwerpen?

Mijn oudste herinneringen van schrijven gaan terug tot de tijd dat ik twaalf was. Ik hield toen een dagboek bij. Ik schreef toen ook herinneringen op van dingen die ik gedaan had (bijvoorbeeld van de twee weken die ik doorgebracht had op een Britse high school samen met dertig andere Franse klasgenoten. We waren op vakantie en haalden allerlei kattenkwaad uit. Ik dacht dat het het opschrijven waard was en maakte er een soort epos van). Ik herschreef ook enkele korte verhalen en stripverhalen die ik had gelezen en gaf ze een ander einde. Ik gaf een bepaald personage meer psychologi- sche diepte of bedacht een betekenis voor een schijnbaar betekenisloze gebeurtenis. Dat is schrijven: betekenis verlenen aan dingen die weinig of geen betekenis lijken te hebben….

Het beroep van arts is een ander verhaal. Een arts schrijft geen verhalen, fictie of non- fictie, ook al moet hij voortdurend papers schrijven (of over papers schrijven). Een arts is in de positie van een lezer, niet een schrijver. Een arts luistert naar mensen. Hij onderzoekt lichamen en leest hun symptomen (sommigen beweren dat artsen de gedachten van mensen kunnen lezen, maar dat verbeelden zij zich). De taak van een arts is dat hij kijkt en luistert, veel meer dan dat hij praat. Ik weet dat de meeste artsen in Frankrijk hier anders over denken, maar ik ben van mening dat voor een arts aandacht veel belangrijker is dan actie. De aandacht helpt om de juiste actie te kiezen.

De patiënt, daarentegen, is een verteller. Hij of zij komt binnen, gaat zitten en begint een verhaal, soms met veel lawaai en woede, met tranen en zuchten. Hij speelt zijn verhaal terwijl de arts zit te luisteren en erop reageert.

Waar het om gaat is niet dat het verhaal werkelijk ‘waar’ is, echt gebeurd, maar wat het verhaal (de pijn, de symptomen, de gevoelens) betekenen voor de arts en de patiënt. Met andere woorden, zowel de arts als de patiënt trachten betekenis te vinden in het verhaal, of dat nu wel of niet ‘echt gebeurd’ is.

Toen ik nog een kind was, woonde ik bij een arts, mijn vader. Als ik van school kwam en zijn deur stond open (hij had zijn praktijk in de benedenverdieping van ons huis), klopte ik en ging op de divan zitten, nog geen meter van zijn bureau af. Hij was de krant aan het lezen voor hij op huisbezoek zou gaan.We begonnen te praten leven en dood en over reizen door de tijd, kortom over de geschiedenis van de wereld. Na een tijdje vroeg hij of ik geen huiswerk had en dan zei ik altijd nee. Daarop zei hij: “Heb je zin om mee te komen, dan kunnen we in de auto praten.” Dat gebeurde.

Mijn vader leerde me in zekere zin het patiënt-zijn: hij zorgde voor mijn kinder- en teen-ageziekten, mijn vaccinaties en pijnen. Hij leerde me dat geen enkele pijn te min is voor een dokter; dat elke pijn, elk lijden, elk verdriet de aandacht van de dokter ver- dient. Hij leerde me dat de pijnen en symptomen van een patiënt niet een ‘uitdaging’ zijn aan de dokters kennis en gezag, zoals te veel Franse artsen denken. Hij leerde me dat een goede dokter geeft om wat mensen hem vertellen, hoe ongelooflijk en onwaar- schijnlijk hun verhalen ook mogen klinken. Hij laat mensen nooit in de steek, hoe wan- hopig zij ook mogen zijn.

