Het scheelt veel wie er poep zegt

Een verkenning van het fecale discours

Michael Elias

Abstract

In dit artikel wordt het taalgebruik rond poep en ontlasting verkend. Na een beschrijving van enkele Nederlandse termen komt aan de orde hoe het 'fecale discours' gekenmerkt is door variatie en verandering. Telkens vindt de taalgemeenschap nieuwe woorden en zegswijzen om te verwijzen naar een onderwerp dat onder veel omstandigheden taboe is. Voorbeelden uit de bijbelse traditie en laat-middeleeuwse literatuur laten zien dat de grenzen tussen hoog en laag, tussen betamelijk en onbetamelijk anders lagen dan nu. Meer in het bijzonder wordt aandacht besteed aan speech genres als liedjes, verhalen, spreekwoorden, uitdrukkingen, grappen, vloeken, latrinalia en raadsels. Poep is een onderwerp dat bij uitstek gebruikt wordt om de aandacht te vestigen op de gelijkheid van mensen.

“Anna, ‘die nog bij meneer zelf gediend had’, stond er op dat wij alle vier op de po gingen”, schrijft Godfried Bomans in het hoofdstuk ‘Vroegste herinneringen’ van Me- moires van Pieter Bas. “Want, zoo meende zij, een Christenmensch kon niet slapen als niet alle ‘kwaje stoffen’ d’r uit waren.” Volgt een beschrijving van de “kleine ceremo- nie” waaraan Pieter en zijn drie broers werden onderworpen:

Derhalve werden er vier po’s op een rijtje tegen de muur geplaatst, de gebroeders Bas zetten zich er op, en keken elkander gespannen aan. Want het was zaak wie hem het eer- ste ‘eruit’ had. Had iemand hem het eerste eruit, dan stapte hij zegevierend in bed, en wachtte op de volgende winnaar. En samen vuurden zij de twee achterblijvers aan om ‘zich niet te laten kennen’; en deze twee keken elkander met roode gezichtjes aan, vast- besloten zich tot het uiterste te geven. Die arme Jozef! Hij verloor altijd, en wanneer de een na de ander in het bed kroop, en hij eenzaam op de vloer zat te steunen, kreeg ik wel eens medelijden met hem. Dan richtte ik mij op, en riep:
“Hoever?”
“Bijna”, klonk het dan ernstig terug. Goede Jozef! Maar soms werd hij beloond.
“Kom ’s allemaal kijken” riep hij dan opgewonden.
En wij vlogen gedrieën het bed uit, want “die van Jozef waren niet mis”. En wij bezagen het werk met de oogen van kenners die weten wat de prijs is, en zeiden dat het een “knaap” was, terwijl de gelukkige eigenaar met een dankbaar lachje de hulde in ont- vangst nam.

Bovenstaand citaat lijkt de observatie van Bourke te bevestigen dat poep geen neutra- le substantie is, maar vol vitaliteit en verbonden met een bepaalde persoon; “het draagt de identiteit van degene die het product heeft voortgebracht.”[note 1]Het citaat is uit Van der Geest (1998: 144), die op zijn beurt Ndonko (1993: 100) aanhaalt, die zich baseert op de Franse vertaling (1981: 32) van de inleiding van Freud op de Duitse versie van Bourke (1891). Freud haalt weer een tekst van Goethe aan, uit de laatste scène van Faust: “Uns bleibt ein Erdenrest / zu tragen peinlich, / und wär’ er von Asbest, er ist nicht reinlich.” Bourke’s Scatalogic Rites of all Nations geldt volgens de Enzyklopädie des Märchens als een pionierswerk op het gebied van scatologie (deel 4: 650, lemma “Exkre- mente”). In de UB van de UvA is deze Duitse bewerking (1913) te raadplegen. Dit bijna zes- honderd bladzijden tellende boek bevat een gigantische hoeveelheid gegevens en literatuur- verwijzingen. Evenals de Engelse versie was het slechts voor geleerden bestemd en niet via de boekhandel verkrijgbaar.
Voor een deel ontleent Bomans’ beschrijving haar humor aan het feit dat er een spanning is tussen de beeldende wijze waarop de scène is neergezet en het ontbreken van ‘vieze woor- den’: hem eruit hebben en het eufemiserende knaap zijn zegswijzen om deze te vermijden.

In dit artikel ga ik na hoe er in onze cultuur over poep gesproken, geschreven en gezwegen wordt. Het wordt nadrukkelijk als verkenning gepresenteerd: ik werd ertoe aangezet na deelname aan het symposium ‘Poep en welbevinden’ dat de redactie van het tijdschrift Medische Antropologie in december 1998 aan de UvA organiseerde. Door als referent van een paper[note 2]Van Leo Ligthart, “To be clean or not to be clean. Medical-anthropological Aspects of Cleanliness and encopresis.”
op te treden had ik vanuit mijn interesse in taal, litera- tuur en orale tradities enkele zaken aan de orde gesteld, die hieronder nu wat systematischer zijn uitgewerkt; ze behoeven zeker nadere studie. De voornamelijk Nederlands- talige voorbeelden zijn gebaseerd op teksten over dit onderwerp, in ander verband be- studeerd. Eerst komt een aantal woorden uit het poep-lexicon aan de orde, mede in ver- band met variatie en verandering; vervolgens bespreek ik enige teksten uit de litera- tuur; daarna ga ik in op significante vormen van speech genres: liedjes, verhalen, spreekwoorden, uitdrukkingen, grappen, vloeken, latrinalia en raadsels. Aan het eind formuleer ik tentatief enkele conclusies.

Mijn aandacht richt zich, in de traditie van de zogenaamde ethnography of speak- ing,[note 3]De term is vooral met het werk van Dell Hymes verbonden; zie bijvoorbeeld Hymes 1974.
 op het feitelijke taalgebruik en minder op de taalsystematiek. Was dit laatste mijn onderwerp geweest, dan had ik me met betrekking tot poep bijvoorbeeld kunnen rich- ten op de grammaticale aspecten van zinnen die met woorden daaruit gemaakt worden: in het Nederlands kun je wel zeggen er lagen vanochtend maar liefst twee drollen voor mijn huis! maar niet er lagen maar liefst twee stronten voor mijn huis! of er lagen maar liefst twee kakken voor mijn huis! Anders dan drol kennen stront en kak gewoonlijk geen meervoudsvorm; ze kunnen niet gecombineerd worden met een bepaald hoofdtel- woord of met het onbepaalde lidwoord een. Dergelijke morfologisch-syntactische kwesties worden hieronder echter niet besproken.

Bij mijn weten is er naar het ‘fecale discours’ in het Nederlands geen systematisch onderzoek gedaan. Er zijn wel verschillende kleinere bijdragen beschikbaar, maar de tientallen kolommen die het Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT) aan poep, stront, schijten, e.d. wijdt, zijn nooit als uitgangspunt genomen voor een verdere studie. En dan gaat het nog voornamelijk om geschreven tradities: een onderzoek door iemand die niet schroomt zijn of haar oor te luisteren te leggen op een speelplaats of bouwkeet, met een recordertje om de nek rond te hangen in de kleedkamers van een sportclub of zich onder gevangenen te bewegen om niet alleen het lexicon maar ook de uitdrukkingsvormen in de orale cultuur op dit punt in beeld te brengen, is bij mijn weten evenmin ooit uitgevoerd.

