"Sorry mevrouw, maar ik kan er ook niks aan doen"

Over daklozen en poepen in openbare ruimte

Peter Rensen

Abstract

In dit artikel staan buitenslapers centraal: daklozen die de nacht buiten doorbrengen. Buitenslapers hebben geen privé-ruimte waar zij hun behoefte kunnen doen. Om te poepen en te plassen zijn zij deels aangewezen op de openbare ruimte. Tegelijkertijd is poepen in de Nederlandse samenleving een strikte privé-aangelegenheid. Door buiten te poepen overtreden buitenslapers een norm die sterk in de samenleving is verankerd. Dit heeft gevolgen voor de maatschappelijke positie en voor het persoonlijk welbevinden. Het leidt tot schaamte en verdere marginalisering. In dit artikel zal ik aan de hand van enkele voorbeelden uit de veldwerkpraktijk schetsen hoe buitenslapers hun behoefte doen en hoe deze praktijken zich verhouden tot de maatschappelijke context. Ik zal daarbij zowel aandacht besteden aan de positie van buitenslapers binnen de samenleving, als aan de verhoudingen tussen buitenslapers onderling.

Marginaal en openbaar

Vuil en schoon zijn geen neutrale categorieën. “There is no such thing as absolute dirt,” zegt Mary Douglas in het klassieke Purity and danger (1999: 2). Volgens Douglas zijn ideeën en praktijken rond vuil sterk gebonden aan de maatschappelijke context. Hoe mensen over vuil denken en hoe zij ermee omgaan wordt volgens Douglas in hoge mate gedicteerd door de sociale verhoudingen.

Ideeën over vuil worden gebruikt als analogieën voor ideeën over de samenleving (ibid.: 3-4). Die analogieën blijven niet zonder gevolgen. “For I believe that ideas about separating, purifying, demarcating and punishing transgressions have as their main function to impose system on an inherently untidy experience,” zegt Douglas. “A semblance of order is created” door het verschil tussen vuil en schoon te benadrukken (ibid.: 4). “Dirt is essentially disorder,” zegt Douglas (ibid.: 2). Wie definieert wat vuil is, definieert wat wanorde is. Wie definieert wat wanorde is trekt ook een grens tussen orde en wanorde. Die grens – en daarvan getuigen de vele voorbeelden uit traditionele en in mindere mate uit moderne samenlevingen in Purity and Danger – bepaalt welke invloed vuil heeft op de wijze waarop mensen met elkaar omgaan.

Volgens Douglas is wanorde op zichzelf geen reden voor afkeuring. Het gaat erom of de wanorde nog betekenisvol is binnen de sociale structuren van de samenleving. Zolang dit het geval is wordt wanorde gezien als een ongevaarlijke uitingsvorm van macht. Wanorde wordt pas gevaarlijk wanneer deze wordt gecreëerd door marginale groepen of personen, “people who are somehow left out in the patterning of society, who are placeless” (ibid.: 96). De status van marginale personen is ondefinieerbaar en kan daarom ook geen plaats krijgen binnen de bestaande structuren. Volgens Douglas worden heersende ideeën over vuil ingezet als middel om dwang uit te oefenen op marginale – en dus gevaarlijke – groepen.

Buitenslapers zijn in de meest letterlijke zin van het woord ‘placeless’. Zij hebben geen vaste plaats om te verblijven. Maar dat is maar een klein aspect van hun onplaats- baarheid. Zij onttrekken zich in hoge mate aan de sociaal-economische en culturele structuren. De deelname aan arbeid – om een voorbeeld te noemen – is uiterst beperkt. Veel buitenslapers maken ook geen gebruik van de verzorgingsarrangementen die zijn bedoeld voor mensen zonder werk. Een deel van de buitenslapers maakt zelfs geen gebruik van de laagdrempelige opvang voor daklozen (Rensen 2001: 37-42). Buiten- slapers zijn een marginale minderheid in Nederland.

Wetenschapstheoretisch is het interessant om vuil te bekijken vanuit het perspectief van een marginale groep zoals de buitenslapers. Vanuit het structuralistische perspec- tief van Douglas mag verwacht worden dat ideeën over vuil worden ingezet om buiten- slapers te marginaliseren. De verwachting is dat buitenslapers vanuit hun sociale posi- tie op een andere manier met vuil omgaan dan niet marginale of minder marginale groepen.

Buitenslapers onderscheiden zich van andere marginale groepen doordat zij buiten leven. Voor het verwijderen van vuil zijn zij aangewezen op openbare voorzieningen. Bij het weggooien van verpakkingen of etensresten onderscheiden buitenslapers zich niet zozeer van andere mensen die zich in de openbare ruimte bevinden. De consequen- ties van het openbare leven openbaren zich pas in volle glorie wanneer het gaat om lichaamsafscheidingen zoals plas, poep, sperma, snot en kots. Het zijn de producten van in meer of mindere mate gedwongen handelingen. Bij deze handelingen kunnen buitenslapers zich niet terugtrekken in de badkamer, de slaapkamer of op de WC.

William Miller (1997) wijst erop dat lichaamsafscheidingen universeel als het meest intense, meest weerzinwekkende vuil worden beschouwd. Van der Geest en Van Dongen verklaren dit uit het feit dat het gaat om ‘intieme producten’, waarmee niet- intimi niet geconfronteerd willen worden (1999: 2-3). Zij schrijven: “Vanuit Douglas’ gezichtspunt kan men het beschavingsproces dat Elias beschrijft zien als een voort- schrijdende tendens om anderen niet lastig te vallen met zijn intieme gevoelens, lichaamsdelen en lichaamsafscheidingen” (ibid.: 1999: 3). Lichaamsafscheidingen zijn dus niet weerzinwekkend in zichzelf, maar worden dat pas zodra ze in de openbaarheid worden gebracht.[note 1]In Nederland geldt dit wellicht des te meer. Zoals Van der Geest schrijft: “De geschiedenis van het toilet in onze eigen maatschappij is het verhaal van steeds groter technisch vernuft dat een steeds ‘schonere’ en meer private manier van ontlasting mogelijk maakte” (1998: 149).
 Niet voor niets is de dichotomie privé-openbaar een belangrijk thema in de literatuur over ‘lichaamsvuil’. Juist het feit dat buitenslapers zijn aangewezen op de openbaarheid maakt hun relatie met vuil wetenschapstheoretisch interessant.

In dit artikel zal ik mij beperken tot één vorm van lichaamsafscheiding: poep. Anders dan spugen is poepen een regelmatig voorkomende activiteit. Poep is bovendien, in tegenstelling tot plas, snot en sperma, door de massa en de stank moeilijk te verbergen. Je kunt het niet bij je houden en je kunt het moeilijk ongemerkt achterlaten. Poepen stelt buitenslapers daarom onvermijdelijk voor een probleem, waarvoor zij een oplossing moeten vinden. Hoe gaan zij daarmee om? Wat denken zij erover? Wat zegt dit over hun sociale positie? Deze vragen zal ik hieronder aan de hand van veldwerk- voorbeelden aan de orde stellen. Om het denken en handelen van buitenslapers te kun- nen begrijpen is het echter zinvol om eerst in het kort te schetsen wie ik onder buiten- slapers versta en onder welke omstandigheden zij in Amsterdam leven.

Buitenslapers in Amsterdam

Sinds 1998 doe ik onderzoek onder daklozen in Amsterdam die de nacht doorbrengen op straat. Een deel van hen slaapt werkelijk op straat, een deel loopt de hele nacht rond en slaapt overdag op straat of ergens binnen. In het telonderzoek dat periodiek in Amsterdam wordt verricht worden buitenslapers instrumenteel gedefinieerd. Iedereen die meer dan acht nachten per jaar op straat slaapt of loopt (en niet over een vast onderdak beschikt) is een buitenslaper.[note 2]Overigens blijkt het overgrote merendeel van de buitenslapers meer dan een maand per jaar op straat door te brengen (Korf & Deben et al. 1999: 19).
 Buitenslapers vormen dus een kleine minder- heid onder de daklozen.[note 3]In Amsterdam worden buitenslapers sinds 1995 tweejaarlijks geteld en geïnterviewd (Deben & Korf 1995; Deben & Van Gestel 1995; Korf & Deben et al. 1997, 1999; Gemeente Amsterdam 1999). Het aantal blijkt sinds 1995 redelijk stabiel te zijn. In 1999 wordt het aan- tal voor de stad Amsterdam geschat op bijna 200 (Korf & Deben et al. 1999: 8). In één van de buitenwijken, Amsterdam-Zuidoost, bevinden zich naar schatting nog zo’n 150 buiten- slapers (Gemeente Amsterdam 1999: 19). In Amsterdam kunnen per nacht dus zo’n 350 mensen worden aangeduid als buitenslaper.
 ‘Daklozen’ worden doorgaans veel breder gedefinieerd. Zij bevinden zich in een continuum van binnen en buiten. De meeste daklozen hebben een onderdak bij hulpverlenende instellingen.