Mijn vader leerde me ook te luisteren: uren luisterde ik naar zijn verhalen. Som- mige van die verhalen kwamen terecht in de eerste verhalen die ik zelf schreef als vol- wassene. Hijzelf schreef niet, maar hij vertelde, vele verhalen. Ik leerde veel van die verhalen en koesterde ze om de emoties die ze bevatten. Veel later, bij mijn eigen pa- tiënten, voelde ik diezelfde emoties. Hun verhalen kunnen grappig, angstaanjagend of droevig zijn. Het belangrijkste was dat ze gekomen waren om mij iets te vertellen.

Als een arts gaat schrijven verbreekt hij niet het vertrouwen van zijn patiënten. Je ver- deelt een patiënt over verschillende karakters of je laat ware gebeurtenissen overko- men aan iemand die je verzonnen hebt. Je bouwt een verhaal op om tot een mooi einde te komen, iets wat de lezer tevredenstelt, elke lezer, niet alleen artsen. De hoofdzaak is dat je in het verhaal een ontknoping, een betekenis brengt die in het gewone leven dik- wijls ontbreekt.

Ik geloof dat fictie schrijven vanuit mijn medische ervaring vooral een manier is van gedachten en gevoelens uitwisselen, iets wat ik als arts niet zou kunnen. Ik zal nooit ergens aan tafel met mijn vrienden verhalen gaan vertellen over mijn patiënten van die dag. Toch voel ik die drang om te praten over mijn gedachten en twijfels over

hun verhalen. Schrijven is een manier om precies dat te doen, zonder ondiscreet te zijn. Net als in fictie-literatuur is in de arts-patiëntrelatie de ‘waarheid’ van de feiten niet van belang. “Beauty lies in the eyes of the beholder.” En dat kan ook betekenen dat schoonheid ‘liegt’. In het vertellen van een verhaal gaat het bovenal om de diepte van de gevoelens die je deelt.

Fragment 1: In een nieuw schrift

16.25 uur [note 1]De ziekte van Sachs, p. 279-281.

Ik wacht op een patiënt die me moet terugbellen om te zeggen wanneer hij zijn laatste anti-tetanusvaccin heeft gehad.

Gisteravond om elf uur werd ik gebeld door een brandweerman, hij had geen dienst maar een familie-etentje bij zijn ouders. Zijn dochtertje speelde met haar iets grotere nichtje met de poppen, ze waren onder de tafel tussen de benen van hun ouders gekro- pen omdat het daar zoveel prettiger spelen was. Toen ze wilden vertrekken zochten ze haar, ze vonden haar ten slotte, maar het kind wilde niet mee, ze voelde zich daar lekker en wilde blijven. ‘Vooruit, kom! We gaan.’ ‘Nee, ik wil spelen!’ De vader wond zich op en wilde haar pakken, het meisje spartelde tegen, hij trok, zij maakt een draaibewe- ging, slaakte een kreet, haar arm was stijf, de moeder riep Dat heb je ervan als je haar zomaar in het wilde weg oppakt, je hebt iets gebroken met je grove klauwen! Het kind bewoog haar arm niet meer, ze mochten haar niet aanraken, zodra ze dicht bij haar kwamen begon ze te gillen. ‘Zullen we haar naar het ziekenhuis brengen?’ Ach, we kunnen misschien beter eerst naar de dokter gaan!’

Toen ze hier binnenkwamen voelde de vader, de brandweerman, zich niet op zijn gemak, hij hield zijn dochtertje tegen zich aan, ze stelde zich aan, ze kermde maar ze zag alles wat er gebeurde, ze besefte heel goed dat ze hem om haar vinger wond, die grote kerel die haar pijn had gedaan.

Ze was nog geen drie jaar oud, een plaatje, bruin haar, grote bruine ogen, toen ik haar zag dacht ik zo’n kind had ik ook wel gewild als ik het niet had afgezworen.

