Yipratmak: uitputten, versluiten, kapot maken

Ouderdomsbeleving van oudere Turken in Nederland

Abstract

De onderzoekers hebben een serie gesprekken en groepsdiscussies gevoerd om inzicht te krijgen in de ouderdomsbeleving van oudere Turkse gastarbeiders in Nederland. De kern van hun beleving is het Turkse woord yipratmak, een werkwoord dat wijst op een actief proces van uitputten, verslijten, kapot maken en vroeg oud doen worden. De mannen hebben het gevoel oud en ziek te worden gemaakt door taalproblemen, onwillige en onbetrouwbare Nederlandse instellingen, en kinderen die weigeren de traditionele zorgtaken op zich te nemen. Bij wijze van zelfzorg gaan ze regelmatig voor langere perioden op vakantie naar Turkije. Deze vakanties verlichten de stress en genezen hun klachten, maar bij terugkomst in Nederland blijkt door hun lange afwezigheid de bureaucratie nog zwaarder dan vóór het vertrek. De mannen zien de toekomst somber in. Ze hopen op een snelle dood.

In de jaren zestig zijn veel Turkse mannen in reactie op de krapte op de arbeidsmarkt naar Nederland gekomen. Omdat zowel deze mannen als de Nederlandse overheid meenden dat het ging om een tijdelijk verblijf, werd er niet geïnvesteerd in taal of inte- gratie. Inmiddels zijn deze mannen al meer dan dertig jaar in Nederland, hebben hun vrouwen zich bij hen gevoegd en zijn hun kinderen hier opgegroeid. Verlaan (1992: 168) merkt op dat ze een eigen levensstijl hebben ontwikkeld: een mix van het leven in Turkije en aanpassingen hier.

De werkloosheid onder de oudere Turken is groot. Veel ongeschoold werk is ver- dwenen of overgenomen door jongere generaties. Daarnaast doen veel oudere Turken een beroep op de WAO. De Rapportage Minderheden 1998 (Tesser et al. 1998) schetst een beeld van forse financiële en sociale problemen en constateert dat de ouderen vin- den dat ze een zwakke gezondheid hebben. Desalniettemin maken de oudere Turken weinig gebruik van de Nederlandse ouderenzorg (vergelijk ook Van Niekerk 1991 en Van Toorn 1992). We hopen met dit onderzoek een bijdrage te leveren aan beter pas- sende ouderenzorg voor oudere Turken in Nederland.

Methode

Theorie ten aanzien van ouderdomsbeleving van oudere Turken moet haast van de grond af worden opgebouwd.[note 1]Volgens Van der Geest (1996) zijn de weinige publicaties over oudere Turken in Nederland en hun wensen op het gebied van zorg beschrijvend van aard. Bovendien wordt er geen po- ging gedaan tot theorievorming (zie bijvoorbeeld Prakken 1993, Bakker 1992, Van Nie- kerk 1991) en is onderzoek gedaan onder zelfgeselecteerde groepen oudere allochtonen (zie bijvoorbeeld Leeflang 1994 en Van Toorn 1994). Overigens is dit niet verwonderlijk: het thema oudere migranten is in Nederland nieuw en genoemde auteurs zijn explorerende pioniers.
Daarom is gekozen voor de gefundeerde theorie benade- ring zoals beschreven door Strauss en Corbin (1990) en is er gewerkt met de vier on- derzoeksfasen van Wester (1987): exploratie, specificatie, reductie en integratie. In elke fase is één of meerdere malen de cyclus reflectie, dataverzameling, data-analyse en reflectie doorlopen. Bij de analyse van de gegevens is gebruik gemaakt van het com- puterprogramma QED-analysis.

In totaal vonden er drie groepsdiscussies en negen individuele gesprekken plaats. Rond de veertig oudere Turken hebben een bijdrage geleverd. De respondenten, ge- vonden via sleutelfiguren binnen de verschillende Turkse sociale groepen in Apel- doorn, waren allen in Apeldoorn woonachtig. Vrouwen bleken voor de mannelijke on- derzoeker niet toegankelijk en het onderzoek beperkt zich dus noodgedwongen tot oudere Turkse mannen. Omdat Soennieten, Alevieten en een Koerd vergelijkbare denkbeelden bleken te hebben, is in de loop van de gesprekken besloten om, in navol- ging van Van Niekerk (1991:12), de oudere Turken voor wat betreft hun ouderdoms- beleving te beschouwen als een homogene groep.

Het gemiddelde individuele gesprek duurde een uur. De gemiddelde groepsdiscus- sie duurde anderhalf uur. Tijdens elk gesprek was een tolk aanwezig die de vragen let- terlijk vertaalde. Bij groepsdiscussies vatte de tolk de antwoorden en discussies kort samen. Bij individuele gesprekken werd er uitgebreider en vaak zelfs letterlijk ver- taald. De gesprekken werden op band opgenomen en onmiddellijk na afloop van het in- terview letterlijk uitgeschreven en vertaald. Om de respondenten zo min mogelijk te sturen hielden de onderzoeker en de tolk zich tijdens de groepsdiscussies zoveel moge- lijk op de achtergrond. De onafhankelijkheid van de onderzoeker is benadrukt door te wijzen op zijn onvermogen om als Rotterdamse onderzoeker iets aan de situatie van de Apeldoornse oudere Turken te veranderen.

In navolging van Nievaard (1990) is de verkregen informatie geïnterpreteerd met behulp van actieve triangulatie. Gegevens uit individuele en groepsgesprekken zijn vergeleken met elkaar en met inzichten uit de literatuur. Interpretatie van de ge- gevens is voorgelegd aan oudere en jongere Turken buiten het onderzoeksgebied (member checks) en aan collegae met ervaring op het gebied van migranten (peer re- views).

Vier thema’s of ‘centrale begrippen’ domineerden de gesprekken (ex post beves- tigd door een frequentietabel van gebruikte woorden). De relaties tussen vier centrale begrippen werden duidelijk toen er een vijfde begrip (het ‘kernbegrip’) overheen werd gelegd.

Vier centrale begrippen

De centrale begrippen die tijdens de gesprekken naar boven kwamen zijn taal, wan- trouwen jegens Nederlandse instellingen, boosheid op de kinderen en vakantie. Dit zijn vier van de vijf bouwstenen van de theorie die aan het eind van het artikel zal worden geconstrueerd. Eerst worden deze vier begrippen uitgediept.