Buitenslapers vormen een heterogene groep (Korf & Deben 1997, 1999). Die hete- rogeniteit uit zich ook in de wijze waarop buitenslapers hun behoefte doen. Zij hante- ren hiervoor de meest uiteenlopende strategieën. De lokatie en de aard van de slaapplek zijn van belang. Midden in de stad hanteren buitenslapers andere methoden dan aan de rand van de stad waar zij meer ruimte hebben om ongezien hun behoefte te doen. Een deel van hen maakt gebruik van de mogelijkheid van openbare toiletten, cafés en voor- zieningen voor daklozen zoals de inloophuizen. Alcohol- en drugsverslaving – veel voorkomend onder buitenslapers – kunnen invloed hebben op de frequentie en de aard van de ontlasting en daarmee ook op de manier waarop zij hun behoefte doen. Het- zelfde geldt voor de financiële middelen en de sociale relaties met daklozen en niet- daklozen. Hoe buitenslapers het poepprobleem oplossen is sterk afhankelijk van de omstandigheden.[note 4]Over het algemeen verschilt de aanpak van het poepprobleem sterk tussen mannen en vrou- wen. Vrouwen moeten, ook om te plassen, hun onderlijf ontbloten. Daarnaast spelen seksua- liteit en machtsverhoudingen een belangrijke rol. Ik ga hier op deze plaats niet verder op in, maar over het algemeen hebben vrouwen meer redenen om ongewenste seksuele toenade- ring van mannen te vrezen dan mannen van vrouwen. Vrouwen hebben er daarom meer behoefte aan om zich aan het zicht te onttrekken wanneer zij moeten poepen of plassen.
 Soms zijn de omstandigheden op het moment van doorslaggevend belang,[note 5]Een voorbeeld van een momentgebonden oplossing voor een plasprobleem is te vinden in het autobiografische Losgeslagen van John Healy (1991: 194). Healy beschrijft zijn leven als dakloze alcoholist. In een afbraakpand weet hij een plek om te slapen, er ligt zelfs nog een oude matras op de grond. Nog maar net gearriveerd, hoort hij de politie met honden het pand binnenkomen. Healy vermoedt dat zij op zoek zijn naar een voor hem bekende dakloze in verband met een geweldsmisdrijf in de buurt. Wanneer de politie hem in het pand aantreft, wordt hij waarschijnlijk als verdachte aangemerkt. “Wat een klotezootje,” schrijft Healy. “Ik moest ontzettend nodig pissen en ze waren al op de tweede verdieping. Nog twee te gaan. Ik piste snel op het matras om het geluid te dempen, gooide mijn oude jas op de grond en wrong me achter de klerenkast.” Na een korte inspectie vertrekt de politie weer. “Kom op,” zegt een van hen, “het stinkt hier een uur in de wind.”
 soms meer structurele omstandigheden.

Begin jaren negentig nam het aantal daklozen en buitenslapers in Amsterdam toe. Bewoners en gebruikers van de stad ervoeren in toenemende mate overlast van deze groep. Zij drongen er bij de gemeentelijke overheid op aan om iets tegen deze overlast te doen. Sindsdien is het toezicht op buiten slapen geïntensiveerd. Aan de hand van de Algemene Politie Verordening (APV) kan de politie van Amsterdam het buiten slapen verbieden.[note 6]In Amsterdam is een ontwikkeling gaande waarbij plassen in het openbaar steeds vaker daadwerkelijk als overtreding van de wet wordt opgevat. In een handleiding voor politiefunctionarissen Streetwise wordt expliciet ingegaan op de gewenste toename van toezicht en sancties bij het wildplassen
 Hoewel de politie het buiten slapen soms gedoogt op humanitaire gronden is het staande beleid dat slapen niet wordt getolereerd. Slaap is in het afgelopen decen- nium steeds meer onderdeel geworden van het openbare orde-beleid. Gedogen geldt alleen voor de buitenslapers die geen overlast veroorzaken. Vuil is een sleutelbegrip in de strijd om de openbare ruimte tussen buitenslapers en politie. De politie gedoogt buitenslapers slechts wanneer zij geen overlast veroorzaken voor de omgeving. Vuil wordt geclassificeerd als overlast. Wie in de buurt van zijn of haar slaapplek poept, loopt dan ook een gerede kans om van deze plek te worden verwijderd.

Daklozen en buitenslapers komen doorgaans meer en intensiever in aanraking met vuil dan anderen. Op straat worden zij snel vuil. Zij beschikken niet over de faciliteiten om zich efficiënt van vuil te ontdoen. Het slaapverbod draagt hier nog aan bij. Om rus- tig te kunnen slapen zoeken buitenslapers naar verborgen plekken in de stad. Voor ver- slaafde buitenslapers geldt dit nog sterker omdat zij hun illegale drugs op deze plekken moeten gebruiken. De verborgen plekken van de stad worden ook door andere stede- lingen gebruikt om vuil kwijt te raken. “Je zit altijd op plekken waar honden… nou waar honden niet eens willen zitten. Tussen de schijt,” zegt buitenslaper Richard.[note 7]Alle namen van de buitenslapers zijn pseudoniemen. Een deel van de buitenslapers had er geen bezwaar tegen om met de echte naam in dit artikel te figureren, van een ander deel weet ik het niet. Om verwarring te voorkomen heb ik besloten om alle namen te veranderen.
 Dat buitenslapers vuil zijn of in de nabijheid van vuil leven is deels terug te voeren op de repressie tegen buitenslapers. Daar komt nog bij dat het voor een buitenslaper moeilijk is te bewijzen dat hij of zij geen overlast veroorzaakt. Buitenslaapster Marja spreekt van een “omgekeerde bewijslast”.

Ideeën over vuil vormen – geheel conform de theorie van Mary Douglas – een mid- del om buitenslapers te sanctioneren. Op dit moment biedt geen enkele plek in de ste- delijke openbare ruimte de zekerheid dat de buitenslaper er voor onbepaalde tijd kan blijven. De binnenstad is in de afgelopen jaren goeddeels ontdaan van buitenslapers. Slechts een enkele diehard weet steeds weer een nieuwe gedoogsituatie te creëren. De intensieve controle biedt buitenslapers maar een heel smalle marge om het poep- probleem op te lossen.

Poepen en schaamte

Richard (39) is één van de buitenslapers die ik het afgelopen jaar veelvuldig heb ont- moet. De manier waarop hij tegen het poepprobleem aankijkt, is mijn inziens represen- tatief voor een groot aantal buitenslapers. Poepen in het openbaar is niet iets dat hij graag doet. Hij schaamt zich ervoor.

Richard heb ik leren kennen toen hij sliep onder een parkeergarage van een groot- winkelbedrijf tussen de oude stad en een buitenwijk. De plek was ingesloten door een snelweg, een fietspad en de parkeergarage. De slaapplek was alleen bereikbaar via een olifantenpaadje door de bosjes rond de parkeergarage. In de loop van de maanden sleepte hij een matras, planken en uiteindelijk zelfs een dressoir naar zijn plek. Aan- vankelijk sliepen er geregeld dakloze kennissen op deze plek, maar de laatste tijd sliep hij er alleen. Met de betrokken autoriteiten had hij goede contacten, toch bleef de drei- ging dat de slaapplek zou worden ontruimd. Nadat Richard op zijn slaapplek bijna werd vermoord door een buitenslaper, besloot hij zich voor onderdak aan te melden bij de daklozenopvang.

Op een zomerse dag zitten we buiten in de zon op een bankje te kletsen. Richard is opgetogen dat hij juist een kamer voor zichzelf heeft gekregen in een pension van het Leger des Heils.

Ik sluit aan op het optimisme van het moment en zeg tegen Richard: “Het leven op straat heeft ook wel zo zijn aangename kanten.”

“Nou,” reageert Richard, “mensen denken dat het in de zomer zo leuk is op straat. Maar als je bijvoorbeeld nodig moet en je moet je behoefte ergens op straat doen, dan voel je je net een hond. Je zit toch op plekken waar mensen je kunnen zien.”

Ik opper voorzichtig dat dat ook een probleem van die mensen is, maar dat gaat er bij Richard niet in: “Moet jij je voorstellen dat je daar zit en er komt net een jonge meid langs, die de hond aan het uitlaten is. Dan voel je je niet echt prettig, denk ik.”

Wanneer we later nog eens op het onderwerp terugkomen, relativeert Richard sterk.

“Op mijn slaapstek was het niet zo’n probleem,” beaamt hij. “We hadden in de buurt een stukje bos aan het water, dat gebruikten we om te schijten. Als iemand, je hoort dat gauw genoeg, als iemand zegt van: ‘ja luister, ik moet effe’, weetjewel, dan zei je: ‘nou daar is dat stukkie voor’. Iedereen had z’n eigen plekkie. En juist omdat je weet dat het daar gebeurt, kijk je uit waar je loopt, want de honden van de mensen die daar wonen, deden het daar ook.”