Ze keek me wantrouwig aan, ik keek haar ook aan, maar ik deed alsof ik alleen in de volwassenen geïnteresseerd was, terwijl de vader me in alle bijzonderheden zijn mis- daad opbiechtte speelde ik met de speciale rammelaar met de bolletjes in drie kleuren waartegen niemand weerstand kan bieden als hij op de rand van de tafel zit, zelfs niet de moeders van grote gezinnen, die nochtans heel wat meer hebben meegemaakt. Na twintig seconden stak het meisje haar linkerhand uit, ze pakte de rammelaar en draaide hem naar alle kanten, want daar is hij voor. Haar rechterarm bewoog ze niet, alleen de pols een beetje. Terwijl de vader praatte en het kind speelde legde ik een vinger in haar elleboogholte, ik pakte voorzichtig haar rechterpols vast, draaide hem om, boog de onderarm en voelde hoe het ontwrichte bot op zijn plaats sprong, het meisje slaakte een kreetje van verbazing en sprong van de knieën van haar vader, liep weg en besefte niet eens dat ze alweer met haar beide handen speelde. Zulke patiënten zou ik wel elke zaterdag willen hebben, zelfs elke dag. Maar dat zou te mooi zijn.

Vandaag om 11.45 uur een blond, rustig, spraakgestoord meisje van een jaar of acht- tien, twintig, ze loopt langzaam, het lijkt wel alsof ze een klap op haar hoofd heeft gehad of dat er iets op haar hersenen drukt. Ze komt voor een nieuwe inenting, geeft me haar gezondheidsboekje en pakt de doos uit de zak van haar driekwartjas, ik ben ver- baasd: een inenting op zondag? Haar uitpuilende buik en haar borsten sluiten elke twij- fel uit, ik zeg: ‘In de hoeveelste maand bent u?’ Maar ze kijkt me aan zonder me te begrijpen, ik voel me heel dom, ik zeg bij mijzelf dat ik ernaast zit, ik heb een stommi- teit begaan, ik begin te blozen, ik neem haar gezondheidsboekje aan, ze is zestienenhalf maar ze ziet er veel ouder uit, haar haar moet gewassen worden, ze lijkt moe, ik zeg dat ik haar eerst wil onderzoeken, u kunt uw broek aanhouden, gaat u maar liggen. Ze doet wat ik haar zeg. Haar borsten puilen uit haar bh, door haar buik, de bruine lijn, haar waaiervormige navel, weet ik dat ik me niet heb vergist. Ik leg een hand op haar buik, er is niets wat beweegt, ik pak de obstetrische stethoscoop, ik luister, ik hoor het hartje kloppen, het lijkt in orde, ik leg opnieuw een hand op haar buik, ik voel daaronder een armpje bewegen, ik kijk haar aan, ze zegt niets en blijft uitdrukkingsloos, passief, zwijgzaam, afwezig.

Ten slotte zeg ik: ‘Ik denk niet dat ik u vandaag inent.’
‘Waarom niet?’ vraagt ze met een eentonige stem.
‘Dit soort vaccin is niet aan te bevelen voor een zwangere vrouw.’

Ze kijkt me met dezelfde afwezige ogen aan en zegt niets. Ik heb niet de indruk dat ze nadenkt maar dat de woorden van heel ver tot haar komen en haar koud laten.

Ik doe niets, zeg niets, beweeg niet, maar ze blijft me aankijken met dezelfde starre blik van iemand die afwacht, die alle tijd heeft. Na een hele poos zegt ze: Kan ik me weer aankleden? Ik zeg ja, ik vraag me af wat ze gaat doen, wat ze me zal vragen, ze kleedt zich aan, pakt haar gezondheidsboekje en haar vaccin, stopt alles in de linkerzak van haar driekwartjas en pakt haar portemonnee uit haar rechterzak. ‘Hoeveel ben ik u schuldig?’Ik antwoord verbluft: ‘U hebt nog geen aangifte gedaan van uw zwanger- schap, nietwaar? Zal ik de papieren voor u in orde maken?’

Ze schudt heftig haar hoofd.
‘Nee.’
‘Wilt u niet?’
‘Nee.’ Ze doet haar portemonnee open. ‘Hoeveel?’