Het eerste centrale begrip: taal

De oudere Turken in de onderzoeksgroep spreken onderling altijd Turks. Het gespro- ken en geschreven Nederlands wordt nauwelijks beheerst. In de literatuur worden de implicaties van de taalbarrière maar nauwelijks besproken (vergelijk Van Niekerk 1991), maar de oude mannen zelf zien deze barrière als de belangrijkste oorzaak voor hun problemen. Het eerste citaat werd in typerend gebrekkig Nederlands geformu- leerd. Het tweede citaat is, net als alle volgende citaten, vertaald vanuit het Turks:

Dat is probleem heel heel problemen. Eerste punt probleem taal.

Deze problemen hebben mensen boven de vijftig jaar. Turken jonger dan vijftig jaar heb- ben geen problemen want ze hebben hier de school afgemaakt. De kinderen kunnen op elke manier hun klachten vertellen.

Het taalprobleem wordt zelfs nogal eens gezien als veroorzaker van alle problemen.

Nooit de taal geleerd

De gastarbeiders die in de jaren zestig naar Nederland kwamen waren veelal werklo- ze Turken van het platteland. Jansen (1987: 43) stelt vast dat veel van hen ook in hun eigen taal een achterstand hadden en dat ze weinig of geen formeel onderwijs hadden genoten. Hetzelfde geldt voor de mannen in onze onderzoeksgroep.

Bij ons zijn er mensen met drie jaar basisschool, of twee jaar, of helemaal niet.

Volgens Jansen (ibid.) stimuleerde de Nederlandse overheid opbouw van taalvaardig- heden niet omdat ze er vanuit ging dat de gastarbeiders snel naar hun eigen land zouden terugkeren. Ook de Turken zelf dachten geen Nederlands nodig te hebben. Taalcursus- sen kostten geld en waren verspilde moeite, want ze waren hier voor tijdelijk werk waarbij taalbeheersing niet belangrijk was.

We hebben geen taalcursus gehad. Daar moest je geld voor hebben.

Slecht werk doe je zonder taal. Je hebt geen taal nodig voor werk met schep en beitel.

We zouden hier niet blijven. (…) We wilden drie tot vijf jaar werken, geld verdienen en dan weer teruggaan.

Tijdens één van de groepsdiscussies wordt opgemerkt dat het enige Nederlands dat men kende ja en nee was. Er ontstaat een uitgelaten, haast euforische sfeer. Minuten- lang wordt er, gniffelend en gnuivend, ja en nee geroepen.

› Wat hebben wij geleerd? Alleen ja en nee, verder niets.[note 2]Met › geven we aan dat het gaat om een fragment uit een groepsgesprek waarin verschillende mannen direct op elkaar reageren.

› Zoals hij zegt: ja en nee, verder niets, verder gaan we niet.

› Ja en nee. In het Turks is dat evet en hayir.

Evet, hayir, ja, nee, ja, nee, …

Vrijwel alle mannen die we spreken, verwachten in Nederland te zullen blijven. In principe zouden zij, met steun van de overheid, alsnog de taal kunnen leren. Geen van de mannen ziet daar iets in. Ze hebben het gevoel dat hun leven ten einde loopt en zien het alsnog leren van Nederlands niet als reële optie.

Een relatief nieuw probleem

De oudere Turken zijn bij hun contacten met sociale instellingen afhankelijk van ge- sproken en geschreven Nederlands. Daarom ervaren zij de taalbarrière nu als een veel groter probleem dan toen zij werkten. Contacten met de Sociale Dienst, huisarts, zie- kenhuis, gemeente en de vreemdelingenpolitie verlopen moeizaam. Veel van de verha- len volgen hetzelfde patroon: iemand wil iets, onderneemt daartoe actie en krijgt het vervolgens niet gedaan. Hoewel er ook wordt geklaagd over discriminatie en onwil, wijten de mannen de meeste problemen aan hun onvermogen wensen over te brengen en juiste informatie te verschaffen.

De dokter zegt tegen mij dat ik niet beter kan worden. Al 19 jaar zegt hij hetzelfde. Als ik tot in de kleinste details alles aan hem zou kunnen vertellen….

Door misverstanden tijdens gesprekken en door foutief ingevulde formulieren worden uitkeringen gekort, verliezen mensen hun plaats op wachtlijsten en vervallen geplande ziekenhuisopnames. De mannen omschrijven de gevolgen van het taalprobleem als hard, moreel verlagend, zwaar en drukkend.

Ook de gebrekkige communicatie zelf, onafhankelijk van de daaruit voortkomende problemen, put de oudere mannen uit. De irritatie die het gebrekkige Nederlands van het volgende citaat misschien oproept, geeft in het klein aan wat de mannen bij elk con- tact met Nederlandse instellingen ervaren.

Dat de zo de overspannen mensen allemaal wat is wat hij straks ook zeggen. Komt iemand die wat nodig heeft Sociale Dienst toe is vertellen tegenover die mensen kan niet verstaan ik proberen nog verder hij kan niet verstaan dan hij een keer ploffen en dan hij overspannen. Ja en dat is probleem weg. Dan kom huis toe dokter kom vraagt alles maar hij kan niet alles vertellen alles zeggen, dokter nog meer vragen extra vragen ook weer overspannen. De meeste mensen ook overspannen ziekte omdat niet met mekaar begrijpen.

Uiteindelijk, zeggen de oudere Turken, leiden de taalbarrière zelf en de problemen die eruit voortkomen tot voortdurende stress. Inderdaad lijken veel van de door de mannen genoemde lichamelijke klachten typische stressklachten (hoofdpijn, buikpijn, rugpijn, maagklachten).

Het tweede centrale begrip: wantrouwen jegens Nederlandse instellingen

De mannen laten zich bij aanvang van de interviews over het algemeen positief uit over Nederland, Nederlandse instellingen en Nederlanders. Pas als blijkt dat de inter- viewer en de tolk neutraal reageren komen de mannen met kritiek. Hoewel kritiek on- middellijk wordt genuanceerd blijkt er onderhuids veel wantrouwen te bestaan ten aanzien van Nederlandse instituten. De mannen zijn onder de indruk van de facilitei- ten die Nederland haar ouderen biedt, maar geloven niet dat die voorzieningen ook voor hen open staan.