“Bij mij stond het echt op straffe van weggestuurd worden als je ‘t ergens anders deed,” zegt Richard “Heb je het op het pad gedaan ofzo, dan zie je meteen of het van een hond is of niet; wie dat doet, kan meteen moven. Want dat is ook de reden dat ik het heb mogen houden, die plek, omdat ik dat juist daar niet deed. Dat laat ik een ander niet ver- knallen.” Desgevraagd blijkt dat Richard in de anderhalf jaar dat hij buiten sliep nooit iemand heeft weggestuurd, omdat iedereen zich aan de regels hield.

“Het is natuurlijk ook niet iets wat in één keer opkomt en in één keer moet gebeuren,” relativeert hij. “Je hoeft geen drie, vier keer te schijten, meestal maar een of twee keer op een dag. Je zorgt gewoon dat je overdag ergens gaat. Als je bij iemand op bezoek bent, of ergens bij een stichting ofzo, dan probeer je het daar te doen. Ik ging overdag vaak bij een winkelcentrum in de stad. In al die tijd dat ik daar buiten geslapen heb, als ik in de maand neem, heb ik drie keer buiten moeten schijten.”

“Uiteindelijk concludeert Richard zelf: “Schijten is niet iets dat je het liefst buiten doet. Het liefst doe je het ergens op een normaal toilet. Zo schoon mogelijk voor jezelf. Maar af en toe moet het een keer buiten. Dan doe je het daar, nou pech.”

Dat Richard poepen als een probleem beschouwt, is niet terug te voeren op werkelijk gebeurde schaamtevolle situaties. Omdat hij in de periode dat hij buiten sliep zijn poepregime goed onder controle hield, was de angst om in schaamtevolle situaties terecht te komen niet erg groot. Hoewel hij er rekening mee hield dat mensen hem zou- den kunnen zien, sloot hij het in hoge mate uit. Uiteindelijk plaatst Richard het ‘probleem’ in perspectief: “Af en toe moet het een keer buiten, nou pech.” Het illustreert een dubbele houding die bij buitenslapers algemeen voorkomt: poepen in het openbaar is tegelijk bijzonder en gewoon.

Toch noemt Richard buiten poepen spontaan als het nadeel van het straatleven in de zomer. Poepen brengt de dakloze in een kwetsbare positie. Eenmaal aan het poepen is het niet meer mogelijk om je aan het zicht van voorbijgangers te onttrekken. Je bent in je kwetsbaarheid op een plaats gefixeerd. Poepen in het openbaar is iets ongewoons.

Elke voorbijganger zal er iets van vinden. De dakloze is echter niet in de situatie om zijn positie te verdedigen. Hoe meer het leven van de dakloze zich afspeelt in de open- bare ruimte, hoe groter de noodzaak om oplossingen te vinden om zonder schaamte te kunnen plassen en poepen.

Zoeken naar een geschikte plaats wijst daklozen op het feit dat zij een uitzonde- ringspositie hebben. In de stad een geschikte plaats vinden, is zeker niet makkelijk.[note 8]Hier is het nuttig een eigen ervaring weer te geven. In de zomer van 2000 slaap ik een nacht onder de Torontobrug tegenover theater Carré aan de Amstel, een vaste stek voor met name Duitse verslaafde daklozen. Om zes uur word ik wakker omdat ik nodig moet plassen. Drie halve liters bier en een glas Martini van de voorgaande nachtspelen op. Ik moet snel een plek vinden. Het is nog koud en ik heb geen zin om de Torontobrug over te gaan, omdat de wind daar vrij spel heeft. Ik loop richting centrum over een drukke verkeersader, de Stadhouderskade. Hoewel het er op dit tijdstip rustig is, rijden er voldoende auto’s om deze plek als plasplek te verwerpen. Ik loop de wijk in. Achter een supermarkt is – zo weet ik – een onoverzichtelijk stukje stad. Helaas zijn hier al werknemers van de supermarkt bezig brood uit rekken te halen. Ik loop een woonwijk in. Maar overal kunnen elk ogenblik mensen tevoorschijn komen uit vele woningen en portieken. Ik moet nu heel nodig plassen, bovendien ben ik bang dat mijn slaapzak onder de brug gepikt wordt. Uiteindelijk loop ik terug naar een boom langs de Stadhouderskade. Ik plas op deze plek, die ik eerder verworpen had. Enkele automobilisten kunnen me zien en ik schaam me daarvoor.
 Op het moment dat de buitenslaper moet poepen maar nergens kan, doemt onvermijdelijk een gevoel van malaise en uitsluiting op. Je voelt je geen mens. “Je voelt je net een hond,” zegt Richard. Poepen is een onrustige en onaangename bezigheid geworden.

Hoewel Richard de praktische problemen rond de dagelijkse behoefte relativeert, blijft de angst voor repressie – resulterend in het verlies van de slaapplek – en de schaamte. De kern van het probleem is dan ook: hoe kan hij een fysieke noodzaak zo vormgeven dat hij er in het alledaagse leven zo weinig mogelijk ongemak van onder- vindt, noch door repressie, noch door schaamte.

Mitchell Duneier beschrijft in Sidewalk (1999) een groepje buitenslapers in Green- wich Village in New York. Hoewel de omstandigheden verschillen van die in Amster- dam hangt hun poepgedrag ook nauw samen met de angst voor controle en schaamte. Dakloosheid dwingt volgens de antropoloog tot poep en plasgedrag dat door anderen als aanstootgevend wordt ervaren.[note 9]In hun boek over de Bowery in New York in de jaren tachtig, refereren Cohen en Sokolovsky aan een klein straatje dat de bijnaam Shit Street had gekregen. Het ontleende deze bijnaam aan de menselijke uitwerpselen die hier te vinden waren. Volgens Cohen en Sokolovsky was het ontstaan van Shit Street een rechtstreeks gevolg van de sluiting van publieke wasgelegenheden in Skid Row na de Tweede Wereldoorlog. Snow en Anderson schrijven in hun studie over daklozen in Austin, Texas (1989: 74, inclusief noot 1, en 96) over een poepplaats in de bosjes bij een vastgoedbedrijf in de buurt van de nachtopvang van het Leger des Heils. Dat daklozen hier poepen komt volgens de auteurs omdat het Leger des Heils maar één toilet heeft. Zij citeren één van hun sleutelrespondenten over de poepende daklozen: “What the hell else are they to do?”
 Het gebrek aan mogelijkheden om gebruik te maken van toiletgelegenheden binnen “leads them to engage in behavior that is unsani- tary and appears indecent to those who are not aware of its social genesis,” zegt hij (ibid.: 187).

Het gedrag van de buitenslapers in Amsterdam en New York staat niet los van de normen in de samenleving. De symbolische waarde die poep in de samenleving heeft, verliest zijn betekenis niet voor de buitenslapers. Het schijnbaar afwijkende poep- gedrag van buitenslapers komt juist voort uit het anticiperen op de normen in de samen- leving. De buitenslapers willen zich houden aan de “societal standard”. Wanneer de omstandigheden hen daar niet toe in staat stellen, blijft een zekere gêne. Duneier zegt: “Since embarrassment is based on our own sense of the way others view us, it is a thor- oughly social emotion, demonstrating embeddedness in society” (ibid.: 178). Dit argument zal ik hieronder versterken aan de hand van het voorbeeld van Gerard.

Poepen, schaamte en vrijheid

“Toen ik nog maar net op straat was, schaamde ik me ervoor, maar nu heb ik er schijt aan,” zegt buitenslaper Gerard over poepen in het openbaar.

Gerard (45) is een doorgewinterde buitenslaper. Hij leeft sinds zijn twintigste met tussenpozen op straat. In 1996, 1997 en 1998 heeft hij naar eigen zeggen alle nachten buiten geslapen. Hij had destijds een vaste stek op een trap bij de achteruitgang van een prestigieus winkelcentrum in het centrum van Amsterdam. Van deze trap is hij aan het eind van de winter van 1999 verwijderd. Sindsdien heeft hij verscheidene slaapplaat- sen in de binnenstad gehad. Momenteel slaapt hij – met toestemming van de eigenaar – in de opslagruimte van een bloemenwinkel.