Poep-lexicon

Toen ik bij het schrijven van dit stuk aan mensen in mijn omgeving vertelde bezig te zijn “met een artikel over poep”, moest ik daar bij telefonisch contact vaak aan toevoegen, “over fecaliën dus”, ook als ik het woord zeer duidelijk uitsprak. Ik had die ervaring niet bij face to face contacten, vermoedelijk omdat mimiek dan aanvullende informatie ver- schaft. Artikel en poep komen kennelijk uit twee verschillende domeinen.[note 4]Ondanks de vaak gehoorde metafoor “Ik heb weer een artikel uitgepoept.” Voor de notie ‘do- mein’ als begrip in de sociolinguïstiek zie Fishman 1971: 248-50.
Toch lijkt het Nederlandse poep in bepaalde contexten een neutraal woord aan het worden. Niet alleen was dat zo op het eerder genoemde symposium, wie op de website van Ouders on line[note 5]www.ouders.nl
 kijkt, vindt in het archief tientallen bijdragen van ouders die de kinderarts of elkaar vra- gen stellen over het poep-gedrag van hun kinderen. “Mijn dochtertje Nina wordt over twee weken 2 jaar oud. Sinds enkele weken treffen we na het slapen haar lakentjes, beddenspijltjes en muur onder de poep aan. Hoewel dit wellicht een functie heeft voor haar ontwikkeling, ben ik toch op zoek naar tips om haar hiervan af te brengen. Wie weet raad?”[note 6]Berichtnummer: F00787, Datum: 6 september 1997.
Een andere vraagsteller wil weten of het poep-probleem van haar kind tussen de oren zit.[note 7]14 mei 1998.
Interessant is dat sommige ouders het woord poep in de mond van hun kinde- ren leggen, maar zelf een eufemisme gebruiken: “Onze dochter (bijna 4) heeft op haar 2e verjaardag al een grote boodschap op haar potje gedaan! Helaas ook voor de laatste keer, want ze is zo geschrokken van ‘die grote poep’ in de pot, dat ze tot op de dag van vandaag ‘bang voor de poep’ is. Ze plast wel op de wc maar voor de grote boodschap pakt ze zelf een pamper en trekt zich terug. Als de pampers op zijn wordt ze erg onrustig of ze wacht totdat ze naar bed moet met een pamper. Ze is ’s nachts nog niet droog. […]”[note 8]Berichtnummer: F00454, Datum: 13 april 1997.
Op de website geven kinderartsen en andere ouders antwoord en tips.

Het lemma poep uit deel 12 van het WNT is van 1933[note 9]Bewerkt door J.H. van Lessen.
en omvat bijna zes kolom- men; de redacteur onderscheidt globaal vier hoofdcategorieën. De eerste beschrijft poep als tussenwerpsel: “Geluid dat men maakt, wanneer men de lippen rondt en voor- uitsteekt, vervolgens plotseling den adem laat ontsnappen en dan de lippen weer sluit.” Bij de tweede categorie wordt poep als mannelijk zelfstandig naamwoord beschreven, “in toepassing op de met geluid gepaard gaande loozing van gassen door de aarsope- ning; scheet, veest, wind”, vooral in de uitdrukking een poepje laten. Onder deze cate- gorie valt ook te lezen dat de afleiding poepelderij ‘drukte, aanmatiging, beuzelpraat’ betekent. Pas bij de derde categorie, het vrouwelijk zelfstandig naamwoord poep, vinden we “vaste uitwerpselen van mens of dier; drek”, gevolgd door een tweede beteke- nis: “Bargoensche benaming voor geld.” Het WNT oppert dat de grondbetekenis ‘weke massa’ hier wellicht is overgegaan in de algemenere van ‘hoop, massa’ en geeft vele samenstellingen, van poepbruin tot poepzak. De vierde categorie vermeldt het woord poep als vermoedelijke vertaling van het Duitse Bube; dit woord is etymologisch verwant met ons boef;[note 10]Zie Kluge 1989: 110.
het kan in het meervoud staan, net als poepin, “Duitsche vrouw die met de hannekemaaiers meekwam.” Ook bij deze categorie treft men afleidingen en samenstellingen aan.

Anders dan bij poep plaatst het Groot Woordenboek der Nederlandse Taal van Van Dale uit 1992 bij schijt en stront de toevoeging “vulgair”. De afleiding schijterij wordt voornamelijk voor diarree gebruikt. Kak krijgt van de redacteur het predikaat “infor- meel”. Een neutraal Nederlands woord is ontlasting, dat zowel naar het zich ontlasten als het product daarvan kan verwijzen. Keutel duidt op de specifieke vorm ervan, meestal rond en volgens de Winkler Prins kenmerkend voor de ontlasting van planten- eters. Het Latijnse faeces, waar ons fecaliën van is afgeleid, komt uit een andere sfeer en betekent letterlijk ‘droesems, bezinksels’. Uitwerpselen of excrementen zijn enkele andere neutrale termen. Beer is vooral uit beerput bekend en heeft een betekenis die ‘verder van het lichaam verwijderd’ is dan de hiervoor genoemde woorden; het is bijna synoniem met drek en gier. Bout wordt wel Bargoens genoemd;[note 11]Vgl. Endt 1969.
het woord kent een uitgestrekt semantisch veld. Van Dale geeft maar liefst negentien verschillende beteke- nissen: ‘staaf’, ‘stuk’, ‘mannelijk geslachtsdeel’, ‘politieagent’, ‘prostituee’. De boute- kit kan ‘politiebureau’ of ‘plee’ betekenen; een boutebikker is een ‘souteneur’. Wie on- der nummer 522 ‘Afscheiding’ van Brouwers’ Betekeniswoordenboek kijkt, vindt nog vele andere varianten voor poep.

Ook voor het werkwoord poepen[note 12]Poepen betekent in Vlaanderen en Brabant ook ‘copuleren’.
 
zijn veel equivalenten voorhanden: kakken, schijten, bouten, zijn gevoeg, zijn behoefte, een hoopje doen, drukken, afgaan, etc.[note 13]Zie voor een eerste verkenning genoemd nummer 522 uit Brouwers Betekeniswoordenboek.
De ledematen die erbij betrokken zijn, worden al naar gelang de situatie verschillend be- noemd: billen (meer specifiek: bilnaad), bibs, achterste, achterwerk, zitvlak, anus, kont, reet, aars, gat, aarsgat, aarsopening, hol, poeperd, etc. De etymologie laat op- merkelijke verschillen zien tussen de verschillende woorden; aars is verwant met het Griekse oup¢, ‘staart’; gat is misschien verwant met het Griekse xt(w, ‘zijn behoefte doen’.[note 14]Vgl. De Witte 1948: 260.
Het woord poeperd heeft met de functie van het lichaamsdeel van doen. Er zijn talen waar in de benaming de stank ervan benadrukt wordt.[note 15]De Witte ibid.: “Bij de karaïben staat de aars bijna helemaal in het teken van stinkende ope- ning. Kò-rï = opening, lek, aars bederf, stank, stinkklier.”
Voor de begeleidende handelingen die men in dit verband in onze cultuur uitvoert zijn er in het Nederlands woordgroepen als het aarsgat reinigen, de bibs schoonmaken, je reet afvegen etc., ge- woonlijk met papier, voorzien van de voorvoegsels toilet-, closet, wc-, of plee-. Daar- mee zijn we aan de locus toe waar de ontlasting plaatsvindt en waarvoor in het Neder- landse eveneens een waaier van begrippen bestaat: (in alfabetische volgorde, en zonder volledig te zijn) bestekamer, bureau, gelegenheid, (geheim) gemak, kabinet, kakhuis, plee, privaat, retirade, schijthuis, schijtstoel, sekreet, stilletje, toilet, wc. Voor de gebruiksvoorwerpen ter plekke (zitting, bril, closetsok, etc.) zie weer Brouwers’ Beteke- niswoordenboek, nummer 155.

Semantisch gezien kunnen samenstellingen en afleidingen met poep- zowel neu- traal, in bonum als in malum gebruikt worden. Bij poepsteen is de betekenis neutraal: er wordt slechts naar de kleur van een steensoort verwezen. Het WNT geeft als liefko- zingswoord: “Wat ben je van Mama? ‘Mammies ouwe poepdoos’.” Voor poepie geldt hetzelfde. Ook bij andere termen uit het fecale discours is dat het geval: “Wat een lek- ker drolletje is het hè?” In andere gevallen echter kan poep- op nietswaardigheid of ver- achtelijkheid duiden, waarbij de eigenlijke betekenis geheel verdwijnt: poepgaai, ‘mens met weinig verstand of moed’, poepvent, poepzat. In het laatste voorbeeld is poep- slechts een versterking van zat.