Ik zie iedere dag dat er een taxi of een busje stopt bij het bejaardenhuis tegenover mijn flat, en dat de ouderen dan naar beneden gaan. Ze noteren hun namen en brengen ze naar verschillende plaatsen. ’s Avonds worden ze weer teruggebracht. Of ze morgen hetzelf- de met buitenlanders zullen doen, is de vraag….

Het wantrouwen komt voor uit valse beloftes, onvoldoende waardering, en discrimi- natie.

Valse beloftes

De mannen in de onderzoeksgroep zien een groot verschil tussen de beloftes die eer- tijds tijdens de werving in Turkije werden gedaan en het leven in Nederland zoals het in werkelijkheid bleek te zijn. In de ogen van deze mannen was het werk onredelijk zwaar en gevaarlijk, was de beloning laag en waren de leefomstandigheden primitief.

Er werd mij 850 gulden per maand beloofd. Ik kreeg maar 360. Niet veel meer dan ik in Turkije al verdiende. Er was een kamer als in het Hilton beloofd, maar ik kreeg 63 men- sen in een huis, [note 3]Naast ziekte en zorg zijn er ook zakelijke redenen om naar Turkije te willen. Wellicht deels ingegeven door het gebrekkige vertrouwen in de Nederlandse ouderenvoorzieningen hebben veel van de oudere Turken bezittingen in Turkije: een extra verzekering voor hun oude dag. Deze bezittingen moeten worden onderhouden (van Toorn 1992:35).
in één kamer, twee douches die één maal per week, twee uur geopend waren. Voor 63 man. Twee sneeën brood als ontbijt, twee mee naar het werk, voor meer moest worden bijbetaald. Bij aankomst in Nederland was er ’s avonds feest, een enorme bos bloemen en zoveel eten als je wilde. De dag er na duur uit eten, zoveel als je wilde. Op maandagochtend moesten we aan de slag. Geen introductie.

Ze hadden op de derde verdieping een stortkoker gemaakt naar de begane grond. We gooiden het afvalpapier erin, en dat papier viel in de container. Wij moesten ons door de- zelfde buis naar beneden laten vallen om de papieren te ordenen.

We hebben een leven doorgebracht in barakken. Velen van ons hebben bronchitis gekregen.

De mannen zien een duidelijk verband tussen de werk- en leefomstandigheden van weleer en de gezondheidsproblemen van nu.

We hebben dag en nacht voor dit land gewerkt, hetzij normaal, hetzij buiten het normale.

De uitkomst hiervan is snellere ouderdom en veel ziektes, veel piekeren.

Onvoldoende waardering

De oudere Turken achten hun werk niet alleen zwaarder, gevaarlijker en slechter be- taald dan het werk van de gemiddelde Nederlander. Ze menen bovendien dat ze meer produceerden dan de enkele Nederlander die soortgelijk werk deed.

Ik werkte in een verf fabriek. Remet Holland. Daar waar een Nederlander anderhalve ton product maakte, maakte ik vijf ton. En dat is niet gemakkelijk. Zo werkte ik. Werk van twee dagen van hem, maakte ik in halve dag. Ik werd niet vaak ziek. Ik heb 20 tot 25 jaar achter elkaar gewerkt.

De mannen menen veel te hebben bijgedragen aan de Nederlandse economie en zien een causaal verband tussen het harde werk en hun slechte gezondheid.[note 4]Dit verband is discutabel. Manço en Loutz (1993b) stellen dat Turken meer lijden aan be- roepsziekten (aanwezigheid van invaliden) of besmettelijke ziekten en vaker het slachtoffer zijn geweest van werkongevallen. Tesser e.a. (1998) achten een relatief slechte gezondheid van oudere Turken ten opzichte van autochtone ouderen onbewezen.
Als tegenpres- tatie verwachten zij een goed verzorgde oude dag. In plaats daarvan hebben ze het ge- voel aan de kant gezet te worden en ongewenst te zijn.

Discriminatie

Sommige oudere Turken zien discriminatie als oorzaak van een deel van de proble- men.

De huisarts stuurde me naar het ziekenhuis. In dat ziekenhuis hebben ze foto’s gemaakt. Gisteren ben ik er weer geweest. Ze zeiden dat ik de negende moet komen…volgens mij… het lijkt een beetje of discriminatie, laat maar. (…) Er kwam een Nederlander en die had hetzelfde verhaal. Zijn afspraak was ook verlopen. Ze lieten die Nederlander wél zelf een andere dag uit kiezen. Ik stond erbij, maar ze dachten dat ik het niet begreep. Ja, hém lieten ze wel een dag kiezen. (…) Tegen wie praat je? Tegen wie!? Misschien omdat ik Turk ben. Ik weet het niet. Wat kan anders zijn?[note 5]De Alevieten in de onderzoeksgroep, die verder dezelfde problemen lijken te hebben als andere Turken, voelen zich dubbel gediscrimineerd: “Kijk, Turken zijn allemaal Turk, maar de Nederlandse overheid moet beseffen dat ze verschillende doelen hebben. In Apeldoorn zijn er 50 tot 60 huizen waarin alevieten wonen. De moskee krijgt de subsidie waar ze recht op hebben. Maar de overheid kent alleen de moskee. Ze tellen ons ook bij de moskee, maar we zien geen cent. We willen dat ze daar goed over denken. Ze moeten weten dat er hier ook een minderheidsgroep bestaat.”

Ook de grensformaliteiten worden als discriminerend ervaren. Het is niet gemakkelijk om als Turk naar Nederland te komen, maar andersom is het geen probleem. Met de be- doeling het ijs te breken vertelt de interviewer dat hij als voorbereiding op het onder- zoek op vakantie is geweest in Turkije. De sfeer wordt grimmig.