Gerards stek in de binnenstad was medebepalend voor de wijze waarop hij zijn behoefte deed. In de binnenstad is het bewakingsregime van de politie de laatste jaren aanzienlijk verscherpt. In de winter van 1999 was Gerard een van de vijf tot tien personen die hun buitenslaapplek in het westelijk deel van de binnenstad hadden weten te behouden. Gerard heeft niet of nauwelijks contact met hulpverlenende instanties. Wel heeft hij een uitgebreid netwerk van persoonlijke contacten in de stad en in de buurt. Bij een groot deel van de plaatselijke middenstand was en is hij een bekende figuur. Er zijn echter maar weinig mensen bij wie hij in huis kon of wilde komen. Om te poepen en te plassen was hij meer dan vele andere buitenslapers – die wel binnen komen bij instellingen, kennissen, vrienden of familie – aangewezen op de straat.

De fiets van Gerard heeft z’n langste tijd gehad. Hij wordt voor vele doeleinden ingezet. Om de spullen die hij als buitenslaper met zich meetorst te dragen, om bloemen weg te brengen voor Erwin, de bloemenman bij wie hij werkt, en om het portiek waar hij slaapt af te sluiten van het rumoer in een drukke uitgaansstraat. Niet zo vreemd dat de fiets in korte tijd gebreken is gaan vertonen.

Toch fietst Gerard stevig door. Ik heb moeite hem te volgen. We zijn op weg naar ‘Lange man’, één van Gerards dealers, die zich momenteel ophoudt in een snackbar ergens in Amsterdam-Oost. Binnen een kwartier zouden we er zijn en dealers wachten niet.

Gerard zit in een penibele situatie. Erwin, de bloemenman, is het er niet mee eens dat hij spontaan een middagje vrij neemt. Gerard wil daarom op tijd terug zijn om te helpen met het afsluiten van de bloemenstal. Zijn werk in de stal is belangrijk als bron van in- komsten en als plek om “onder de mensen te komen,” zoals hij het zegt. Anderzijds weet hij dat hij bij de onderzoeker wel wat geld kan lospeuteren om een shot heroïne te bekos- tigen en hij blijft een groot liefhebber van drugs, dus deze kans laat hij niet lopen. Om al zijn belangen overeind te houden, is het zaak snel te handelen. Wanneer we de dealer missen, lopen Gerards plannen in de soep.

Maar juist dan slaat het noodlot toe. “Ik moet schijten als een beest zeg,” mompelt Gerard. Vooralsnog gunt hij zich echter geen tijd om te stoppen. De linkertrapper van zijn fiets schiet bij elke draai een stukje door. Ternauwernood omzeilen we een vracht- wagen. We rijden een doodlopende straat in. Dan maar terug en rechtdoor. Hij herhaalt: “Schijten als een beest zeg, hé,” en begint erbij te kreunen: “Ah, schijten moet ik. Ik moet schijten, moet ik hé.” Ik weet niet wat ik ermee aan moet en opnieuw een auto ontwij- kend, opper ik: “Wat dan, een plek zoeken?” Gerard op een toon van: we gaan niet moei- lijk doen: “Ik schijt zo het water in. Ah, ah, ah, ah, ah.” Op de Nieuwe Achtergracht zet- ten we de fietsen tegen de muur. We staan allebei te hijgen van de inspanning. “Let jij op me fiets,” zegt Gerard tegen mij. Hij loopt naar de overkant van de Nieuwe Achtergracht, trekt z’n broek naar beneden en hurkt half boven het water op nog geen tien meter afstand van een woonboot. Ik sta er aan de overkant wat lullig bij en hoor de dunne ont- lasting in het water klateren. Terwijl hij gehurkt blijft zitten, haalt hij een pak servetjes uit z’n zak. Hij heeft altijd een voorraad die hij bij verscheidene snackbars in de binnen- stad aanlegt. Op de gracht zijn mensen, een vrouw en een kind, maar het gaat allemaal zo snel dat zij niks in de gaten hebben. “Ah, ik zit helemaal onder,” kreunt hij, terwijl hij nog steeds gehurkt zorgvuldig een nieuw servet van het stapeltje plukt. Hij veegt nog een paar keer, kijkt naar het servet. Een vrouw fietst langs en ziet hem gehurkt zitten, besmuikt kijkt ze de andere kant op. “Sorry mevrouw, maar ik kan er ook niks aan doen,” zegt Gerard. En tegen mij: “Ja toch?” Ik mompel: “That’s life”. Gerard nogmaals: “Ja, kan ik ook niks aan doen hoor, toch, ah, ah, ahhhh, ahhhh.” Hij kijkt naar het laatste ser- vet, gooit deze net als de andere achter zich in de gracht, komt overeind en hijst z’n broek op. Terwijl hij naar de fiets aan de overkant loopt, gespt hij z’n riem weer dicht. We stap- pen op de fiets. En alsof er niks is gebeurd, vraagt hij: “Gaan we rechtdoor?”

Tien minuten later vinden we de dealer. Een druk baasje. Z’n haar heeft hij achterover gekamd over zijn kalende schedel. “Waar zat je nou!” roept hij Gerard toe. De mobiele telefoon bliept onophoudelijk. Met één hand houdt hij de telefoon vast, met de andere probeert hij uit de zak van zijn trainingsbroek een bolletje heroïne op te diepen. Onder- wijl ziet Gerard een bord met een hond die zit te poepen. Bovenaan het bord staat ‘gedoogzone’. “Hier ga ik zo meteen gebruiken,” grapt hij. ‘Lange man’ luistert maar half en snapt het niet. Hij steekt het geld in zijn zak en verdwijnt. Even later zit Gerard aan de oever van de kabbelende Singelgracht en spuit de heroïne. De rust keert weer.

Gerard geeft toe dat hij het liefst gebruik maakt van een toilet binnen om zijn behoefte te doen. Meestal doet hij dat ’s morgens direct nadat hij is opgestaan van zijn stek op het personeelstoilet van de Albert Heijn achter het Paleis op de Dam of op een semi-openbaar toilet van de nabijgelegen Letterenfaculteit van de universiteit. Door de kou, het druggebruik en zijn wisselende dag- en nachtritme kan hij ’s morgens vaak niet poepen. Dan moet hij een oplossing zien te vinden voor het poepprobleem op het moment dat het zich voordoet.

Gerard heeft al vele malen gehurkt boven de grachten van Amsterdam terwijl er mannen, vrouwen en kinderen voorbij kwamen. Hij heeft zich erop ingesteld. Boven- dien is hij er handig in geworden. Voor een leek zou het niet van gevaar ontbloot zijn om met de broek op de hielen te hurken op het uiterste randje aan het water. Van de straat naar de gracht is een groot verval, het water is koud en ligt bezaaid met fietswrak- ken. De hurkhouding vergt een hoge mate van spierbeheersing, zowel van de sluitspier als van de bovenbeenspieren.

Dat poepen in het openbaar gewoon is geworden, wil niet zeggen dat Gerard niet meer beseft dat voorbijgangers zijn gedrag bijzonder zullen vinden en in de meeste gevallen laakbaar of aanstootgevend. “Sorry mevrouw, ik kan er ook niks aan doen,” zegt Gerard. Hierin ligt de dubbele houding besloten. Poepen in het openbaar is gewoon en bijzonder tegelijkertijd. In zoverre verschilt Gerard eigenlijk niet van Richard.

Toch zegt de wijze waarop Gerard poept ook iets over Gerard zelf. Waarom poept hij meestal boven de gracht? Aan het water is vrijwel altijd open zicht. Daarmee ver- groot hij de kans dat hij door voorbijgangers gezien wordt. Bovendien is het niet uitge- sloten dat voorbijgangers opmerkingen zullen maken over zijn gedrag.

Gerard zegt voor het leven als straatmens te hebben gekozen. Hij gaat er prat op dat hij zich steeds aan de veranderingen in het stedelijk leven weet aan te passen en zo in staat is een aangenaam leven te leiden. Hoe Gerard omgaat met ontlasting is onderdeel van zijn professionele houding als buitenslaper. Boven de gracht poepen vindt Gerard de schoonste manier om buiten zijn behoefte te doen. “Het is gelijk weg,” zegt hij. Bovendien hoeft hij niet de openbare ruimte te vervuilen, waarmee hij repressieve maatregelen voorkomt.

Gerard heeft voor zichzelf beredeneerd met welk gedrag hij op de langere termijn het meest gebaat is. Daarbij houdt hij er rekening mee dat de omgeving zijn speel- ruimte als buitenslaper bepaalt. Wat door gebruikers of bewakers van de openbare ruimte als ongewenst gedrag wordt beschouwd, kan ertoe leiden dat bepaalde plekken worden afgesloten of tot verboden gebied worden verklaard. Gerard ziet wel in dat het de zaak van de buitenslapers – en daarmee zijn eigen zaak – geen goed doet wanneer voorbijgangers hem boven een gracht zien hangen. Maar de blijvende aanwezigheid van een mensendrol in een portiek of verborgen hoekje, laat staan in de buurt van zijn slaapstek, doet nog meer kwaad. Gerards ogenschijnlijke afwijkende gedrag aan de gracht, is in feite een ultieme aanpassing aan de omgeving ten bate van zijn vrijheid. Gerard benadrukt dat hij zich er niet schaamt. Wanneer ik hem confronteer met de op- merking die hij tegen de passerende vrouw maakt, zegt hij: “Dat doe ik om de shock voor die vrouw te verlichten”.