Verandering en variatie

Een belangrijk kenmerk van een taal is dat het variatie kent in ruimte en tijd.[note 16]Vgl. voor een uiteenzetting hierover: Van Reenen & Elias 1998, hoofdstuk 1.
Diachro- nisch beschouwd zijn de termen in het fecale voortdurend in ontwikkeling. Dat schijten als vulgair geldt, is niet altijd zo geweest. Huisman (1962: 9) schrijft dat het Oudger- maanse schijten ten tijde van de kerstening nog een correcte uitdrukking was. “Het woord is verwant met (af)scheiden, en dus een eufemistische aanduiding.” In de loop der tijd verdwijnt die kennis. Omgekeerd brengen de meeste mensen een woord als aarzelen niet meer in verband met aars; alleen door studie van de etymologie is dat te achterhalen. Verschillen laten zich ook zien in synchronisch opzicht: de termen die woordenboekmakers noteerden, komen uit verschillende domeinen en zijn lang niet onder alle omstandigheden te gebruiken. De oorzaak daarvan is voor een belangrijk deel dat de openingen van het lichaam en wat daar in of uit kan gaan, alle taboeïse- ringen kennen en dat men in de taalgemeenschap telkens nieuwe varianten zoekt. Zo wordt na verloop van tijd het ene woord vervangen door het andere; vaak bestaan ver- schillende varianten echter geruime tijd naast elkaar en moeten taalgebruikers een keu- ze maken. Er is een tijd geweest waarin het woord plee zeer netjes was. Na enige tijd is het vervangen door het geleende watercloset, afgekort wc: dat gaf tevens aan dat zich een technische verbetering had voltrokken. Voor sommigen moet het inmiddels toilet zijn, een woord dat ‘handdoekje’ betekende, etymologisch verwant is met ons woord dweil: “een Germaans woord, dat uit het Frans is gerepatrieerd.” Het WNT meldt dat poepdoos “voorheen zeer gewoon in Nederlands Indië” was voor ‘heimelijk gemak, beste kamer, sekreet’.

Zoals gezegd is sociolinguïstisch onderzoek naar bijvoorbeeld de wijze hoe men- sen hun woorden kiezen om in een restaurant of bij onbekenden te vragen waar de wc is, niet voorhanden. Van Eijk (1998) wijdt in een modern etiquetteboek voor kinderen enkele pagina’s aan het onderwerp en geeft aanwijzingen wat te zeggen als je naar de wc moet. Na de constatering dat sommige mensen daar niet naar durven te vragen als ze ergens op bezoek zijn, raadt ze kinderen aan gewoon te zeggen: waar is de wc? “Héél keurige dames vragen: Waar kan ik mijn neus even poederen? […] Je kunt ook vragen: Waar kan ik mijn handen even wassen? Maar dan loop je de kans dat je naar de keuken wordt verwezen of naar een badkamer waar geen wc is. Vraag dus maar ge- woon en duidelijk naar de wc. Of naar ‘het toilet’ als je dat leuker vindt.” Als varianten voor het talig overbruggen van de afstand waarin iemand zich bevindt tot de plaats waar men zijn behoefte kan doen zijn er verder naar achteren, zich verontschuldigen, even naar achteren, even naar de cour, naar het kleinste kamertje, naar tante, een grote boodschap doen, naar nummer honderd vertrekken, etc. Huisman: “Wie in gezel- schap meedeelt, dat hij naar het schijthuis moet, kan er nauwelijks op rekenen, een ge- soigneerde indruk te maken […] nog erger lijkt het plastische moeten.” Lang voor de NRC wc-teksten publiceerde op de achterpagina schreef de columniste Ileen Montijn eens[note 17]4 juli 1991.
dat wij in stille wanhoop zwijgen “wanneer iemand dreigt een zojuist door ons met vrucht gebruikte W.C. te betreden. Sommige dingen zijn zo pijnlijk, daar excuseer je je niet voor. Het is onmogelijk erover te spreken.” Met name de handel in artikelen die op het toilet gebruikt worden, kent veel eufemismen. Een sanibroyeur vermaalt poep en het bij schoonmaken gebruikte papier zodanig, dat afvoer door een 2 centime- ter brede pijp mogelijk wordt. Er zijn schoonmaakmiddelen voor een wc-pot met een remspoor.

Dat sommige eufemismen enige tijd voldoen, maar in de loop der tijd ‘smerig’ wor- den komt niet door de woordvorm, maar door de context waarin en door wie ze op welk moment gebruikt worden.[note 18]Vgl. Elias 1992: 39.
Met het vermijden van directe verwijzingen creëren men- sen steeds nieuwe metaforen, die iets zeggen over de wijze waarop ze de wereld obser- veren. Door billen kadetten te noemen, jeuk aan de anus zand in de rails, of door een uitdrukking als de duivel schijt altijd op de grote hoop brengt iemand, al dan niet be- wust, verschillende domeinen bijeen. Daarbij wordt vaak geput uit oude voorstelling- en, die van generatie op generatie overgeleverd zijn.

Welke factoren veroorzaken de variatie in het fecale discours?[note 19]Bij de opmerkingen hieronder bespreek ik enkele aspecten van de speech event uit het be- schrijvingsmodel van Hymes (1974: 53 e.v).
Wat plaats, tijd en omstandigheden betreft is het spreken over ontlasting in onze cultuur vaak taboe. Zo praten de meeste mensen er tijdens de maaltijd niet over. Ook elders zijn er beperking- en: je kunt wel aan iemand vragen hoeveel vel papier hij nodig heeft om iets op te schrijven, maar mutatis mutandis niet hoeveel vel hij nodig heeft om zijn gat af te ve- gen. Communicatie daarover vindt wel plaats op andere momenten en onder andere omstandigheden: bij producenten van toiletpapier bijvoorbeeld. In zogenoemde totale instituties krijgen bewoners soms een afgemeten aantal velletjes wc-papier toegestopt voor ze het toilet betreden, met de toelichting zuinig te zijn. Op de plaats van de ontlas- ting zelf is mondelinge communicatie beperkt tot zeer besloten kring: zo leren ouders hun kinderen hoe het op de wc toegaat.[note 20]Ik herinner me eens door de loodgieter uitgenodigd te zijn met hem op de wc te komen voor uitleg over de mogelijkheid om “een kleine en een grote boodschap” variabel af te voeren.
Er zijn verschillende omstandigheden waar- onder het praten over ontlasting bevrijdend werkt en gelijkheid bevordert, ‘in de mar- ge’ of in liminale situaties. Bij het in kaart brengen van de omstandigheden waaronder over poep wordt gesproken is de spreekkamer van de dokter, en in het verlengde daar- van het ziekenhuis van belang. In communicatiecursussen voor artsen wordt soms aan- dacht besteed aan het bespreken van moeilijke onderwerpen: hoe met patiënten de pro- blemen van incontinentia alvi te bespreken?

Is er verschil tussen mannen en vrouwen bij het praten over poep? Esse-tee, zo staat in het Bargoens Woordenboek (1972), is in het Nederlands een benaming voor ‘stront’. Endt en Frerichs geven als toelichting: “Deze eufemistische aanduiding door middel van de beginletters vooral in vrouwenmond. Voorbeeld: je hebt geloof ik in de esse-tee getrapt.” Aan te nemen valt dat vrouwen woorden als stront minder vaak gebruiken dan mannen; ongeorganiseerde sessies waarin vrijelijk strontgrappen worden gemaakt, anaal gevloekt wordt en dergelijke zijn traditioneel meer een mannenaangelegenheid. Waarschijnlijk zijn er ook verschillen naar sociale klasse, maar zoals hierboven gezegd is onderzoek daarnaar mij niet bekend. Het eerder genoemde boek van Van Eijk (1998: 62) wijdt een hele pagina aan het onderwerp, met tips voor kinderen als “Laat de wc altijd schoon achter; spoel hem als het moet twee keer door; veeg ‘remsporen’ weg met de wc-borstel of met een flink stuk papier” en “Ren niet meteen na het eten naar de wc, dan denken ze dat je ziek geworden bent.” Over veesten schrijft ze: “Vroeger zeiden mensen van die lollige dingen als je een wind liet: ‘Achter twee bergen bromde een beer en toen ik omkeek zag ik hem niet meer’, ‘Een scheet is een boer die de weg niet weet’, ‘Pak er voor mij ook maar twee in’, ‘Eruit, die geen huur betaalt’.” De legendarische Amsterdamse tramconducteur van vroeger zou als een passagier een wind liet gezegd hebben: “Ieder een snufje, dan is het zo op” (p. 43).