U bent net in Turkije geweest? Deden ze (de Turkse overheid) moeilijk? Vroegen ze of u geld had? Of u eten en onderdak in Turkije heeft? Had u problemen? Nee! Maar wij krij- gen ieder dag een klap in ons gezicht. Soms ben ik daar erg kwaad over. Nederlanders gaan naar Turkije op vakantie… geen probleem…

Men voelt zich gediscrimineerd en ervaart dat als vernederend. In antwoord op een vraag naar de grootste wens van de deelnemers antwoordt een man:

Geen onderscheid maken tussen Nederlanders en buitenlanders. Dat is wens nummer één, dat is het allerbelangrijkste. Buitenlanders moeten ook als een mens gezien worden. Niet zonder goed naar ze te luisteren hen wegsturen. (…) Wij zijn een deel van Neder- land (…) en verwachten als Nederlanders behandeld te worden.

Het is een abstract verlangen. In werkelijkheid ziet men eerder het omgekeerde ge- beuren: een verharding en een toename van discriminatie in Nederland (vergelijk van Niekerk (1991:70), die acht jaar geleden al uit Turkse monden noteerde dat de Neder- landse samenleving als vijandiger wordt ervaren dan in de jaren zestig).

In vergelijking met toen ik hier kwam en nu is er veel veranderd. Vroeger, als ik een papier aan een Nederlander liet zien, dan hielp die me. Nu vlucht iedereen van elkaar. Nederlander, Turk, Iraniër, Irakees: iedereen vlucht van elkaar. Dit is geen mensheid. Mensheid betekent elkaar helpen.

De oude mannen hebben soms het gevoel dat men niet wil helpen, en dat de gebrekkige communicatie wordt gebruikt om de oudere Turken te ontlopen en de hun rechtmatig toekomende voorzieningen te ontnemen.

De Sociale Dienst, een overheidsinstelling, maakt gebruik van de taal van de allochtonen of ouderen. Omdat ze de taal niet beheersen zegt de Sociale Dienst: u bent naar Turkije geweest, u heeft daar vier in plaats van drie weken doorgebracht, en ze korten op zijn uit- kering.

Het derde centrale begrip: boosheid op de kinderen

De mannen spreken veel over de relatie tussen ouderen en hun kinderen. Ze zijn opge- groeid met een duidelijk idee over hoe de relatie tussen de generaties zou moeten zijn: ouders hebben een natuurlijk gezag en kinderen hebben de verplichting voor hun ou- ders te zorgen als ze oud zijn.

Ik heb mijn kinderen meegegeven aan God te geloven en volgens Islamitische regels te leven. Mijn kinderen zullen voor mij zorgen. Ik vertrouw hen. Ik zorg voor mijn moeder en zo zullen mijn kinderen voor mij zorgen. Dit lijkt op een ketting. Als ik voor mijn ou- ders respect toon, zullen mijn kinderen dat voor mij doen. En als je niet voor je ouders zorgt, doen je kinderen dat ook niet.

De relatie is volgens Sandikçioglu (1991: 53) gebaseerd op twee soorten wederkerig- heid. Wie goed voor zijn ouders zorgt, zal zelf goed verzorgd worden (kettingprin- cipe), en wie goed voor zijn kinderen zorgt zal die zorg terugkrijgen als hij oud is (directe reciprociteit).[note 6]Dit roept de vraag op hoe de oude mannen zelf voor hun ouders hebben gezorgd. De Turken waarmee in dit onderzoek wordt gesproken waren in Nederland toen hun ouders oud waren, en konden hoogstens financieel helpen. Als hiernaar gevraagd wordt ontwijken de mannen directe antwoorden of worden ze boos.
Naast deze wederkerigheidsprincipes wijzen de mannen op een traditionele materiële dwang:

Geld en bezittingen (in Turkije) zijn in handen van de vader. De zoon is gedwongen voor de vader te zorgen. (In Turkije) werkt hij bij zijn vader, maar hier doet hij dat niet.

De traditie spreekt duidelijke taal, maar in het hier en nu staat de relatie tussen ouderen en hun kinderen onder druk.[note 7]In Turkije zijn er volgens Sandikçioglu (1991) vergelijkbare moderniteitsproblemen.
De oude Turken vinden hun kinderen te onafhankelijk, en wijten dat aan het slechte voorbeeld van autochtone Nederlanders.

Nederlandse ouders zeggen tegen hun kinderen die 18 jaar zijn dat ze bij moeten dragen aan de kosten van het huishouden. Anders moeten ze het huis uit. Het gevolg is dat deze kinderen later niet voor hun ouders willen zorgen. Onze kinderen hebben deze gewoontes overgenomen en ze willen niet meer voor ons zorgen.

Daarnaast verwijten de mannen de overheid overdreven toeschietelijkheid voor jon- geren te zijn. Met sociale voorzieningen voor jongeren ondermijnt zij de traditionele afhankelijkheid van de ouders.

Stel je voor dat mijn zoon, 18 jaar oud, 25 gulden van mij wil. Ik kan dit bedrag niet mis- sen van mijn 1500 gulden AOW. (…) Dan gaat het kind naar de Sociale Dienst en krijgt daar een paar honderd gulden. Het kind denkt: de Sociale Dienst is beter dan mijn vader, waarom moet ik voor hem zorgen? Hij verlaat het huis en luistert helemaal niet meer.

In individuele gesprekken is mannen gevraagd naar de zorg die zij zelf van hun kinde- ren krijgen. Nooit is het oordeel negatief.

Ze komen en vragen hoe het met me gaat. Ze maken thee of koffie, maken het huis schoon en maken eten klaar. Het is moeilijk voor hen, maar toch komen ze helpen.

Dit positieve oordeel lijkt ten minste ten dele ingegeven door sociale wenselijkheid, want de Turkse kinderen in het algemeen krijgen een uitgesproken negatieve beoorde- ling. Ze zijn lui en verzaken massaal de traditionele zorgplicht.

De jongelui werken niet, ze zijn lui, ze doen niets. Nu ben ik boven de vijftig. Ik loop niet goed, ik buk niet goed. Hard gewerkt. (…) De oude mensen willen graag werken maar de kracht is weg. De jongelui willen niet werken. Ik ben erg kwaad. De tweede en derde generatie, ze zijn allemaal hetzelfde.

(Turkse) kinderen van hier zijn net als Nederlandse kinderen. Na het trouwen gaan ze weg en vergeten ze hun ouders.

(Een moeder) ligt in een soort rusthuis. Haar man is dood. (…) Ik weet niet of zij doch- ters heeft, maar de schoondochters hebben niet voor haar gezorgd en ze hebben haar daar gebracht. Morgen gaan ze mij daar ook brengen en achterlaten, en hem ook, en hem. Ons allemaal.