Wat er over ontlasting en dakloosheid is geschreven lijkt een uitstekende illustratie van de theorie van Mary Douglas. Heersende ideeën in een samenleving bepalen de gren- zen van orde en wanorde. Wie vuil is, is ‘out of place’ (1999: 36-7). Wat ook de over- wegingen zijn om in het openbaar te poepen, dat doet er niet toe, het leidt tot veroorde- ling, sanctionering en controle. “Intention (of pollution) is irrelevant to its effect,” zegt Mary Douglas (ibid.: 114). De grenzen die de samenleving stelt grijpen diep in in het leven van de buitenslapers. Schaamte overheerst. Wie – zoals Gerard – in staat is de schaamte te overwinnen, blijft door allerlei repressieve maatregelen toch sterk gebon- den aan de reguliere normen. De door Gerard bevochten vrijheid is, zoals hij zelf zegt, een vrijheid “binnen de mazen van de wet”.

De grenzen die de samenleving stelt hebben niet alleen invloed op individuele bui- tenslapers, maar ook op de onderlinge verhoudingen tussen buitenslapers. Hieronder zal ik daar nader op ingaan.

De betekenis van poep onder buitenslapers

Tijdens mijn veldwerk heb ik vele buitenslapers gesproken die zich beklaagden over het poepgedrag van andere buitenslapers. Veel buitenslapers ergeren zich eraan dat andere buitenslapers de slaap- of verblijfplaatsen bevuilen. Wie op of rond de slaap- plek poept verpest het – in de visie van de buitenslapers – voor de anderen. De vervui- lers worden echter niet alleen bekritiseerd vanwege hun gebrek aan loyaliteit, maar ook vanwege het door hun gedemonstreerde gebrek aan hygiëne. Dit gebrek aan hygiëne maakt volgens de critici deel uit van een algemeen gebrek aan normen en waarden. De vervuilers zijn de controle over hun eigen leven kwijt. De veelgehoorde kreet dat een aantal buitenslapers “overal zit te schijten” is een noemer voor de normloosheid van een deel van de buitenslapers. Wie zich niet meer stoort aan vuiligheid is in de ogen van de critici diep gezonken.

Het onderstaande fragment geeft aan dat de manier waarop andere daklozen poe- pen in de ogen van Gerard een eminent onderdeel is van de wijze waarop hij als dakloze door anderen wordt bejegend. Het is medebepalend voor zijn speelruimte in de stad.

Tijdens een van onze eerste gesprekken op een bankje in de buurt van zijn vaste slaap- plek moet Gerard poepen. Wanneer hij terugkomt, vertelt hij dat de meerkoeten in de gracht direct aan zijn poep begonnen te pikken. Lachend: “Kwamen ze aan hoor, met dat geluid dat ze maken: tik, tik.”
Ik: “Gadverdamme.”
G: “Ja, dat is toch een goed teken. Dat je gezond bent, anders gaan ze dat niet vreten. Ik kon het niet meer ophouden, m’n sluitspier kon het niet meer tegenhouden, echt waar, want anders schijt ik m’n hele broek vol en daar heb ik geen trek in. Nee, toch?”
Ik: “Nee, dan ben je verder van huis.”
G: “Godverdomme, wat een opluchting is dat zeg, weer drie kilo lichter. Al een paar dagen is dat al. Erg is dat hoor. En meestal moet ik ’s ochtends af, maar als ik dat niet doe, dan hoopt het op, weetjewel, en dan ’s ochtends is het koud weetjewel en dan zit ik in de universiteit, en dan gaat het niet, weetjewel, dan gaat het niet lekker. Kijk, ik doe het altijd in het water, maar je hebt ook gasten die schijten gewoon op die vlonder, weetjewel. Ik snap het niet, en dan zeggen ze: ‘Ja, er stonden een paar mensen te kijken.’ Nou dat vind ik gewoon zeikerig. Ze hebben altijd zo’n bek, blah, blah, maar ze verpesten wel die plekken weetje.”
Ik: “Dat is kortzichtigheid troef, natuurlijk.”
G: “Ja, dat is gewoon eh… gewoon selfish. Gewoon niet aan een ander denken, gewoon, hoe noem je dat? Egoïstisch is dat, weetje, niet aan een ander denken, maar wel schreeu- wen als er over gesproken wordt: ‘Ik doe het nooit, ik doe het nooit’.”
Ik: “Zo is die ene jongen, die Otto ofzo?”
G: “Duitsers, jongen. Die Otto heeft wel zo’n grote bek, maar die schijt overal jongen en hij maakt gewoon overal narigheid. Die zijn helemaal die normen kwijt gewoon, weetje- wel. Dus, maar… omdat ze al zo lang gebruiken, weetje, daar gedragen ze zich naar. Ze hebben al een hele eigen wereld opgebouwd. En omdat ze alleen zijn, zegt niemand ooit eens: ‘Dat kan niet, dat mag niet, dat weet je toch?’ Want ik moet ook gewoon m’n bek houden als ik zeg: ‘Trek je broek op Otto’.” Gerard imiteert de slepende spreektrant van een flashende gebruiker: “‘He, lass mir Mann, lass mir ganz gehen,’ is het dan. Zeg ik: ‘Moet ik je even in elkaar slaan, dan zal ik je even je broek optrekken’. Maar dan zegt-ie niks meer.”
Ik: “De flash gaat voor de plaats.”
G: “Ja, weetjewel, ze zijn gewoon arrogant, gewoon ego geworden. Hij zegt ook altijd: ‘Ja, ik ruim m’n spullen op’. Maar hij pakt zijn zakie en weg is-tie. Hij heeft niks opge- ruimd. Maar hij zegt het wel, weetjewel. Altijd contra, contra, contra. Want wie is er die hem erop wijst? Niemand! Hij heb schijt eraan. Ja en wie ben ik dan, die hem de les kan lezen. Want ik leef zelf ook zo, denkt ie. Weet je, dus ik moet m’n bek houden, gewoon.En wat maakt het uit, denkt ie, we zijn zelf ook allemaal zo. Maar hij vergeet dat er nor- men zijn, hij vergeet dat er codes zijn.”

Veel collega-buitenslapers maken er in de ogen van Gerard een potje van, doordat zij nooit voor het leven op straat hebben gekozen. Zij laten zich leiden door persoonlijke grillen en zijn een speelbal van de omgeving. In Gerards optiek kun je beter op korte termijn een paar voorbijgangers shockeren dan je slaapplek voor de lange termijn ver- pesten. Dat Otto dit niet inziet, maakt volgens Gerard wel duidelijk dat hij geen echte buitenslaper is. Gerard vindt het slap dat andere buitenslapers zich iets gelegen laten liggen aan een opmerking of de blikken van een toevallige voorbijganger. Dat de bui- tenslaper zich schaamt, kan hij nog billijken, maar dat de buitenslaper zich door deze schaamte laat leiden, vindt hij een vorm van “arrogantie” en “egoïsme”. “Ze zijn ego geworden,” zegt hij.

De door Gerard geventileerde kritiek op Otto laat zien dat de ideeën die ertoe leiden dat buitenslapers gemarginaliseerd worden ook door buitenslapers zelf worden gehan- teerd. Juist wanneer we het adagium van Douglas serieus nemen en we aannemen dat er geen absoluut vuil bestaat, is het zaak om ook de verhalen van de buitenslapers te bezien binnen de sociale context. Niet alleen binnen de context van de samenleving, maar ook binnen de context van de verhoudingen onder buitenslapers. Wanneer ik de verhalen van veel buitenslapers mag geloven is er een groep buitenslapers onder hen die de behoefte doet zonder met anderen rekening te houden.

Voor een onderzoeker is het moeilijk om het beeld dat buitenslapers zelf schetsen van andere buitenslapers te controleren. De sfeer van schaamte rond het onderwerp poep maakt waarnemingen uit de eerste hand schaars. Hieronder kan ik slechts de ver- halen van de buitenslapers aanvullen met enkele eigen waarnemingen. Het staat buiten kijf dat buitenslapers soms poepen op hun slaap- of verblijfplek of daar dicht in de buurt. Gerard en Richard geven enkele voorbeelden die het bestaan van deze praktijken lijken te bevestigen.

Richard zegt: “Je hebt ook een hele hoop daklozen die doen het waar ze slapen. Die leg- gen hun matras daar waar ze net gepist hebben. Ik kan me dat niet voorstellen, maar die zijn d’r. En ik heb ook wel gezien dat ze hier sliepen en tien centimeter verder schijten ze. Ik zou dat niet doen, maar er zijn mensen die het niet vies vinden. Die schijnen er toch te zijn.”
Ik: “Je hebt het gezien, meegemaakt?”
R: “Nou, dat ze ergens lagen te slapen terwijl er een drol naast lag. Nee, ik weet niet of dat hun drol was, maar ze lagen er wel naast.”