De functie van het praten over ontlasting, en in het verlengde daarvan het onder- zoek daarnaar kan in verband staan met die van poepen zelf: het is vies maar kan ook opluchten. Het poepdiscours kent in onze samenleving in principe geen institutionali- sering of ritueel als bij een rechtszitting, met vaste formules. Dat maakt dat mensen zich in een vreemde omgeving onzeker voelen ‘hoe je daarover praat’. In verschillende culturen zijn mythen en rituelen die met uitwerpselen verbonden zijn: poep had een plaats bij religieuze feesten, Romeinen en Egyptenaren kenden poep-goden, in de volksgeneeskunde was er de befaamde Dreck-Apotheke. Kinderen die de mazelen had- den, kregen melk met schapenkeutels, drek van koeien werd op zwerende wonden ge- smeerd, paardenvijgen dienden om bloed te stelpen, etc. De scatologie is een vorm van wetenschap waarin gepoogd wordt het geheel van ideeën over poep die de mensheid heeft en had, in kaart te brengen, met een eigen taalgebruik, met de eufemismen copro- filie, coprofagie, coprolagnie e.d. als vaktermen. Freud heeft erop gewezen dat voor kinderen de interesse in excrementen en genitaliën aanvankelijk niet gescheiden is en dat zij ontogenetisch de geschiedenis van hun voorouders inzake poep doormaken; van hem zijn de termen anale fase en anale erotiek.

Het ter discussie stellen van de normen voor interactie op het gebied van fecaliën is een bekende kunstvorm. Le charme discret de la bourgeoisie, een film van Buñuel, speelt met het dooreenhalen van de gewoonten bij respectievelijk de maaltijd en ontlas- ting. Eten is met allerlei taboes omgeven: men doet het in een klein hokje met een haak- je erop, terwijl de bezigheden die wij op de wc verrichten, gemeenschappelijk rond de tafel plaatsvinden. Met zwier reikt men elkaar wc-papiertjes aan.

Literaire tradities

Een van de oudste beschrijvingen van een situatie die ik ken waarin iemand poepend ten tonele wordt gevoerd, staat in het eerste boek Samuel, waar David, op de vlucht voor Saul, zich met zijn mannen in een spelonk bevindt. “Saul ging daarin om zijn be- hoefte doen.[note 21]De Statenvertaling zegt hier “zijn voeten te dekken”; het woordenboek van Koehler/ Baum- gartner geeft onder 1:JD met een verwijzing naar deze passage de toelichting “spreizt s. Bei- ne = Notdruft verrichten.”
David nu en zijn mannen zaten aan de zijden van spelonk. En de mannen van David zeiden tot hem: ‘Zie de dag dat de Eeuwige tot u zegt: «Zie ik geef uw vijand in uw hand en u doet met hem wat goed is in uw ogen»’.” (I Sam 24: 4-5) Daarop stond David op en sneed zonder dat Saul iets merkte een slip van diens mantel af. Met bon- zend hart zei hij tot zijn mannen: “De Eeuwige beware mij ervoor dat ik mij zou ver- grijpen aan mijn heer, de gezalfde van de Eeuwige.” Zo hield David zijn mannen in be- dwang en liet hij niet toe dat zij zich op Saul wierpen. Sommige commentatoren[note 22]Vgl. Fokkelman (1986: 452, noot 28), die zich tegen deze opvatting verzet en met instem- ming Hertzberg citeert: “Dass Sauls Lage ihn herabsetzen soll, wie manche Ausleger mei- nen, davon ist keine Rede. Was Saul tut, ist natürlich, aber nicht komisch und entwürdigend.”
hebben de situatie waarin Saul wordt afgeschilderd als vernederend beschouwd. Feit is natuurlijk dat iemand zich niet kan verweren als hij zich ontlast. Interessant lijkt me verder de vermenging van het hoge en het lage: het ontzag van David voor de eerste ge- zalfde van de Eeuwige krijgt meer reliëf tegen de achtergrond van het uitoefenen van basale menselijke activiteiten.

Opmerkelijk is dat het ‘mannelijke’ in de Hebreeuwse bijbel soms benoemd wordt als ‘wat tegen de muur pist’.[note 23]Bijvoorbeeld in I Sam. 25:34.
De latere joodse traditie kent verschillende voorschriften hoe om te gaan met uitwerpselen. De halacha[note 24]Het normatieve, ‘wettelijke’ gedeelte van de Tora en de mondelinge leer.
zegt bijvoorbeeld dat het verplicht is uit- werpselen te begraven in de grond, zelfs in oorlogstijd. De joodse geleerde Maimonides[note 25]Rabbi Mosje ben Maimon (1135-1204), naar zijn initialen vaak Rambam genoemd.
heeft in zijn traktaat over de sjabbat een hoofdstuk waarin hij definieert welke handelingen in tegenstelling zijn tot de rust op de sjabbat. In XXI: 2 schrijft hij (ik geef de Engelse vertaling): “Whenever one levels grooves in the ground, he is liable for doing the prohibited work of plowing. Accordingly, it is also forbidden to relieve one’s self in a plowed field on the Sabbath, lest one should be led to level a groove” (p. 129).

In de christelijke traditie is een bekende passus over poep die in het evangelie van Mattheus (hoofdstuk 15), waar Jesus in een discussie met de Farizeëen de volgende ver- gelijking trekt: “Luister en wilt verstaan: Niet wat de mond binnengaat, bezoedelt de mens; de mens wordt bezoedeld door wat de mond uitgaat” (vs. 11). Als de leerlingen om een verklaring vragen, krijgen ze te horen (vs. 17-19): “Beseft gij niet, dat alles wat de mond ingaat, in de buik komt en op een zekere plaats wordt verwijderd? Maar wat de mond uitgaat, komt voort uit het hart en dat bezoedelt de mens. Want uit het hart komen voort boze gedachten, moord, echtbreuk, ontucht, diefstal, valse getuigenis en gods- lastering.”[note 26]Willibrordvertaling KBS.
In het Grieks staat hier voor “op een zekere plaats wordt verwijderd”,[note 27]Novum Testamentum Graece, ed. Nestlé.
wat in de onlangs verschenen vertaling van Hans Warren (1996: 76) onverbloemd vertaald werd door: “… en er op de plee wordt uitgeperst.”[note 28]Novum Testamentum Graece, ed. Nestlé.

De verhevenheid van de mens als beeld van God is in de joodse en christelijke tradi- tie verbonden met het feit dat de mens geformeerd is uit het stof der aarde. Van Hiëro- nymus is de uitspraak (uit een preek over de geboorte van Jesus): “Daarom is hij in stront geboren opdat hij hen die uit stront zijn, verheft.”[note 29]Vertaling ME. “Propterea in stercore nascitur ut eos qui sunt de stercore sublevet.” Uit: “Ho- milia de nativitate Domini”, r. 14. Ik dank het citaat aan Hans van Rijssen van het Augustijns Instituut in Eindhoven, die het met behulp van de cd-rom CT doc Library of Christian Latin Texts (Paul Tombeur), versie 3 (Turnhout) voor me achterhaalde.
In de negende eeuw begon in het christendom een strijd over het zogenaamde stercoranisme:[note 30]Van het Latijnse stercus ‘stront’. Zie hoofdstuk IX “Die Sterkoranisten” in Bourke 1913.
men vroeg zich af of het brood (de hostie), door het sacrament van de eucharistie de tegenwoordigheid van Christus belichamend, door vertering tot poep kon worden. Stercoranisten was een scheldnaam voor degenen die deze opvatting aanhingen. Over uitwerpselen kon zeker tot de Renaissance vrijelijk geschreven worden. Luther maakt uitgebreide associaties en vergelijkingen van de duivel en de verdorven wereld met excrementen. Hij verge- lijkt zichzelf, “om zijn eigen nietigheid en die van de wereld in verhouding tot de groot- heid van God te illustreren met ‘verse stront, en de wereld is een gigantische reet, we zullen elkaar spoedig laten schieten’.”[note 31]Geciteerd uit Lust 1986: 277.