› (Turkse) kinderen van hier schamen zich om onze hand te pakken. Voor kinderen die hier geboren zijn bestaan de ouders niet meer.

› Zo zijn ze allemaal.

De mannen lijden niet alleen onder het ontbreken van een aantal diensten, maar ook onder het idee dat hun kinderen niet doen wat zij behoren te doen. Het falen van de kin- deren wordt tijdens de gesprekken hoog opgenomen. De relatie tussen ouders en kinde- ren is het enige thema waarbij de mannen ter verdediging van hun normen en waarden verwijzen naar de islam. Een aantal malen gebeurt dat met dreigende toon.

Gehoorzaam je ouders en zorg goed voor hen. Als je dat niet doet, ga je naar de hel, zegt de Koran. Als je wel doet en je ouders tevreden zijn, dan ga je naar het paradijs.

Het vierde centrale begrip: vakantie

In Nederland voelen de mannen zich gestresst en ziek. Tijdens hun lange bezoeken aan Turkije sterken ze weer aan. De maandenlange vakanties worden gepland in overeen- stemming met het weer: men is daar waar het op dat moment het warmst is.[note 8]De zomermaanden in Turkije, de wintermaanden in Nederland

Turkije is warm. Hier zijn we allemaal ziek en afgekeurd. Ik heb rugpijn, ik kan niet op mijn benen staan. Ik ben vier maanden in Turkije gebleven en ben veel beter geworden. Een lang verblijf in Turkije is goed voor onze gezondheid. Het weer is daar goed, je kunt naar de badhuizen gaan en veel mooie plaatsen met warm water bronnen bezoeken. Het is voor ons als een gevangenis hier. Altijd thuis blijven, het weer is nat en vochtig. De modder (in de Turkse warmwaterbronnen) is goed tegen reumatiek.[note 3]Naast ziekte en zorg zijn er ook zakelijke redenen om naar Turkije te willen. Wellicht deels ingegeven door het gebrekkige vertrouwen in de Nederlandse ouderenvoorzieningen hebben veel van de oudere Turken bezittingen in Turkije: een extra verzekering voor hun oude dag. Deze bezittingen moeten worden onderhouden (van Toorn 1992:35).

De mensen hebben (in Turkije) minder aan hun hoofd. Ze kunnen er beter ademhalen, toch? De stress die deze persoon van zich af kan gooien…, je kunt er rustiger worden, dat is beter, omdat daar meer water en lucht is.

Turkije verkwikt, maar remigreren willen de oudere Turken niet. Het niet kunnen kie- zen tussen teruggaan of blijven speelde wellicht een rol in de jaren tachtig. Intussen zijn de ouderen die terug wilden vertrokken, en willen de mannen die nog in Nederland zijn ook in Nederland blijven (zie ook Martens en Roelandt 1993: 54).

Een van de genoemde redenen om zich niet permanent in Turkije te vestigen is dat Turkije sinds de mannen naar Nederland vertrokken sterk veranderd is. Ze voelen zich er niet helemaal thuis.

› Daarbij is Turkije natuurlijk veranderd.

› We hebben daar geen vrienden.

› Als we naar Turkije gaan zijn we daar ook net buitenlanders. Waarom? We werken al 30 jaar hier. We zijn hier buitenlanders, maar daar zijn we ook buitenlanders.

Zeker zo belangrijk vindt men de nabijheid van de kinderen en de kleinkinderen.

› Als ik zeg dat ik terug wil dan is dat niet waar, want mijn kinderen zijn hier. Als ik naar Turkije ga, dan blijf ik daar vier of vijf maanden. Eén keer per jaar komen en gaan.

› Een paar zijn terug. Zij willen nu weer naar Nederland, want ze missen hun kinderen.

En er is nog een reden om in Nederland te blijven: men heeft weliswaar het gevoel in Nederland ziek te worden en in Turkije weer op te knappen, maar men denkt op de lange duur niet te kunnen leven zonder de Nederlandse sociale en medische voorzie- ningen.

Maar daar (in Turkije) zijn ook problemen. Geen geld in de zak. Hier is er pensioen.

Ik ben een paar keren in een ziekenhuis (in Nederland) geweest. Het is perfect. Ik wil Turkije niet zwart maken, maar als je daar naar een ziekenhuis gaat…

De mannen interpreteren hun vakanties als zelfzorg. Deze vorm van zorg wordt in Nederland niet erkend en levert veel ongemak op. Er moet toestemming worden ver- kregen bij de Sociale Dienst en het pendelen is een aanslag op het budget van de man- nen. Bij terugkomst in Nederland valt men onmiddellijk terug in de frustratie van taal, bureaucratie en onbegrip. Een man die er bijzonder oud uit ziet, vertelt:

Ik ben 65. Ik krijg van de Sociale Dienst. Ik wou op vakantie en de Sociale Dienst heeft gezegd dat ze één maand vergoeden en verder niet. Ik wilde daarover praten, ik heb tot nu toe nooit van de Sociale Dienst gehad. Ik ben op vakantie geweest en ik wilde doorgeven dat ik terug was. Mij werd gezegd dat ik niet had doorgegeven dat ik op vakantie was. Het stond nergens op papier en ze hebben gezegd dat ze mijn uitkering gaan stoppen.

Sociale Dienst en vakantie worden komt vaak tezamen besproken. De strekking is steeds hetzelfde: het wordt als onredelijk ervaren dat er niet onbeperkt met behoud van uitkering mag worden gependeld. De mannen begrijpen niet waarom de Sociale Dienst deze eisen stelt.

Onze jongeren kunnen niet eens werk vinden. Hoe moet dan iemand van boven de 55 jaar werk vinden? Daarom zou de vakantietijd voor de mensen die bij de Sociale Dienst zitten wat langer kunnen.

Men stuit bij terugkomst niet alleen op financiële problemen. Door de maandenlange afwezigheid worden lopende zaken in Nederland niet goed afgehandeld.

Voor mijn vakantie ben ik naar het ziekenhuis gegaan. Ze hadden een foto gemaakt en zeiden dat ze me, zodra ik terug zou komen, zouden opereren. Maar toen wij terug waren bleek dat mijn dossier kwijt was.