Ik wil me niet laten betalen, zij wilde niet gaan zonder te hebben betaald. Ze stond daar roerloos en koppig met een geldbiljet in de hand, ze bewoog niet, ik moest haar haar wisselgeld teruggeven. Ze zei dank u wel en ging. Ik weet hoe ze heet, waar ze woont, ik weet wie haar huisarts is, dat heb ik allemaal in haar gezondheidsboekje gezien, maar ik wist niet wat ik moest doen en ik weet het nog steeds niet.

Fragment 2: Onbehoorlijke gedachten

En dat zijn de angsten die ze toegeven, de angsten die ze uitspreken, de denkbeeldige angsten. [note 2]De ziekte van Sachs, p. 104-105.

Maar er zijn ook andere angsten, de vergeten, voorouderlijke angsten die onge- merkt van de grootmoeder op de schoondochter worden overgedragen boven het bed waarin het kind (of de oude man) ligt te kronkelen met zijn veertig graden koorts, zijn hoest, zijn bleke gezicht, zijn apathie, zijn droge mond, zijn geelzucht, zijn gekreun, zijn klachten. Voor ziekten waaraan je vroeger kon sterven: roodvonk, kinkhoest, dif- teritis, buiktyfus, tbc, en waarvan men denkt dat ze niet meer bestaan omdat je er niets meer over hoort, terwijl je tegenwoordig bovendien aids hebt (Ik heb erop aange- drongen dat hij de test zou doen, begrijpt u, hij is altijd bloeddonor geweest toen er geen onderzoek werd ingesteld, terwijl tegenwoordig, met alles wat je hoort), kanker, myopathie en die longziekte, hoe heet die ook weer? (Mijn buurvrouw, mevrouw Baudou, aangezien zij en haar man geen kinderen konden krijgen hadden ze twee kleine kinderen uit Madagascar aangenomen – zoiets moet je aandurven! – en toen was ze op haar negenendertigste zelf in verwachting, natuurlijk wilden ze het houden, dat begrijpt u wel, hun eerste meisje! Het arme wurm was bij de geboorte al ziek, niet ernstig, maar haar moeder zag goed dat haar iets mankeerde, de artsen hebben de groot- ste moeite om te ontdekken wat ze heeft, gezegd moet worden dat ze haar niet geloof- den, maar omdat ze maar naar het spreekuur bleef komen begrepen ze dat het geen ver- beelding was en hebben ze uiteindelijk een muco, een cuvo, een mucoviscidose, dat is het, een mucoviscidose vastgesteld en nu moet ze om de haverklap naar het ziekenhuis voor een perfusie, antibiotica, inhaleringen, massage van de luchtwegen, soms duurt het weken eer ze weer thuiskomt en zelfs dan is ze niet altijd opgeknapt, ze blijft hoes- ten, dat is alles wat ze kan, je denkt weleens dat ze haar niet zomaar naar huis zouden mogen sturen, de Baudous wonen midden tussen de weilanden en het is er altijd behoorlijk vochtig. Maar de artsen zeiden dat ze haar niet al te lang in het ziekenhuis konden houden, ze zou er nog ergere microben kunnen oplopen dan wanneer ze thuis is) en de vreemde ziekten die je niet ziet, waarover je hoort maar die door de tandenbor- stel worden overgebracht (je zou bang zijn je kinderen naar school te sturen), vergele- ken daarbij zijn de ziekten waaraan onze grootouders stierven, de ziekten die wij als kind hebben gehad (U kunt me geloven dat ik mijn roodvonk niet ben vergeten, ik heb de school niet kunnen afmaken!) onbeduidend, zelfs ouderwets als je bedenkt dat vroe- ger volwassenen in de kracht van hun leven eraan stierven, dat kinderen soms achter- lijk of misvormd werden (wij hadden een jongen in de klas met een verlamde arm ten gevolge van polio, als hij hard liep stopte hij zijn hand in zijn zak om te voorkomen dat zijn arm heen en weer slingerde).