Het laatste citaat komt uit een artikel over anale folklore in laat-middeleeuwse lite- ratuur, waarin erop gewezen wordt dat het gemak waarmee in het taalgebruik aan fecale zaken wordt gerefereerd, samenhangt met de ruime en nadrukkelijke aanwezigheid ervan in het dagelijks leven. Maar er is meer aan de hand: scatologie werd in de literatuur van de zestiende eeuw ook ingezet om specifieke doelen te bereiken. De uitzon- derlijke Antwerpse dichteres Anna Bijns, die liefdeslyriek schreef en in haar refereinen blijk gaf van grote bijbelkennis, legt, als ze zich opwindt, zo hard mogelijk een denigre- rende strontfolklore op tafel: “Een besceten koe wilder vele bescijten” – gezegd van in- fectueuze ketters die anderen proberen aan te steken.[note 32]Pleij 1993: 129.
Wat haar vrijmoedigheid in het fecale betreft verschilde deze rederijkster niet van de door haar verafschuwde Luther. Lust (1986: 274) vestigt nog de aandacht op twee zotte refereinen van Bijns met scatologische strekking. De eerste is een lofdicht op het aarsgat met de telkens terugkerende regel Dit vermach den eers meest tallen tyen (vrij vertaald: dit zijn de grootste verdien- sten van de aars). Bij het tweede scatologische gedicht is de stokregel Tes beeter ge- veesten dan qualijck gevaren. Volgens Lust sluit ze daarin aan op Erasmus’ Boeckje Aengaende Beleeftheid der Kinderlijcke Zeden, een vertaling van diens bekende De civilitate morum puerilium (1530).

Behalve in religieuze polemieken werd de metaforiek rond uitwerpselen veel ge- bruikt in de folklore van Vastenavond. Voor de Nederlandse literatuur heeft vooral Herman Pleij daar recentelijk onderzoek naar gedaan. In zijn boek Het gilde van de Blauwe Schuit bespreekt hij scatologische teksten:[note 33]Pleij 1979: 57-62.
“Er stijgt een dikke walm van winden en stront uit genoemde teksten op. Die is niet in het perspectief van de eufemiserende bezwering van collectieve angsten te plaatsen. Zoals de seksualiteit ten dele moet de scatologie in zijn geheel begrepen worden als reductie-instrument van aan te pakken idealen en angsten, dat ontleend is aan de inheemse uitdrijvings- rituelen van de winter. […] Al het bestaande dat zich voor de burger op een verheven plan bevond, diende verlaagd, veraardst, gedenigreerd, vervloekt en vernietigd te worden.” Een bijzonder genre was het spotsermoen, waarin quasi-predikers gefin- geerde martelaren konden opvoeren en quasi-kerkgangers de absolutie konden ge- ven met woorden als “Absolvat vulgat, dats tavont theersgat nat” (p. 61). In de UB Amsterdam bevindt zich een handschrift,[note 34]Het handschrift (Sign. hs. I A 24n) is vernoemd naar de Luikse hoogleraar Bormans (1801-78); het werd in de vorige eeuw door Gerrit Kalff bekendgemaakt. In 1996 is het onder de titel Dit es van den scijtstoel door een anaal gezelschap te Leiden heruitgegeven, onder gefingeerde namen, plaats van uitgave en uitgever (zie bibliografie).
waarvan de beginzin luidt dit es van den scijtstoel, met een kennelijke verwijzing naar de preekstoel. Er wordt een heilige op- gevoerd die adviezen geeft over de wijze waarop je het best je kont af kunt af kunt vegen (met hooi, een sneeuwvlok, een mosselschelp, etc.), een motief dat geliefd was in die tijd en ook voorkomt in Rabelais’ Gargantua en Pantagruel. In hoofdstuk XIII voert Gargantua daar met Grandgousier een hele discussie over, die eindigt met de woorden:

Maar alles bij elkaar genomen blijf ik erbij dat er niets beters is om je gat af te vegen dan een mooie donzige vogel, op voorwaarde dat je zijn kop tussen je benen klemt. Op mijn woord van eer: je aarsgat ondergaat een wonderlijk wellustig gevoel, zowel door het zachte dons als door de lauwe lichaamstemperatuur van de vogel, die gemakkelijk op de endeldarm en andere ingewanden wordt overgebracht en zelfs tot de hartstreek en de her- senen doordringt. Denk niet dat het geluk van de helden en halfgoden in het verblijf der gelukzaligen te danken is aan affodil, ambrozijn of nectar, zoals de oude vrouwen hier beweren. Het bestaat volgens mij uit het feit dat ze hun gat afvegen met een vogel, wat overigens ook de mening is van meester Jan van Schotland.

Ook het volksboek van Uilenspiegel geeft voorbeelden van poepfolklore. Een hoofd- stuk luidt: “Hoe Ulespieghel een cranck kint schijtende maecte, also hy seyde, daer hy veel dancx ende eer afcreech.” Uilenspiegel zegt een waardin dat het een klein kunstje is haar kind van constipatie te genezen, “die vrouwe ghinck eens achter in haren hof, ende die wijle scheet Ulenspieghel eenen grooten hoop, ende hy sette dat kint metten cackstoel daer boven op. […] Doen sach die vrouwe den grooten dreck die onder den stoel lach, ende seyde, lieve Ulespiegel […]”[note 35]Ulenspieghel 1986: 115.
Zoals gebruikelijk moet Tijl Uilenspiegel vertrekken als de vrouw hem vraagt haar het kunstje te leren. Verderop in het boek wordt verteld hoe Uilenspiegel mensen bedriegt door hun stront te verkopen, de apo- theker in zijn potten scheet, etc.

Met dergelijke teksten schiep een geletterde elite een vorm van humor. Bachtin beschouwt deze als parodie op de middeleeuwse geloofsdoctrine en op de wijzen waar- op met citaten uit de Schrift werd verdedigd, aangevallen, geïntimideerd, beschuldigd (1968: 227). Het groteske in dergelijke communicatievormen is een effectieve sociale kracht met een bevrijdende werking, die bereikt zou worden door op een andere manier naar het menselijk lichaam te kijken. De nadruk valt daarbij op de grenzen ervan, op de plaatsen waar het naar buiten treedt en in uitwisseling staat met zijn omgeving. Deze vorm van volkshumor is een middel om op basis van ongelijksoortige elementen een komische tegenstelling te produceren.[note 36]Lust 1986: 275.

Orale cultuur

Hieronder geef ik enkele voorbeelden van het vele dat uit mondelinge overleveringen over poep is opgetekend. Er zijn ten eerste allerlei liedjes en rijmpjes, soms kort, soms lang. Het WNT geeft in kolom 2970: “Poep! zee-d-ie, stink deed-ie (gemeenzaam rijm- pje).” Kinderen zijn veel met hun ontlasting bezig en rijmen al vroeg: Hoeperdepoep zat op de stoep, middenin in de paardepoep. Onder poep (IVde categorie, Bube) geeft het WNT een ander nu nog bekend versje: “Ik kwam laatst in een poepenkraam, Daar zag ik zeven poepen staan. Ik dacht wat doen die poepen hier? Die poepen drinken poe- penbier, Die poepen drinken poepenwijn. Wat zullen die poepen vrolijk zijn. Iedere poep die kocht een koek, Die stak hij in zijn poepenbroek.” In de betekenis van Bube is het door ouderen zonder schaamte te zingen, terwijl kinderen er andere associaties bij hebben en zich vermaken om het doorbreken van het taboewoord.