Ik heb om een ander huis gevraagd. Ik was al vijf jaar ingeschreven. Ze zeiden dat ik 80 punten nodig had. We dachten die bij elkaar gespaard te hebben als we terug kwamen van onze vakantie. Maar ze hebben het ongeldig gemaakt, want we hadden geen geld overgemaakt. Alle punten zijn weg. (…) Ik ben al tien jaar bezig om een andere woning te vinden. Het lukt niet. Ik woon al 25 jaar in deze flat. We zijn er weer naar toe gegaan. Nu hebben we 10 punten.

Constructie van een theorie

In de traditie van de gefundeerde theorie is gezocht naar één kernbegrip dat de relaties blootlegt tussen de vier hoofdthema’s in de gesprekken met de oude mannen.

In deze integratiefase overwogen we in eerste instantie twee kernbegrippen: mo- derniteit (sluit aan bij literatuur en intuïtie) en taal (door de Turkse mannen zelf ge- noemd als hun grootste probleem). Geen van beide begrippen gaf afdoende de teneur van de gesprekken weer. Na herhaaldelijk beluisteren van de banden kwam er een goed passend kernbegrip boven: het slecht vertaalbare yipratmak. Dit begrip bleek het best in staat de samenhang tussen de centrale begrippen te duiden en de sfeer van de gesprekken weer te geven.

Het kernbegrip, de centrale begrippen en hun onderlinge samenhang, vormen een theorie die goed past bij de ouderdomsbeleving van de mannen in de onderzoeksgroep.

Moderniteit als kernbegrip?

Afgaande op intuïtie en literatuur zou het kernbegrip dat achter de centrale begrippen verborgen ligt moderniteit kunnen zijn. Manço en Loutz (1993a) suggereren dit met betrekking tot oude Turken in België en Sandikçioglu (1991) behandelt dit thema in het snel veranderende Turkije zelf. Ook Van Dijk (1989:136) geeft aan dat bij het door- gronden van de kloof tussen migrant en hulpverlening gekeken moet worden naar moderniseringsprocessen.

De meeste oudere Turken in Nederland zijn opgegroeid met de traditionele zorg- systemen van kleine dorpen in Turkije. In Nederland is er een heel ander (‘modern’) zorgsysteem, dat voor een belangrijk deel in handen is van formele instellingen. Beide systemen leveren passende zorg wanneer die zorg wordt geboden aan hen die over- eenkomstige verwachtingen en wensen hebben.

De Turkse ouderen in Apeldoorn zijn door hun migratie in een moderne samenle- ving terechtgekomen. Hun kinderen vervullen hier niet de traditionele zorgtaken en de ouderen zijn dus afhankelijk van het moderne zorgsysteem. Zij ervaren dit systeem niet alleen als inadequaat, maar zelfs als een veroorzaker van problemen: de onbevredigen- de zorg versterkt het wantrouwen jegens Nederland en haar instellingen. De taalbar- rière vergroot de kloof tussen de wensen van de oudere Turken en het feitelijke aanbod. In deze theorie zijn de lange vakanties van deze mannen te interpreteren als een vlucht naar de traditie.

Het belangrijkste bezwaar tegen deze theorie is dat hij niet strookt niet met de belevingswereld van de mannen in de onderzoeksgroep. Noch expliciet, noch impli- ciet, menen deze mannen dat hun problemen voortkomen uit modernisering. Boven- dien komt in deze theorie het belang van taal onvoldoende uit de verf (als ware het louter iets dat een ander probleem versterkt). Moderniteit als kernbegrip verklaart de onbevredigende relatie met de formele zorginstanties, maar niet het gevoel dat deze instanties een actieve bijdrage leveren aan de achteruitgaande gezondheid van de mannen.

Taal als kernbegrip?

Een kernbegrip dat veel dichter bij de beleving van de oude mannen zelf staat is taal, door de mannen regelmatig aangewezen als het grootste probleem. In deze interpreta- tie roepen de taalproblemen de andere problemen op. Het niet spreken van de Neder- landse taal veroorzaakt problemen met Nederlandse instellingen. De kinderen blijken niet altijd in staat om succesvol op te treden als tolk en bemiddelaar tussen de instel- lingen en hun ouders. Dit wekt irritatie op. Om aan de problemen te ontsnappen gaan de mannen regelmatig voor langere perioden naar Turkije waar ze zich wel verstaan- baar kunnen maken.

Deze theorie blijft dicht bij de oude mannen, maar wijst geen schuldigen aan omdat het suggereert dat de sociale interactie wordt verstoord door een probleem dat los staat van de intenties van de verschillende actoren. Die schuldigen zijn er in de ogen van de oude mannen wel degelijk. De mannen wijzen er bij voortduring op dat hun omgeving – kinderen en instellingen – actief bijdraagt aan hun fysieke en emotionele aftakeling.

Yipratmak als goed passend kernbegrip

Het kernbegrip is gevonden door lezing en herlezing van de gesprekken. De vertaalster bracht uiteindelijke de oplossing doordat ze meerdere malen terugkwam op een woord dat ze niet goed kon vertalen.

De gemiddelde leeftijd van de deelnemers aan de gesprekken is 59 jaar. Veel au- tochtone Nederlandse mannen kijken op die leeftijd uit naar hun pensioen en asso- ciëren dat pensioen met genieten van een welverdiende oude dag. De oudere Turkse mannen daarentegen maken in het geheel geen plannen om te gaan genieten van hun oude dag. Ze voelen zich oud en ziek. Ook Tesser (1998), Mackenbach (1992) en Van Niekerk (1991) rapporteren een relatief hoge ziektebeleving.

Wie is er nou niet ziek? We hebben allemaal toch wel een ziekte? Een rugpijn, twee maagaandoeningen, hart. Al onze vrienden hebben hartklachten, al onze vrienden die zijn overleden stierven door het hart.

In de gesprekken komt een lange lijst gezondheidsproblemen naar voren. Klachten die worden gemeld zijn opvallend vaak klachten die in verband kunnen worden gebracht met stress: buikpijn, rugpijn, maagpijn, hartklachten, hoofdpijn en migraine. Regelma- tig worden stress en overspannenheid bij name genoemd.