En dan zijn er de onberedeneerde angsten, de regelmatig terugkerende angsten die door niets te stillen zijn want zo is het leven, je leeft je lijdt je huilt, je ziet je kinderen huilen, je ziet je kinderen lijden, je ziet je ouders ouder worden, vallen en niet meer opstaan omdat ze niet meer willen, je denkt (nee dat denk je niet, je bent te bang om eraan te denken, ook al denk je er toch aan zonder het al te zeer te laten merken) dat het op een dag jouw beurt is en dat ze er niet meer zullen zijn om jou te helpen – vooral de kinde- ren, je moet niets van ze verwachten, ze vertrekken, ze leiden hun eigen leven en u weet hoe het gaat, dokter, kinderen denken alleen aan zichzelf, al zeg je nog zo vaak dat ze er later spijt van krijgen, op hun leeftijd waren wij net zo.

In de gang, alvorens de slaapkamer binnen te gaan, of later, in de keuken, vatten ze de symptomen tot vervelens toe samen, ze brengen hun ongerustheid, klachten, ver- wachtingen en vragen onder woorden: Ze eet al twee weken niet meer, of ik nu boos word of haar billenkoek geef, het helpt niet, ze eet alleen maar macaroni en brood met boter, niets anders, een biefstuk krijgt ze niet door haar keel, luisteren is er niet bij, ze krijgt woedeaanvallen, ik denk bij mijzelf dat kan niet, ze verzwakt, ze krijgt bloed- armoede, het is niet normaal dat ze niet eet, niets maar dan ook helemaal niets, u kunt me geloven. Mijn man zei dat ik ú erbij moest halen, aan de jongens liet hij zich nooit veel gelegen liggen, maar zijn dochtertje! Als ze maar even ziek is hij nergens meer! Daarom heb ik u opgebeld (maar het is waar dat ze soms toneelspeelt. Zelf loop ik er niet zo makkelijk meer in maar mijn man geeft zijn lieve kleine meisje altijd gelijk), want eerlijk, deze keer was het nodig, ze is erg pips, ze heeft vast en zeker vitamine- gebrek, en omdat ze niet slaapt is ze vanzelfsprekend moe, dat duurt nu al weken, dat moet veranderen.

Fragment 3: Een kleinigheid

‘Ik ben gekomen omdat…, u moet niet lachen, het is maar een kleinigheid, een neusgat dat voortdurend verstopt is, daardoor snurk ik ’s nachts, mijn man heeft er last van, daarom vroeg ik me af of u …. [note 3]De ziekte van Sachs, p. 193-195.

‘Ik kom voor een kleinigheid, alleen omdat mijn dochtertje niet wil eten, ik zou willen, dat u me vitaminen voorschrijft, die ik in haar soep kan oplossen, want soep is het enige wat ze naar binnen krijgt, maar ze mag het niet weten, daarom heb ik haar niet mee- gebracht.’

‘Ik houd u niet lang op, ik zou alleen hetzelfde recept willen hebben als verleden jaar, weet u nog?’ Ik kom net aan uit Maleisië en vertrek over een week naar Senegal, en daarginds ontbreekt het aan alles. Ik heb dertig dozen gesteriliseerde kompressen nodig, twintig rolletjes hechtpleister, kinine voor zes maanden, twintig buisjes parace- tamol en tien of twaalf tubes Balsamo-zalf – die is erg goed bij zonnebrand, muggen- beten en bloeduitstortingen, ik begrijp niet waarom die niet door het ziekenfonds wordt vergoed, maar goed, dat spul is niet duur – en, o ja, ik was het bijna vergeten: zwachtels van tien, twintig en dertig. Die worden ook niet vergoed, maar de apotheker wil met alle geweld een recept hebben, ik weet ook niet waarom. Het spijt me dat ik daarvoor beslag leg op uw tijd, maar het is maar een kleinigheid. U vindt het toch niet vervelend?’