In de correspondentie van C. Bakker (arts te Broek in Waterland) met Boekenoogen vond ik:[note 37]1897-1916, hs. aanwezig op het Meertens Instituut.

Pissen gaat voor visschen al is het net gereed
Kakken gaat voor bakken al is de oven heet
Keizer Koning Kardinaal
Kakken moeten we allemaal.

De laatste regels verwijzen naar iets wat geregeld voorkomt in het poep-discours: net als de dood verdwijnen in het ‘kakken’ de verschillen tussen mensen – een thema dat ook in reclame voor toiletpapier is opgenomen.

De strontkar die vorige eeuw in Amsterdam de emmertjes poep ophaalde werd al snel ‘Boldootkar’ genoemd en de mensen zongen het liedje:[note 38]Werkman 1992: 19.

Juffer hep je een emmertje poep,
Set ’t maar op de stoep,
’k sel het komme hale,
Je hoeft het niet te betale,
Juffer hep je een emmertje poep,
Set ’t maar op de stoep.

Mooi uitgegeven anale rijmen vond ik in een te Lulbroekerstront (1994) uitgegeven “Stronte-gedans”[note 39]Als eerste uitgave van de Bibliotheca Stercorea (waarin ook Dit es van den scijtstoel verscheen; zie de bibliografie).
door drs. Dirk Rol, waarvan het eerste couplet luidt:

Eens waarender vier strontjes
Die maakten eenen dans:
De eerst woog zeven-pontjes,
En hieten daarom Hans.
Wel, was dat niet een groote stront!
Nu vat het endetje in u mont
En dat al in de Maye,
Van hompelde-pomp, de keutel is rond.
Kust ghy me de poort, ik kus u de mond,
Soo kussen wy allebeye.[note 40]Het colofon vermeldt dat het gedicht is ontleend aan Het eerste deel van de Amsterdamse mengel-moez (1658).

De traditie van volksverhalen bevat tal van elementen die naderhand in het onderzoek terugkomen. Freud verwijst in zijn “Charakter und Analerotik” (1908) naar de opvat- ting dat het vinden van een schat met defecatie samenhangt: “jedermann vertraut ist die Figur des ‘Dukatenscheißers’.”[note 41]Freud 1982: 29. In een noot op deze pagina schrijft hij dat in een oudbabylonische mythe geld al wordt gezien als “Dreck der Hölle”.
In het Nederlands taalgebied is er het sprookje van Tafeltje dek je,[note 42]In Types of the folktale van Aarne & Thompson nummer AT 563. Ik citeer uit Dekker, van der Kooi & Meder 1997: 360-64
waarin de tweede zoon na zijn vertrek uit huis bij een molenaar gaat werken. Bij zin afscheid krijgt hij een ezel van de molenaar. Het is een bijzondere ezel: als hij op een doek geplaatst wordt, rollen er na het uitspreken van de woorden “Ezeltje strek je” goudstukken uit zijn achterwerk. Het sprookje komt al voor in de zeventiende- eeuwse Pentamerone van Basile. In latere verzamelingen is het schijten van goud soms gekuist tot het niezen van goud. In de Efteling is een beeld te zien van ‘Ezeltje strek je’. Meder schrijft in het recent verschenen Lexicon van Sprookjes bij dit sprookje dat het een adequate weerspiegeling vormt van elementaire menselijke noden in het verleden. “Honger en geldgebrek zijn […] de voedingsbodem voor wensdromen, die in sprook- jes narratief gestalte kunnen krijgen.” Hij vergelijkt het met het imaginaire Luilekker- land.

Buiten de westerse traditie is het verhaalgoed dat zich bezighoudt met fecaliën, enorm uitgebreid. Uli Kutter die voor de Enzyklopädie des Märchens het lemma “Ex- kremente” samenstelde, meldt dat menige kosmogonie beschrijft hoe de wereld uit ex- crementen ontstaan is. In een Indische ontstaansgeschiedenis poept de god Bhimo op het hoofd van Ramah. De uitwerpselen worden in het water geworpen en vormen het land. Er zijn tal van voorstellingen waarin de eerste mensen zich in de poep van goden bevonden of daaruit gevormd werden. Verwant aan dergelijke antropogonieën zijn ver- halen waarin bepaalde personen uit poep geschapen worden of waarin excrementen be- zield worden. Bij de Siberische Koriaken is er een soort trickster-figuur die zich met hondenkadavers en uitwerpselen voedt; anderzijds wordt deze als de eerste mens be- schouwd. In Indiaanse vertellingen treden soms sprekende excrementen op. Ook in sagen, legenden en grapverhalen treedt poep op: een voorbeeld van het laatste is het verhaal van de man die bij het schijten aan een boom blijft kleven.[note 43]Zie voor meer verhalen de verwijzingen in de Enzyklopädie des Märchens.

Het arsenaal aan spreekwoorden, uitdrukkingen, en stoplappen is eveneens groot. Ik vrees, hy zal de Galg noch beschijten, d.w.z. “hij zal nog aan de galg komen”, schrijft het WNT. “In de Meierij”, zo meldt dit woordenboek, “zegt men van een ongetrouwde doch bezwangerde vrouw: ze moet een poolsche poep laten.” Voorts: “Het scheelt veel wie er poep zegt.” En Men kan wel een ei in zijn poeperd gaar krijgen, gezegd van ie- mand die vreselijk in angst zit. De associatie van vrees met poep is er ook in Hij zit in de poepse karn “Hij zit in de benauwdheid”. Poep en armoede gaan samen in hij heeft nog geen nagel om zijn kont te krabben. “Poep zeggen betekent ‘doodgaan’,” zegt het Bar- goens Woordenboek. Hoe meer men in de stront roert, hoe harder het stinkt “Over een vuil zaakje moet je niet teveel praten, want daar komt nog meer vuiligheid van.”

Van Eijk verzamelde voor haar bundels dooddoeners, stoplappen en gelijkhebbers (1978 en 1980) enkele pagina’s over dit onderwerp: Daar schijt weer een kraai die nu nog geen kont heeft.[note 44]Van Eijk 1978: 148.
“Iemand is bang voor wat waarschijnlijk nooit gebeurt”. Dat is laaien en lossen (als iemand vlak na het eten na de wc gaat), Veel uitdrukkingen behoe- ven geen toelichting: als ik een bril zie, moet ik poepen, ik ben in verwachting van een bruine weesjongen, ik ga even een splinter uit mijn lijf drukken, mijn broer om de nek pakken, de grote Piet uithangen. Een gespreksgenoot kan antwoorden: “Goed afkwis- pelen, anders gaat-ie zweren.”[note 45]Alle uit Van Eijk 1980: 45-6.
Daniëls (1991) geeft in ’n Schon boks (een boek met Brabantse uitdrukkingen) een hoofdstuk over stront en schijten, onder de titel ‘Stront an de knikker’. De openingszin daarvan is: “Als ik eerlijk ben, moet ik bekennen dat mijn grootste vaardigheid is: van brouwt stront make.” Van een Brabantse vrouw no- teerde hij: “Ik trouw nog nie mi n’n boer al schijt-ie bij elke treej ’n mud erpel.” Hij besluit met: “As ge ne kèèr lekker wult schijte, hedde altijd stront te kort.”