(…) de stress die een persoon van zich af moet gooien, rustiger worden.

Turkse ouderen hebben veel stress, weet je dat, ze hebben geen plaats om deze stress weg te gooien (…).

Uit de gesprekken spreekt meer dan alleen maar ziekte. De gesprekken zijn, welk onderwerp er ook besproken wordt, sterk probleemgericht (het woord probleem is, na het woord mensen, het meest gebruikte zelfstandig naamwoord in de gesprekken). De teneur van de gesprekken is klagend en boos: soms onderdrukt, soms weggelachen, maar vrijwel in alle gesprekken prominent aanwezig. Een ruw samengevat gesprek gaat als volgt:

Toen ik nog in Turkije woonde was het leven goed;
nu ben ik ziek en de medische stand die doet zomaar wat;
ik word niet geholpen;
ik word gediscrimineerd omdat ik Turk ben;
ik heb in Nederland altijd heel hard gewerkt en verdien daarom hulp;
maar dat krijg ik niet en omdat ik niet meer werk is mijn leven slecht; ik word niet geholpen en telkens van het kastje naar de muur gestuurd; ik krijg geen andere woning;
ik ben ziek maar krijg niet de hulp die ik nodig heb;
ik ben oud en ouderen hebben recht om door hun kinderen verzorgd te worden, maar in Nederland gebeurt dat niet;
als ik had geweten dat het zo zou lopen, was ik in Turkije gebleven; ouderdom brengt problemen en daarom moeten ouderen zorg krijgen; kunt u mij helpen met een huis en de dokter?

De klagerige toon geeft de luisteraar het gevoel dat er iemand spreekt die verbitterd is en last heeft van gebrek aan aandacht en zorg. De kern (en het kernbegrip) zit in het volgende fragment dat de tolk niet vertalen kan:

De hulp die geboden wordt in het ziekenhuis, de dokter of ergens anders, daar zou wat zachtere hulp aangeboden kunnen worden.
Interviewer: Kunt u uitleggen wat u bedoelt met zachtere hulp?
Meteen vragen wat die persoon wil. Of, als de persoon geen Turks kan spreken, het laten vertalen en die persoon niet te lang laten wachten. Die persoon niet yipratmak.

Het kernbegrip yipratmak is een werkwoord dat zich vertaalt als (Günes en Ten Herek- Schoonen 1992):

  1. verslijten

  2. opgebruiken, uitputten

  3. ruïneren, kapot maken

  4. vermurwen

  5. vroeg oud doen worden.

De oude mannen voelen zich oud, versleten en kapot gemaakt. Yipratmak duidt op een actief proces waarbij een derde partij betrokken is. Zo vallen de centrale begrippen op hun plaats. Door wie of wat worden de mannen kapot gemaakt? Door Nederlandse in- stellingen en door hun kinderen. De taal versterkt dit proces en is bovendien zelfstan- dig oorzaak van slijtage. De vakanties dienen om even te ontsnappen aan de uitput- tingsslag.

Dit destructieve proces begon al in de jaren zestig. Gunter Walraff (1989), werkend onder gastarbeiders in Duitsland, beschrijft koppelbaaspraktijken, dubbele shifts, in- houdingen van paspoorten, verlate of ‘vergeten’ betalingen en werkzaamheden die volgens de regels niet uitgevoerd mogen worden omdat het gevaar voor de gezondheid op zou leveren. Zijn beschrijvingen sluiten aan bij de verhalen van de oude Turken in Apeldoorn. In plaats van de beloofde rijkdom en prettige arbeidsomstandigheden kre- gen de mannen leugens, weinig betaald, zwaar en gevaarlijk werk en dientengevolge een slechte gezondheid.

Op basis van hun arbeidsverleden en hun daaraan gerelateerde achteruitgaande gezondheid, menen de mannen recht te hebben op een goede verzorging. Die verzor- ging krijgen ze niet. Zowel de instellingen als de kinderen bieden niet de zorg die van hen wordt verwacht. De taalbarrière bemoeilijkt het contact met de instellingen, en legt extra druk op de relatie met de kinderen, die vaak in de rol van vertaler en bemiddelaar worden gemanoeuvreerd. Het gevoel van onredelijkheid zorgt voor stress, en die stress versnelt in de ogen van de mannen het ouderdoms- en fysieke en emotionele aftake- lingsproces. De mannen voelen zich vanaf hun vijftigste al oud en zien ze de toekomst somber in. Bij wijze van zelfzorg gaan de oude mannen regelmatig voor langere perio- den op vakantie naar het vaderland. Deze vakanties zijn heilzaam voor de ouderdoms- klachten die de mannen ervaren, maar maken ook de botsing en frustratie bij terug- komst in Nederland extra hevig, omdat het lange verblijf in het buitenland allerlei bureaucratische consequenties heeft. Men kan niet zonder de vakanties, maar ziet de vakanties ook niet als de echte oplossing.

De oplossing is dat je op een dag dood gaat.

Deze theorie sluit naar onze mening nauw aan bij de belevingswereld van de oude mannen. Het woord yipratmak typeert de teneur van de gesprekken. Yipratmak als kernbegrip stelt ons in staat de gegevens te ordenen en het beeld te complementeren dat we hebben van de oude Turkse mannen in Apeldoorn.

Figuur 1, Yipratmak [note 10]Om aan te geven dat het hier gaat om een negatieve beleving en om intergerelateerde begrip- pen is in deze figuur de theorie weergegeven als een donkere wolk. Omdat er een zeker oor- zakelijk verband is geven de pijlen aan dat het schema van links naar rechts gelezen moet worden.

Kanttekening en conclusie

In een serie gesprekken en groepsdiscussies hebben we geprobeerd inzicht te krijgen in de ouderdomsbeleving van oudere Turkse gastarbeiders in Nederland. De kern van hun beleving is yipratmak, een werkwoord dat wijst op een actief proces van uitputten, ver- slijten, kapot maken en vroeg oud doen worden. De mannen hebben het gevoel oud en ziek te worden gemaakt door taalproblemen, onwillige en onbetrouwbare Nederlandse instellingen, en kinderen die weigeren de traditionele zorgtaken op zich te nemen. Bij wijze van zelfzorg gaan ze regelmatig voor langere perioden op vakantie naar Turkije. Deze vakanties verlichten de stress en genezen hun klachten, maar bij terugkomst in Nederland blijkt door hun lange afwezigheid de bureaucratie nog zwaarder dan vóór het vertrek.