‘Ik word gestuurd door mevrouw Renard, ze heeft geen groene capsules meer. Ze zei me u te vragen vanavond na uw werk even bij haar langs te komen om haar het recept te geven, ze wil u even iets vragen, en omdat ze zag dat er daarstraks veel mensen in de wachtkamer zaten wilde ze u niet voor zo’n kleinigheid storen.’

‘Ik weet niet hoe ik het moet zeggen, het is maar een kleinigheid, maar ik wilde het weten, ik wilde u alleen maar een vraagje stellen. Ik weet dat ik had kunnen opbellen, dat hebt u me al eerder gezegd, maar ik was bang dat ik u zou storen, daarom kwam ik liever langs, al weet ik niet of het de moeite waard is dat u me onderzoekt. Het is maar een kleinigheid. Maar ik heb er een beetje last van en ik weet niet wat ik ervan moet denken, ik neem aan dat u het mij kunt uitleggen, dan ben ik gerustgesteld, ook al lijkt het nogal onnozel. Ik denk dat u me zult uitlachen, u weet hoe het is, je maakt van een mug een olifant en toch blijft het je bezighouden, en zolang je niet bij de dokter bent geweest ben je niet gerust: mijn haar valt bij bossen uit, ik vraag me af of dat aan het water kan liggen.’

‘Ik ben gekomen om u… om een dienst te vragen… het is maar een kleinigheid. De apo- thekeres stuurt me omdat ze zegt dat ze een recept moet hebben… ja, voor kalmerende gel… U weet wel, die op de huid wordt gesmeerd om te verdoven alvorens een spuitje te geven, dat is… Nee, ik hoef geen spuitjes te geven, maar ziet u, mijn vrouw is… hoe zal ik het zeggen? Het is een beetje pijnlijk om uit te leggen. Mijn vrouw is gek op… nee, nee, niet op gel! Ze is een liefhebster begrijpt u? We doen het vaak, elke dag, soms twee of drie keer per dag… Ze is altijd bereid en ik… ik zeg geen nee, dat begrijpt u wel, ik heb collega’s met een vrouw die altijd migraine heeft, waarom zou ik me dus beklagen, maar… Hoe zal ik het zeggen? Er zijn dagen dat het gloeiend heet wordt… het brandt om zo te zeggen. Ik zou best wat willen minderen, maar ze is verschrikkelijk, als ik zeg dat ik een beetje moe ben maakt ze een scène, goed, het brandt, maar ik zeg niets… Een paar dagen geleden hoorde ik op de televisie van die gel, daarom dacht ik, als hij voor kinderen wordt gebruikt, is het niet gevaarlijk en zou ik hem misschien kunnen gebrui- ken… Alleen maar dat het niet zo’n pijn doet, begrijpt u?’

‘Ik wil u niet lang ophouden, er zitten mensen te wachten, ik heb alleen maar een papier nodig. U bent toch de dokter die een dag of wat geleden bij mijn zoon is geweest toen de tractor in de glooiende wei over hem heen is gerold? De brandweermannen hebben het me verteld, het was geen fraai gezicht, toch had ik hem gezegd zijn cabine vast te koppelen, hij had ze losgekoppeld om de stal uit te mesten en daarna heeft hij ze met- een weer vastgekoppeld… Maar nu krijg ik vanmorgen een brief van de verzekering voor de leningen die hij heeft aangegaan voor de boerderij en die natuurlijk nog niet zijn afgelost, ze willen weten waaraan hij is overleden, ik dacht dat u misschien zou kunnen zeggen… Maar wat ik vooral wilde weten is… of hij nog geleden heeft.’