In zijn dagboek beschrijft Gerard in retrospectief hoe hij – terugkerend van een desas- treuze reis naar Italië, waar zijn beste vriend is omgekomen bij een motor-ongeluk – in de Bijlmer-hoogbouw in Amsterdam-Zuidoost een onderkomen zoekt:

Wat ik toen de eerste nacht meemaakte kan ik nu nog met veel moeite vertellen, want het was te erg om te zien en hoe mensen weer eens beesten kunnen zijn. Nee, we sliepen ergens in zo’n lege maar toch verwarmde flat toen er plots midden in de nacht een paar Italianen stonden in de kamer in ene en die zochten dus ook een slaapplaats voor de nacht. En die Italianen wonden er geen doekjes om en trokken de kasten omver en gin- gen daarop liggen te slapen. En nu komt het, toen moest er eentje pissen en die draait zich om opent zijn slaapzak en pist zo uit zijn bed de kamer in en als meneer klaar is draait die zich om en sliep gewoon verder, alsof daar niets gebeurd is. Nou kun je dat voorstellen zo smerig als die gasten zijn doen zij dat ook in de praktijk. Ik ben gelijk naar de flat ernaast gegaan, maar wat ik daar moest aanschouwen. Een grote WC hadden ze ervan gemaakt, geen enkel schoon plekje meer te bekennen, dus ik naar de volgende flat. Maar daar idem precies hetzelfde, en dat ging zo de hele galerij af aan tot het einde. En vond ik nogal een van de smerigste ervaringen die ik mee heb gemaakt hierop eigen bodem. Tja wat kan je daarop nu nog zeggen! Dat mensen ook beesten kunnen zijn!

Het dagboek van Gerard bevat de beschrijving van onder meer een groot aantal schok- kende gebeurtenissen die zich in zijn leven hebben afgespeeld. Desondanks zet hij de mensen die erin figureren op geen enkele plaats weg als “beesten”. Deze kwalificatie reserveert hij exclusief voor de willekeurig pissende en schijtende Italiaanse daklozen. Hij schrijft: “Zo smerig als die gasten zijn, doen zij dat ook in de praktijk.” Hiermee koppelt hij het gedrag van de daklozen los van de omstandigheden en dicht het volledig toe aan het zijn, het wezen, een diepgewortelde mentaliteit of persoonlijkheidsstruc- tuur, die voortkomt uit een gebrek aan opvoeding of een defect genenpakket. Dat hij zich in de rest van zijn dagboek juist wel gevoelig toont voor de invloed van de omstan- digheden op het gedrag van collega-daklozen, maakt dit des te sterker.

De volgescheten flatgalerij uit het dagboek van Gerard spreekt voor zichzelf. Deze ervaringen worden bevestigd door de leden van een gezin dat gedurende elf jaar in een woonboot naast een buitenslaapplek van daklozen woonde. In een onvoorspelbare fre- quentie en mate vonden de bewoners op de kade voor hun woonboot menselijke uit- werpselen. “Soms vond je een hele periode niets en dan was het weer elke dag raak,” vertelt één van de bewoners.[note 10]De ervaringen van deze bewoners zijn betrouwbaar. De bewoners hebben nooit gepleit voor het afsluiten van de slaapplek voor daklozen. Integendeel, zij hebben elf jaar geprobeerd om als goede buren met de daklozen ‘samen te leven’. De menselijke uitwerpselen zijn nooit ingezet als breekijzer om de autoriteiten tot repressieve maatregelen aan te zetten. Dat de bewoners het poepprobleem tegenover de onderzoeker zouden overdrijven is tegen deze achtergrond niet logisch.
 Zelf heb ik meegemaakt dat buitenslapers om de hoek van hun slaapplek plasten, waardoor – met name in de zomer – een penetrante urine- lucht rond de slaapplek hing. Eenmaal hield een buitenslaper een forse tirade over de andere buitenslapers die overal pissen en schijten. Om een paar minuten later precies om de hoek van zijn slaapplaats te plassen.

Het ligt voor de hand te denken dat daklozen en buitenslapers door het leven op straat gewend zijn geraakt aan vuil. Dit zou deels kunnen verklaren waarom er buiten- slapers zijn die slapen in de nabijheid van hun eigen uitwerpselen of de uitwerpselen van anderen. Veel buitenslapers zijn verslaafd. Een klein deel van de buitenslapers kampt met ernstige psychiatrische problemen. De gezondheid van veel buitenslapers is slecht. Geestelijke, lichamelijke en verslavingsproblemen kunnen leiden tot een tijde- lijke of structurele gebrekkige controle op het leven. Hierdoor zijn buitenslapers niet in staat om poepproblemen adequaat op te lossen. Het is voorstelbaar dat ook dit leidt tot gedrag dat kan worden aangemerkt als onhygiënisch en deloyaal.

Toch lijken de bevindingen van mijn onderzoek strijdig met de stelligheid waarmee buitenslapers andere buitenslapers afschilderen als vervuilers bij wie normen en waar- den zijn vervaagd en schaamte ontbreekt. Tijdens mijn veldwerk – soms bij nacht en ontij – heb ik geen gedrag waargenomen dat het beeld van de schaamteloze vervuiler bevestigde. Ik heb nooit een buitenslaper in mijn bijzijn of het bijzijn van anderen zomaar zijn broek naar beneden zien trekken om te gaan poepen. Altijd ging er een of andere legitimering aan dat gedrag vooraf. Ofwel de plek was vooraf aangewezen als poepplaats, ofwel de buitenslaper bracht zijn of haar gedrag vooraf ter sprake.[note 1]In Nederland geldt dit wellicht des te meer. Zoals Van der Geest schrijft: “De geschiedenis van het toilet in onze eigen maatschappij is het verhaal van steeds groter technisch vernuft dat een steeds ‘schonere’ en meer private manier van ontlasting mogelijk maakte” (1998: 149).
 Ik meen hieruit voorzichtig te kunnen concluderen dat plassen en vooral poepen voor ver- reweg de meeste buitenslapers is omkleed met terughoudendheid. Om deze stelling op de proef te stellen, bespreek ik hieronder twee cases waarin sprake lijkt te zijn van een deviante omgang met poep en plas. Ik zal laten zien dat dit gedrag bij nader inzien goeddeels valt te verklaren uit dezelfde gevoelens van schaamte en angst voor repres- sie die bij Richard en Gerard een rol speelden.

Buitenslapers en vuiltolerantie

Een WC in de huiskamer

In 1995 schreef ik, als verslaggever, een artikel over de bewoners van de boxen onder enkele flats van de Bijlmer-hoogbouw (Rensen 1995). Ik ging geregeld op bezoek in de box bij Bernard. Oorspronkelijk deden deze ruimtes dienst als opslagplaats voor de bewoners, maar de boxruimte waar Bernard zich – sinds drie maanden – had gevestigd was goeddeels vernield. Boxen waren doorgebroken, deuren verdwenen. Met moeite was de oorspronkelijke indeling nog te zien.

Bij mijn tweede bezoek troonde Bernard mij mee naar een achterafgangetje. De penetrante geur deed mij al iets vermoeden. Hier hadden de bewoners een gemeen- schappelijk toilet ingericht. “Dit is de keerzijde van het boxleven,” zei Bernard koel om vervolgens door te lopen naar zijn slaapplaats op zo’n vijftien meter afstand. Wat hem betreft mocht de fotograaf rustig wat foto’s maken van deze keerzijde.

De groep bewoners vormde een tamelijk gesloten subcultuur. Van onderlinge schaamte was weinig sprake meer. Daarbij bood het schemerige WC-gangetje een zekere privacy die de onderlinge schaamte verminderde. In de boxruimte was het vrij- wel uitgesloten dat iemand van buiten de subcultuur van drugverslaafden de ruimte zou betreden. De boxruimte was door de toezichthouders – woningbouwvereniging en politie – verlaten en door de bewoners gebarricadeerd. De bewoners leefden in een soort toezichtvacuüm waar zij zelf de interne regels bepaalden. Hun poepgedrag had dus op korte termijn geen gevolgen voor de stabiliteit van de slaapplek. Daar kwam nog bij dat het destijds redelijk eenvoudig was om een nieuwe boxruimte te betrekken. Schaamte en de angst weggestuurd te worden speelden in deze box veel minder een rol dan bij een slaapplek in de openbare ruimte van de binnenstad. Dit verklaart wellicht de ogenschijnlijke onverschilligheid waarmee de boxbewoners een deel van hun gemeen- schappelijke slaapruimte inrichtten als WC.