Er zijn ook strontgrappen. “Zaten twee vliegen op een hondedrol, zegt de één tegen de ander ‘ik ken een mop, maar het is wel een beetje een vieze hoor’ – Zegt de ander, ‘hè nee, nu niet, ik zit net lekker te eten’.” Kinderen expliciteren de relatie tussen mop- pen en poep met het rijmpje “Wat een mop, twee drollen in een envelop! Haha wat een grap: twee drollen rollen van de trap!”[note 46]Beide van Jonathan, Aad en Floor van Luijk (opgetekend door hun moeder, Jannet Delver, 9 maart 1999).
Een zeer bekende Nederlandse mop: “Pudding en Gisteren hadden straf gekregen van hun ouders. Ze werden na het eten opgesloten op zolder. Na een paar uur klaagde Pudding dat hij naar de wc moest. Hij bonkte op de deur, maar zijn ouders lieten hen gewoon op zolder zitten. Na een tijdje werd de situatie onhoudbaar. Ik moet nu zo vreselijk nodig, klaagde hij. Gisteren zei hem toen: weet je wat, we maken het raam open, dan doe je het maar naar buiten, want anders zitten we hier in de viezigheid. Zo gezegd, zo gedaan. Pudding poept naar buiten en het raam gaat weer dicht. Maar beneden liep er net een man, die alles precies op zijn hoofd kreeg. Woedend belde hij aan. De vader van Pudding en Gisteren deed de deur open. Hij schrok natuurlijk toen de man begon te klagen. Was het Gisteren, vroeg hij? Nee, zei de man, vandaag natuurlijk. Was het Pudding? Nee, schreeuwde de man, het is poep!”[note 47]Uit eigen herinnering genoteerd.
In veel kiosken zijn moppenboekjes te vinden met vergelijkbaar materiaal. Naast grappen waarin kinderlijk plezier om het uitspreken van de namen voor excrementen tot uit- drukking komt, zijn er ook waarin het taboe versluierend overtreden wordt.

Het fecale was niet alleen vroeger een middel om spot, minachting en verachting mee uit te drukken. In vloeken en verwensingen komt dat pregnant tot uitdrukking. “Laat ie in de stront zakken!”, schrijft Van Sterkenburg (1997: 377) in zijn vloeklexicon, “drukt thans gelatenheid of onverschilligheid van de spreker uit ten opzichte van het gebeuren of de daad van een ander, of jegens de kritiek van een ander op de eigen daad. De verwensingen zak in de stront! en je kunt in de stront zakken! ‘bekijk het maar’, ‘je kunt me wat’ drukken minachting van de spreker uit.” In Nederland is de laatste decennia shit hoog op de ranglijst van frequente vloeken gekomen, inmiddels ook weer vernederlandst tot Schijt! of Dikke schijt![[id48]] In genoemd vloeklexicon is onder het lemma schijt te vinden dat dit in de 17de eeuw al voorkomt in: ick wensch dat gij kreeght voor Uw loon het schijt. In de enquêtes die de auteur voor dit boek uitvoerde trof hij Krijg de schijt, schijterij aan. Zeer frequent is Lik mijn reet. “Je kont” ontwik- kelde zich in de negentiende eeuw, schrijft Van Sterkenburg. Je kan me de bout hache- len betekent letterlijk “je kunt mijn poep eten”.[note 48]Hachelen, achelen van het Hebreeuwse ):JN. achal ‘eten’.
Ook de zogenoemde rituele verwen- singen waarnaar Labov in New York onderzoek deed, kennen vaak een fecale com- ponent: “Your mother gave you milk out of her ass.”[note 49]Labov 1972: 416.
Op deze plaats verdient Reinhold Aman genoemd te worden, die internationaal met het tijdschrift Maledicta: The Inter- national Journal of Verbal Aggression en sinds een aantal jaren ook met zijn website[note 50]www.sonic.net/maledicta/index.html. Een aantal artikelen uit Maledicta werd gebundeld in Aman (1993).
aandacht trekt. Zijn interesse omvat ook het gebied van de ‘kakologie’. Maledicta bevat ‘kakademische’ bijdragen als ‘Kiss My Ass! in Bavarian’, ‘Coprolites & Urolites’, ‘Black Excremental Poetry’, etc. Heestermans (1989: 46-48) geeft een overzicht van woorden om iemand uit te schelden: stronthommel, drollekop, bleekscheet, krentenkakker, schijtwijf, etc. Bij de varianten met poep noteert hij “minder frequent”, wat een aanwijzing kan zijn voor het feit dat dit woord ‘gewoon’ is geworden.

Een aparte vorm in het fecale discours wordt gevormd door latrinalia, teksten aan de wand van (voornamelijk mannen-)wc’s en andere plaatsen waar men zich ontlast. De term is door Alan Dundes geïntroduceerd als alternatief voor het alledaagse shit- house poetry. Het begin van de titel van zijn artikel “Here I sit” verwijst naar teksten als “Here I sit broken-hearted / Paid a nickel and only farted” (p. 186), “Here I sit in stink- ing vapor, some sonuvabitch stole the toilet paper” (p. 187). In het Nederlands taalge- bied wordt wel gesproken van wc-teksten.[note 51]Onder die naam verscheen er een aantal op de achterzijde van NRC-Handelsblad (eind 1998 – begin 1999).
Dundes interesseert zich vooral voor tek- sten die het idiosyncratische overstijgen en veelvuldig te vinden zijn. Ze hebben iets over onze cultuur te zeggen.[note 52]Hij oefent in dit stuk ook kritiek uit op antropologen en archeologen die ‘ver weg van huis’ onderzoek doen naar zaken die ze in hun eigen omgeving niet onder ogen durven zien. In dit bestek ga ik daar niet op in.
Behalve uitingen die met ontlasting te maken hebben, zijn er ‘contactadvertenties’, commentaren over de stand van zaken in de wereld, aanwijzingen, verzoeken, klachten en dergelijke op de wanden te vinden. Het genre is oud: al in latrines uit de Romeinse tijd zijn er voorbeelden van te vinden. De teksten slaan een bres in het in het privé-karakter dat ontlasting in westerse samenlevingen heeft: “Hoe eenzaam is toch de wc, ik neem voortaan maar iemand mee” (uit een Nederlands graffiti-boekje, Van der Veen en Schrijnders 1979: 50). Hieronder volgen enkele voor- beelden die specifiek op poep betrekking hebben. “Wees gerust en maak je geen zorgen, lukt het vandaag niet dan lukt het wel morgen” (p. 59). De overdrijving is een ele- ment dat vaak te vinden is: “Een vriendelijk verzoek: gelieve drollen langer dan één meter rechtstandig in de hoek te deponeren” (p. 61). Ook observaties als de volgende zijn frequent: “Hetgeen vermaald is met mijn tanden, zal hier met grote allure landen” (p. 54). De verhouding tussen eten en poepen is er verder in “If you shit here, eat here. We don’t want just the tail of your business” (Dundes 1975: 182). Op dezelfde pagina staat het coprofagische: “Don’t flush the toilet. The next man may be hungry” (Chicago 1960). Op een damestoilet (Berkeley 1963) trof Dundes aan: “For those in a hurry / With no time to sit / Please lift the lid / For a more direct hit” (p. 183), een voorbeeld van een tekst die iets duidelijk maakt over toiletgebruik: “This may refer also to the practice of many women of not actually sitting on a toilet seat but of squatting over it.” Zo ook: “Women women what a blessing / You can shit without undressing / But we poor men we sons of bitches / We must strip or shit in our britches.” (p. 183).

Ten slotte plaats ik enkele opmerkingen over raadsels.[note 53]Voor achtergronden over raadselgebruiken zie Elias 1998: 17-40.
Vooral kinderen verkennen met deze vorm van taalgebruik het anale domein. Ze tasten er hun grenzen mee af en doorbreken taboes: “Stil, stil, stil, onweer in mijn bil, pief, paf, het kanon gaat af.” Vaak is er een kort vraag- en antwoordspel: “Wat krijg je als Lord omdraait? – ‘Drol’. En als je dat weer omdraait? – ‘Vuile handen’.” Dit is een voorbeeld van een traditioneel type verraadseling, waarbij de letters worden omgedraaid (van lord naar drol), en de zelfnoem- functie vervolgens wordt omgebogen tot een referentie. Omdraaiing van woorddelen uit homofonen (met doorbreking van woordgrenzen) is er in het raadsel “Wat is het verschil tussen een matroos en wc-papier?” – Een matroos neemt afscheid en wc-papier neemt schijt af.[note 54]Jaap v.d. Hoogen (4 jaar), verteld door zijn moeder (Amsterdam, 22 februari 1999).
Ook zogenaamde superlatieve raadsels (die in Nederland meestal de vorm hebben van: wat is het toppunt van…?) kennen toepassingsmogelijkheden in het fecale: “Wat is het toppunt van snelheid? Je klimt de Eiffeltoren op, kakt over de reling heen, rent naar beneden en vangt het op in een pot.” Een ander type raadsel: “Het is bruin en het kruipt langs je been omhoog.” – Een drol met heimwee.[note 55]Persoonlijke mededeling van Geert Mommersteeg.
Of, in een variant: “Wat krijg je van een drol met heimwee?” – Vieze knieën. Fischer merkt naar aanleiding van zijn onderzoek (1988: 93) op dat kinderen met het stellen van raadsels de periode van het vra- gen stellen (aan hun ouders) beëindigen, doordat zij zelf oplossingen weten en zich in een superieure positie brengen; ze spotten met de niet-aangepastheid aan de norm.