Fragment 4: Yves Zimmermann

Ik weet nog toen ik je de eerste keer zag.[note 4]De ziekte van Sachs, p. 82-83.
Ik bedoel écht zag. En je heb aangehoord, niet alleen maar naar je heb geluisterd. Je stond aan het bed van een zieke, ik vroeg wie haar behandelde. Ik, meneer, zei je. Je was twintig of tweeëntwintig jaar oud, je was dat jaar een van de co-assistenten van de afdeling, je had geen bijzondere kenmerken, je was lang, bruinharig, zwijgzaam, je liep een beetje gebogen. Je stroopte altijd de mouwen van je witte jas op, je onderarmen waren altijd bloot. Ik keek je over de rand van mijn bril aan en zei: ‘Vertel het maar.’ Je boog je over de zieke en zei: ‘Mevrouw Malinconi is drie dagen geleden met ik weet niet meer welke symptomen binnengebracht.’ Je vatte de situatie heel snel en kort samen en zweeg. Ik had geen vragen. Je had het pro- bleem in zes zinnen uiteengezet, dat was alles. Dat irriteerde me. De co-assistent wist beter dan de prof wat de zieke mankeerde en dat zat hem niet lekker. Ik zei: ‘Is dat alles?’ Jij antwoordde: ‘Dat is alles.’ ‘Echt waar? Weet je het zeker?’ De patiënte begon te huilen. Ik zei: ‘Waarom huilt u, mevrouw?’ Ik keek naar jou en vroeg: ‘Waarom huilt ze?’ Je wierp me een boze blik toe, sloeg je armen over elkaar en puntte met de kin in de richting van de anderen. Ik draaide me om naar de hoofdverpleegster, de twee inwonende co-assistenten, het afdelingshoofd, de zes studenten, de twee leer- ling-verpleegsters en de ziekenverzorgster die met een blad met maaltijden binnen- kwam (als ik het goed heb lag er in het andere bed nog een patiënte). Ik vroeg nog- maals: ‘Waarom huilt ze?’ Niemand antwoordde. Ik stond op en zei: ‘Ik hoor het wel van je als je haar dossier hebt ingekeken’ en ging de kamer uit met de bedoeling de deur achter me dicht te slaan, maar je liep iedereen voorbij, kwam me achterna de gang op en gooide de deur voor de neus van de anderen dicht. Ik draaide me om, keek je over de rand van mijn bril aan, ondanks mijn een meter negentig leek je bijna even lang als ik.

‘Nu? Wat heeft ze?’

En kortaf, in een paar zinnen, vertelde je me het verhaal van deze vrouw die twee dagen na haar opname al naar huis wilde, terwijl haar behandelend geneesheer haar had laten opnemen wegens een acuut longoedeem waaraan ze bijna was bezweken, dat ze bij binnenkomst een bloeddruk van tweehonderdtwintig had en vijfennegentig kilo woog bij een lengte van een meter zestig – ik zag niet hoe we dat zonder een minimaal standaardonderzoek zouden kunnen regelen, de doseringen vereisten in die tijd min- stens een week, nog afgezien van de diëtiste en het op gang brengen van de behande- ling –, maar de problemen op haar werk, haar man, haar schoonmoeder, haar verhui- zing en weet ik wat allemaal, kortom: haar verdomde dagelijkse leven, leken voor haar belangrijker dan haar verdomde symptomen.

‘Oké, oké, maar waarom zei je niets in de kamer?’ ‘We waren met zijn vijftienen, meneer.’

Ik keek je door mijn brillenglazen aan en zag je voor het eerst. Je was twintig of tweeëntwintig en al woedend.

Noten

Martin Winckler (1955) heeft gedurende twintig jaar als huisarts gewerkt in Frankrijk, twaalf jaar daarvan op het platteland. Op dit moment werkt hij part-time in een family planning centrum in Le Mans en schrijft daarnaast diverse soorten boeken: romans over artsen en gezondheids- zorg, medische boeken voor een breed publiek en essays over TV-fictie.

Dank aan Uitgeverij Prometheus voor haar toestemming hier enkele fragmenten uit De ziekte van Sachs op te nemen.

Literatuur

Winckler, M. 1999 De ziekte van Sachs. Amsterdam, Prometheus.