De reden dat de box als toilet werd ingericht was volgens Bernard eenvoudig. “Wie gaat er in het stikkedonker de kou in om tussen die flats te gaan zitten?” vroeg hij zich retorisch af. “Stel je voor dat er iemand langs komt?”

Sociaal netwerk tegen incontinentie

Het tweede voorbeeld is Harm. Hij is één van de weinige buitenslapers die zichzelf niet kunnen of willen schoonhouden. Harm ruimt zelden of nooit iets op. Er zijn periodes dat hij geregeld in zijn broek plast en poept. Hij is sinds jaar en dag een zware drinker. Afhankelijk van zijn financiële middelen, drinkt hij zo’n twaalf halve liters bier per dag, soms aangevuld met een liter Jägermeister. Dat hij in zijn broek plast en poept komt volgens de buitenslapers die hem goed kennen door zijn zware alcoholgebruik. Feit is dat op het moment dat Harm enkele maanden in de gevangenis belandt, zijn ont- lasting weer vaste vormen aanneemt.[note 12]Het is niet duidelijk of incontinentie medisch gezien een direct gevolg is van alcoholverslaving. De vakliteratuur biedt geen uitsluitsel. Een van de daklozenartsen van de Amsterdamse GG & GD wiens clientèle voor 25 procent uit alcoholverslaafden bestaat, twijfelt over een direct medisch verband. Volgens hem kan de incontinentie ook deels of geheel worden teruggevoerd op aan de dronkenschap gebonden desinteresse. Het verband kan ook indirect medisch zijn als gevolg van bijvoorbeeld een virusinfectie door verminderde weerstand, die weer het gevolg is van alcoholgebruik.
 Dit maakt het aannemelijk dat we hier kunnen spreken van incontinentie. Om deze incontinentie te stoppen zou Harm moeten stop- pen met drinken. Dit lijkt voor hem geen optie. Over de mogelijkheid om te stoppen is hij, naar eigen zeggen: “gedesillusioneerd”. Harm spreekt over zichzelf als alcoholist en lijkt de rest van zijn leven hiernaar in te richten.

Als dakloze kan Harm zich niet voortdurend terugtrekken uit het dagelijks leven om te verbergen dat hij in zijn broek heeft geplast of gepoept. In hoeverre hij zich schaamt tegenover de anderen is moeilijk te zeggen. In de dagelijkse omgang met anderen baga- telliseert hij het probleem. “Ik pak een toiletrol en schijt in de struiken,” zegt hij, wanneer een andere buitenslaper het poepprobleem van daklozen aan de orde stelt.

Harms alcoholisme en zijn weigering om zichzelf en zijn omgeving schoon te maken lijken de bronnen van een onoplosbaar zelfvervuilingsprobleem. Toch heeft ook Harm een modus vivendi gevonden. Sinds drie jaar wordt hij verzorgd door Marja, een buitenslaapster met wie hij samen onder een verlaten scheepshelling aan het IJ woont. Als tegenprestatie draagt Harm een deel van zijn uitkering af aan Marja. Zij koopt hiervoor boodschappen die ze deelt met de andere bewoners van de scheeps- helling. Marja en Harm zijn samen de pater en mater familias van een vaak chaotische leefgemeenschap onder de helling. Hoewel zij geen seksuele relatie hebben, zijn zij erg aan elkaar verknocht. De vriendschap is gebaseerd op wederzijdse gevoelens van geborgenheid en genegenheid; ze noemen zichzelf “gabbers”.[note 13]Van der Geest heeft gewezen op de invloed die intimiteit tussen mensen heeft op de houding tegenover de poep van een ander: “De poep van een ander is minder ‘out of place’ als die ander zelf minder ‘out of place’ is; als er intimiteit tussen verzorger en verzorgde bestaat. Poep kan daarom zowel afkeer als tederheid, zorg oproepen,” zegt hij (1999: 108).

Poep, plas en vuil in het algemeen laten Harm ogenschijnlijk onverschillig. De ratten op het terrein beschrijft hij als “lieve diertjes”. Anderzijds laat Harm zich wel door Marja verzorgen. Kennelijk beseft hij dat hij deze verzorging nodig heeft. Indien Harm een actieve strategie hanteert, dan is het dat hij zijn vuilprobleem tot onderdeel heeft laten worden van één van zijn meest betekenisvolle sociale relaties. Dat Harm zich laat verzorgen door Marja zou een aanwijzing kunnen zijn dat de schaamte voor de ‘zelf- vervuiling’ niet is verdwenen, maar is verborgen achter een pantser van ruwe bolster- gedrag. Het is de vraag of het gedrag van Harm en andere buitenslapers die zichzelf periodiek vervuilen voortkomt uit een desinteresse voor viezigheid en de normen die hieraan gekoppeld worden. De schijnbare schaamteloosheid moet eerder gezien wor- den als een aanpassing aan de als onvermijdelijk ervaren alcoholverslaving. Volgens Harm moet ik de oorzaak van zijn zelfvervuiling niet te diep zoeken. “Een alcoholist,” stelt hij “maakt een alcoholcarrière door. Je gaat steeds een stukje hoger op de ladder. Hoe hoger je gaat – en ik ben al heel wat treetjes geklommen – hoe slechter je voor jezelf gaat zorgen. Zo simpel is dat.”

De voorbeelden van Bernard en Harm tonen aan dat er heel voorzichtig moet worden omgesprongen met het toedichten aan buitenslapers van een gebrekkige schaamtehuis- houding of een algemeen gebrek aan normen en waarden. Bernard poept in zijn directe omgeving juist om schaamtevolle situaties in de open ruimte tussen de Bijlmerflats te voorkomen. Voor Harm is het onmogelijk om schaamtevolle situaties geheel te voor- komen. Hiervoor zou hij de alcohol moeten afzweren. Door zich te laten verzorgen houdt hij de zelfvervuiling en de gevoelens van schaamte daarover hanteerbaar. Dat Harm hiervoor een deel van zijn inkomen reserveert, geeft mijns inziens aan hoeveel belang hij eraan hecht dat Marja hem blijft verzorgen. Dit bedrag kan hij immers niet meer aan drank uitgeven en voor een alcoholist kan de betekenis hiervan nauwelijks worden onderschat.

Vuil: absoluut of relatief?

Harm verspreidt geregeld de geur van urine en poep om zich heen. Hoewel de overige daklozen onder de helling er vaak opmerkingen over maken, lijken zij zich er niet al te veel aan te storen. Hij wordt niet gemeden. In de Bijlmer-box heb ik de bewoners gebruik zien maken van de WC-box. Het gemak waarmee de bewoners zich in elkaars nabijheid ontlastten, verbaasde mij. Groepen buitenslapers vormen kennelijk een sub- cultuur met eigen normen, ook ten aanzien van lichaamsafscheidingen. Ook hier lijkt Douglas het gelijk aan haar zijde te hebben.

Toch heeft poep een heel hoog selecterend karakter. De tolerantie ten opzichte van poep is niet algemeen voor buitenslapers. Gerard en Richard zouden beiden acuut uit de Bijlmer-box vertrekken nadat zij de penetrante stank uit het WC-gangetje hadden opgesnoven. Of zij samen zouden kunnen leven met Harm is de vraag. Dakloze bewo- ners van de helling mijden Harm niet, maar ze mijden wel de stoel waarop hij heeft gezeten. Van de kleine groep buitenslapers die er geen bezwaar tegen heeft ‘intieme producten’ te ruiken, haakt weer een deel af wanneer zij ‘intieme producten’ voelen.

De marginale sociale positie die buitenslapers delen, leidt er niet toe dat zij er allen dezelfde normen over poep en vuil op nahouden, integendeel. De differentiatie is gro- ter dan waar ook. Dit lijkt te pleiten voor een intrinsieke waarde van vuil en de gevoe- lens die vuil opwekt. In The anatomy of disgust stelt William Miller zich de retorische vraag: “Might it be that disgust itself has a structure which it imposes on cultural orde- rings?” (1997: 62). Volgens hem kan walging in verschillende culturen ingrijpend van betekenis veranderen, zoals ook Douglas betoogt, maar, zegt hij, “it would take more work, a longer story, to do so than to go, so to speak, with the flow” (ibid.: 63). Hoewel Miller zeker niet ontkent dat de zintuigen begoocheld kunnen worden door sociale ver- houdingen, probeert hij terrein terug te winnen voor de zintuigen en de emoties. Zien, ruiken, horen, voelen en proeven kunnen walging teweegbrengen onafhankelijk van de sociale positie. De uiteenlopende opvattingen van buitenslapers over poep en vuil nopen mij ertoe om de opvatting van Miller naast die van Douglas serieus te nemen. Tegen de achtergrond van de homogene sociale positie van buitenslapers is het vreemd dat ideeën en praktijken over vuil bij hen zo uiteenlopen.