In de loop van het onderzoek is ook gepraat met jongere generaties Turken en met werknemers van zorginstellingen. In beide groepen waren er mensen die meenden dat ze deden wat ze konden om de oudere mannen van dienst te zijn. Hun perceptie bleek soms ver af te staan van die van de oude mannen. Daarnaast maakte een Iraanse vrouw ons er op attent dat ook de Turkse oude vrouwen een andere kijk op de zaken kunnen hebben. Ze stelde dat Turkse oudere vrouwen zich in eerste instantie kapot gemaakt voelen door hun mannen. De mannen namen immers de beslissing naar Nederland te gaan. Deze grote interpretatieverschillen zijn belangrijk omdat ze aangeven dat niet alle klachten voetstoots aangenomen moeten worden. Dit onderzoek zoekt echter na- drukkelijk naar de beleving van oudere Turkse mannen.

Hun ouderdomsbeleving kenmerkt zich door hun gevoel te worden ge-yipratmakt: te worden afgedankt. Kennis van deze ouderdomsbeleving maakt het wellicht gemak- kelijker om passende zorg te ontwikkelen voor deze generatie migranten in Nederland. Misschien is de belangrijkste stap in die richting veel naar de mannen te gaan luisteren.

Als we aan het eind van een interviews aan een oude man vragen of hij tevreden is over zijn beslissing om naar Nederland te komen, zegt hij:

Als ik had geweten dat het zo zou zijn was ik daar gebleven (…) Iedereen heeft proble- men door ouderdom. Als je maar goed verzorgd wordt… maar we konden niet praten en laten begrijpen, en zo is het gebleven.

Noten

Jan Kees Meyboom (ata@dds.nl) is gezondheidswetenschapper (iBMG) en werkt als oudere- nadviseur voor de Stichting Maatschappelijke Dienstverlening Delfshaven. Hij is nauw betrok- ken bij het aldaar lopende Programma Oudere Migranten. Willem van Eekelen (eekelen@ilo. org) werkt als econoom voor de International Labour Organisation, waar hij zich onder andere bezig houdt met arbeidsmigratievraagstukken.

De auteurs zijn dank verschuldigd aan de participerende oudere Turken, aan de groep jongere Turken, aan de stichting InterZorg, aan meedenkende familie en vrienden en aan Tina Rahimy, Mw van Staa, Dhr. Ayden, Dhr. Al Bayrak, Dhr. Özel en Dhr. Tonça. Zonder de tolken Fatma Demir en Rasul Rahim Ali hadden we niet naar de oude mannen kunnen luisteren.

Literatuur

Bakker, M.M. 1992 Woord vooraf. In: G.B. Robinson et al. (red.), Oud in den vreemde, over allochtone ouderen. Cahiers Ouderdom en Levensloop. Houten/Antwerpen: Bohn Stafleu Van Loghum: pp. 8-11.
Dijk, R. van 1989 Cultuur als excuus voor falende hulpverlening. Medische Antropologie 1(2): 131-43. 
Geest, S. van der 1996 Ouderen en welzijn: Antropologische vragen en opmerkingen. Medische Antropologie 8(1): 185-96.
Günes, E. & G. Ten Herkel-Schoonen 1992 Groot woordenboek Nederlands-Turks, Turks-Nederlands. Oss: Uitgeverij Günes. 
Jansen, P. 1987 Edukatie voor oudere buitenlanders: Een gemiste kans. In: Haffmans, M. en C. Tenhaeff. Tussen VUT en VORT. ’s-Gravenhage (etc.): Nederlandse federatie voor bejaardenbeleid (etc.), pp. 43-45.
Leeflang, R.L.I. 1994 Zoeken naar gezondheid, hulpzoekgedrag van personen van Nederlandse en Turkse afkomst. Leiden: Lidesco.
Mackenbach, J.P. 1992 Ziekte en sterfte onder Turken in Nederland. Nederlands Tijdschrift voor Geneeskun- de 136(22): 1044-49.
Manço, A. & N. Loutz 1993a Relaties tussen generaties en culturele tradities: Het voorbeeld van de Turkse immi- gratie. Cultuur en Migratie 2: 9-21.
1993b Opvattingen over en gedrag tegenover de gezondheid: een vergelijking van Belgische en Turkse ouderen. Cultuur en Migratie 2: 23-34.
Martens, E.P. & Th. Roelandt 1993 Allochtone ouderen in Nederland. Rijswijk: Raad voor het Ouderenbeleid. 
Niekerk, M. van 1991 De tijd zal spreken. Amsterdam: Het Spinhuis/NIZW.
Nievaard, A.C. 1990 Validiteit en betrouwbaarheid in kwalitatief onderzoek. In: J. Maso & A. Smalling (red.), Objectiviteit in kwalitatief onderzoek. Meppel/Amsterdam: Boom, pp. 75-92.
Prakken, J.C.V. 1993 Over de streep. Werken met allochtone ouderen: Verhalen uit de praktijk. Utrecht: NIZW.
Sandikçioglu, I. 1991 Old age and aging in Turkey. Zeitschrift für Türkeistudien 4(2): 187-94. 
Strauss, A.L. & J.M. Corbin 1990 Basics of qualitative research: Grounded theory procedures and techniques. Newbury Park/London/New Delhi: Sage. 
Tesser, P.T.M., F. van Dugteren & J.G.F. Merens 1998 Rapportage Minderheden 1998. Den Haag: SCP.
Toorn, M. van 1992 Turkse ouderen in Rotterdam. Rotterdam: Erasmus Universiteit, Wetenschapswinkel.
Verlaan, A.C. 1992 Turkse ouderen in Nederland. In: G.B. Robinson… et al. (red.), Oud in den vreemde. Over allochtone ouderen. Cahiers Ouderdom en Levensloop. Houten/Antwerpen: Bohn Stafleu Van Loghum: pp. 167-84.
Walraff, G. 1989 Ik (Ali). 23e uitgebreide druk. Amsterdam: Van Gennep. 
Wester, F. 1995 Strategieën voor kwalitatief onderzoek. Derde druk. Bussum: Dick Coutinho.