Tot besluit

De wijze waarop buitenslapers met poep en poepen omgaan wordt gekenmerkt door ambiguïteit. Het leven van dakloze buitenslapers speelt zich goeddeels af in de publieke ruimte. Dit is in hoge mate bepalend voor de wijze waarop zij met poepen omgaan. Buitenslapers poepen soms op plaatsen waar zij gezien kunnen worden, omdat zij in deze gevallen geen andere keus hebben. Buitenslapers zien dit als een pro- bleem. De meeste buitenslapers schamen zich ervoor om buiten te poepen. Het wijst hun op de marginale positie die zij innemen. Over het algemeen tracht men het poepen te verbergen voor de buitenwereld. In sommige gevallen treedt er een verregaande vorm van gewenning op, waarbij buitenslapers de schaamte ondergeschikt maken aan de normen die het straatleven hen oplegt.

Tegelijkertijd relativeren buitenslapers het poepprobleem als een onvermijdelijk onderdeel van het daklozenbestaan. Zij hebben een scala aan strategieën ontwikkeld om het poepprobleem op te lossen. Zij willen de zichtbaarheid van poepen en poep voor anderen minimaliseren, maar zijn niet bereid om zichzelf daarvoor al te veel moeite te getroosten.

Buitenslapers worden veel met vuil en de gevolgen van vuil geconfronteerd. Zij hechten hierdoor een eigen betekenis aan vuil. Tegelijkertijd beseffen zij zeer goed welke symbolische betekenissen er in de heersende cultuur aan vuil worden gehecht. Buitenslapers staan daar ook niet los van. Juist daarom kennen zij gevoelens van gêne en schaamte voor het bevuilen van de openbare ruimte met hun ontlasting. Hun poep- strategieën zijn niets meer of minder dan een afweging tussen deze gevoelens van schaamte en praktische overwegingen die hun worden ingegeven door het dagelijkse leven. Buitenslapers hebben de poeptolerantie niet in hoge mate verinnerlijkt. Het ogenschijnlijke ‘gemak’ waarmee daklozen relativeren is mijns inziens geen gebrek aan schaamte, maar een noodgedwongen aanpassing aan de realiteit van het dagelijkse leven in de openbaarheid. Buitenslapers moeten leven met een zekere mate van ambi- guïteit.

Dit zou kunnen wijzen op een conclusie die algemener toepasbaar is. Kennelijk bestaan er taboes die sterk in het waarden- en normenstelsel van een samenleving ver- ankerd zijn, maar die onder bepaalde omstandigheden toch tamelijk eenvoudig gerelativeerd worden.

Het voorkomen van schaamtevolle situaties is niet slechts bedoeld om de voorbij- ganger te vrijwaren van de aanblik van vuil, zoals Duneier stelt, maar veeleer om de persoonlijke schaamte te minimaliseren. ‘Eigenbelang’ speelt een rol. Buitenslapers willen niet van hun slaapplek verjaagd worden en zij willen hun zelfrespect behouden. Dit eigenbelang wordt door de buitenslapers soms gemaskeerd door de algemene norm te belijden en deze in de dagelijkse praktijk te negeren. Zoals Douglas zegt: “We can- not understand this field of pollution unless we enter the sphere which lies between that behaviour which an individual approves for himself and what he approves for others” (1999: 131).

Vuil heeft een grote invloed op het leven van buitenslapers. Het onderscheidende aspect dat door Douglas zo pregnant onder woorden is gebracht ondervinden buitenslapers aan den lijve. Symbolische betekenissen van vuil dragen bij aan de besten- diging en de verheviging van de marginaliteit. Uitwerpselen bij de slaapplek kunnen leiden tot verwijdering. Ook al is het niet duidelijk hoe die uitwerpselen daar zijn geko- men. Niet alleen de poep van de buitenslapers is daarmee tot ‘matter out of place’ ver- klaard, maar ook de buitenslapers zelf. In die zin worden de buitenslapers vereenzel- vigd met uitwerpselen.

Dat ideeën over vuil bijdragen aan hun marginalisering is voor de buitenslapers geen reden om die ideeën te verwerpen of te bestrijden. Zij gebruiken evenals elke andere groep de symbolische betekenis van vuil als middel om een onderlinge hiërar- chie aan te brengen. Ondanks de backstage-relativering van vuil wordt de heersende idee over vuil frontstage volop ingezet om de status van andere buitenslapers te ver- lagen en de eigen status te verhogen. Buitenslapers zijn zich daarbij wellicht meer bewust van het theatrale karakter van het statusspel dan niet-buitenslapers. Frontstage- betekenissen worden zowel gebruikt voor buitenslapers als voor niet-buitenslapers. Het komt voor dat buitenslapers de eigen rol en positie kenschetsen als volgens de algemene norm, terwijl het gedrag in de dagelijkse praktijk juist sterk afwijkt van die norm. De aan poepen verbonden heimelijkheid versterkt dit ingewikkelde patroon nog eens. Wie in het verborgene z’n behoefte doet, wordt niet direct als persoon gesanctio- neerd. Over de reden van de sancties blijft vaak onduidelijkheid bestaan. Buitenslapers zijn zich in grote meerderheid heel wel bewust van de impact die hun poep op anderen heeft. Poep biedt buitenslapers de kans om zichzelf te positioneren, daarin onderschei- den zij zich niet van anderen.

Op één punt vormen de buitenslapers een homogene groep. Hun sociale positie is marginaal. De sociale positie leidt er echter niet toe dat zij er allen dezelfde normen over vuil en poep op na houden, integendeel; de differentiatie is groter dan waar ook. De ideeën over vuil en poep lopen – frontstage en backstage – uiteen, wat onderling tot de nodige frictie leidt. Deze differentiatie lijkt ondersteuning te bieden voor de idee van Miller dat vuil en de daarbij behorende emoties een intrinsieke waarde hebben die structuur kan aanbrengen in culturele ordeningen. Voor buitenslapers geldt dit wellicht des te meer omdat zij veel in aanraking komen met vuil.

Noten

Peter Rensen is socioloog. Hij is verbonden aan de Sectie Stadssociologie van de Universiteit van Amsterdam en aan de onderzoeksschool Amsterdam Study Centre for the Metropolitan Environment (AME). In 1997, 1999 en 2001 coördineerde hij het telonderzoek daklozen Amsterdam. Sinds 1998 werkt hij aan een dissertatie over buitenslapers in Amsterdam.

Literatuur

Cohen, Carl I. & Jay Sokolovsky 1989 Old men of the bowery. Strategies for survival among the homeless. New York/ London: The Guilford Press.
Deben, Léon & Barbara van Gestel 1995 Inventarisatie bergingen hoogbouw Bijlmermeer. Amsterdam: Woningcorporatie Nieuw Amsterdam/Universiteit van Amsterdam.
Deben, Léon & Dirk J. Korf 1995 Intern verslag tel- en consumentenonderzoek. Amsterdam: Universiteit van Amster- dam en het Amsterdamse Bureau voor Onderzoek en Statistiek.
Douglas, Mary 1999 Purity and danger. An analysis of concepts of pollution and taboo. Hammondsworth: Penguin [1966].
Geest, Sjaak van der 1998 Poep en omstreken: Over scatologie, cultuur en welbevinden. Medische Antropolo- gie 10(1): 139-157.
1999 Het toilet van de oudere: Over respect, intimiteit en vuil in Ghana. Medische Antro- pologie 11(1): 98-110.
Geest, Sjaak van der & Els van Dongen 1999 Ten geleide: Poep, cultuur en welbevinden. Medische Antropologie 11(1): 1-6. Gemeente Amsterdam en Eysink, Smeets & Etman
2000 Dakloze verslaafden in Amsterdam-Zuidoost. (Ongepubliceerd).
Healy, John 1991 Losgeslagen. Utrecht: Kwadraat. (Vertaling van The Grass Arena. An autobiograp- hy, 1988).
Korf, Dirk, Léon Deben et al. 1997 Dak- en thuislozen in Amsterdam. Tel- en consumentenonderzoek. Amsterdam: Onderzoek & Statistiek en Universiteit van Amsterdam.
Korf, Dirk J., Léon Deben, Steven Diemel, Peter Rensen en Heleen Riper 1999 Een sleutel voor de toekomst: Tel- en consumentenonderzoek onder daklozen in Amsterdam. Amsterdam: Thela Thesis.
Miller, William Ian 1997 The anatomy of disgust. Cambridge, Mass.: Harvard University Press.
Politie Amsterdam 1999 Streetwise. Amsterdam: Politie Amsterdam.
Rensen, Peter 1995 Holbewoners. Nieuwe Revu 20/27-december: 22-27.
2001 Waarom slapen daklozen buiten? Sociologische Gids 48(1): 31-49. 
Snow, D. & L. Anderson 1993 Down on their luck. A study of homeless street people. Berkeley/Los Angeles/Oxford: University of California Press.