Op het Meertens Instituut bevindt zich in de collectie Boekenoogen een aanzienlijke hoeveelheid raadsels, waarvan sommige met scatologische strekking. Verschillende werden opgetekend door de eerder genoemde arts C. Bakker: “Waarom ruikt een wind- je?” –Opdat een dove er ook iets aan zal hebben, want die kan het niet horen. “Een hou- ten hut een koperen kut een draai om je gat ra ra wat is dat?” –Koffiemolen. “Waar draaide Adam zijn eerste hoopje neer? – Achter zijn hielen.” “In het land van Luik / Daar ligt een struik / Zonder beenen of zonder buik / En evenwel komt er wasem uit” –Een stronthoop. “Achter in mui Jannekes hof / Daar staat een huisje van lof / Zij pie- sen er in en zij poepen er in / En mui Janneke doopt er haar boterham in” –Bijenkorf. Een belangrijke functie bij het elkaar opgeven van dit soort raadsels is dat het mensen in de gelegenheid stelt elkaar op de proef te stellen en daarmee vorm te geven aan riva- liteit. Pas in een competitieve sfeer raken mensen op raadsels gespitst en in zo’n situatie kunnen ze zich dan ook bijna elk raadsel herinneren dat zij ooit gehoord hebben. Veel raadsels doen dan ook geen beroep op het verstand, maar op weten. Een raadselsessie laat in de opeenvolging van riddle acts telkens spanning en ontspanning zien.

Ook raadselboeken bevatten soms poep-raadsels; uit Van der Linden: “Waar draait men koorden zonder vlas” (nr. 1239). In w.c. “Ik zie met mijn bril hetgeen een ander dekt. Ben ik vuil, ’k word schoon geveegd, niet afgelekt” (nr. 1261: bril van sekreet of vertrek). “Wie is regelmatig ontvanger die nooit rekenschap moet geven?” (nr. 1262: sekreet, vertrek om gevoeg te doen). Er is een verschil tussen poepraadsels en raadsels voor als je aan het poepen bent. De laatste zijn te vinden in een boekje als Raadselpret op het toilet. Voor uren puur puzzelplezier (Tyberg 1995), dat allerlei ‘gewone’ raad- sels en opgaven bevat. Het feit dat juist dergelijke lectuur geschikt wordt bevonden voor de wc, duidt op een overeenkomst in inspanning, vereist voor ontlasting en het oplossen van raadsels.

Net als fecale moppen en spreekwoorden zijn ook poep-raadsels een internationaal verschijnsel. Zo geeft Ndonko (1993: 130) in zijn studie naar culturele voorstellingen van excrementen voorbeelden uit de Yasa-cultuur,[note 56]Zie voor voorbeelden uit andere culturen de verwijzingen in de Enzyklopädie des Märchens.
waar raadsels de vorm hebben van het presenteren van een metafoor, die op begrip gebracht moet worden. “Minisè na wana wadu é church (Le prêtre et ses enfants à l’église).” Het antwoord luidt: “Penga lìbi na matchini (un morceau d’excréments et les mouches).” Ndonko merkt op dat het woord lìbi normaal door geen enkele Yasa zou worden uitgesproken, maar in het raad- selspel kan het wel. Die opmerking geldt ook voor de hierboven gegeven Nederlandse raadsels: op plaatsen ‘in de marge’ tasten met name personen die om een of andere re- den (nog) geen duidelijke identiteit hebben, vlees noch vis zijn, met het opgeven van raadsels hun grenzen af. Op dergelijke plaatsen bevredigen ze hun nieuwsgierigheid naar dingen die weliswaar tot het leven behoren, maar door de omgeving met schaamte verborgen worden.

Besluit

Als ik na deze verkenning enkele conclusies tracht te formuleren, springt allereerst in het oog dat het fecale discours veel variatie kent en snel kan veranderen. Variatie is er op het gebied van taalvormen en hangt zowel samen met het gespreksonderwerp als met niet-linguïstische factoren als setting, sekse, leeftijd en sociale klasse van ge- spreksdeelnemers. Bij de keus voor een bepaalde variant is van groot belang wat de functie van het spreken over poep is: bij de dokter praat je er anders over dan met kame- raden in een grapsfeer. Telkens opnieuw vindt de taalgemeenschap eufemismen om de activiteiten en het product te benoemen van wat zich op de grens van het ego bevindt.

Het taalgebruik rond ontlasting en uitwerpselen is ambivalent: worden met eufe- mismen enerzijds grenzen bevestigd, waardoor het spreken over poep aan beperkingen onderhevig is, anderzijds zien we dat er omstandigheden zijn die een vrije uitwisseling van poepgrappen, poepraadsels en dergelijke mogelijk maken, waardoor grenzen ver- vagen. Het behoort tot de competentie van een taalgebruiker om een verwijzing naar poep te kunnen maken bij een mop die het woord niet expliciet noemt, en omgekeerd om bijvoorbeeld op een strontraadsel weer een ‘geaccepteerd’ antwoord te kunnen ge- ven. Men zou dit switchen tussen registers als een meta-linguïstische activiteit van taal- gebruikers kunnen beschouwen, waarin zij elkaar reeds als kind beginnen te trainen, in een competitieve sfeer. Het spreken over poep heeft niet alleen negatieve connotaties, maar kan ook bevrijding en plezier verschaffen. Het voegt iets toe aan de werkelijkheid van de prima materia.

Grensvervaging in het fecale discours ten slotte kenmerkt zich ook op een ander ni- veau. Niet zelden wordt poepen opgevoerd om de gelijkheid van alle mensen te benadrukken: hoog en laag moeten er aan geloven. Daarin is er thematisch verwantschap met het spreken over de dood.

Noten

Dr. M.J.C. Elias heeft onder de naam LEXIS in Amersfoort een adviespraktijk voor taal en com- municatie, waar hij opdrachten uitvoert voor overheid, universiteit en bedrijfsleven. Eerder werkte hij als taalkundige aan de VU. Hij publiceerde over sociolinguïstiek en schreef boeken over plat-Haags, taboe en raadselverhalen. Adres: Lexis, Groen van Prinstererlaan 29, 3818 JN Amersfoort, tel. 033-461.3061, e-mail Michael.Elias@net.HCC.nl

Bibliografie

Aarne, Antti A. & Stith Thompson 1961 The types of the folk-tale (= Folklore Fellows Communications 184). Helsinki: Aca- demia Scientiarum Fennica, 19874.
Aman, Reinhold (ed.) 1993 Talking dirty. A bawdy compendium of abusive language, outrageous insults & wicked jokes. London: Robson Books.
Bachtin, Michail Michailovitsj 1968 Rabelais and his world. Cambridge, Mass.: MIT Press. Uit het Russisch vertaald door Hélène Iswolsky.
Bijbel: 1984 Biblia Hebraica Stuttgartensia. Ed. K. Elliger et W. Rudolph. Stuttgart: Deutsche Bibelgeschellschaft.
1960 Novum Testamentum Graece. Ed. E. Nestlé et K. Aland. Stuttgart: Privilegierte Württembergische Bibelanstalt.
z.j. Statenvertaling. Amsterdam, NBG. 
1981 Willibrordvertaling. Boxtel: KBS.
Bomans, Godfried [1937] Memoires van Pieter Bas. Rotterdam: Vox Romana, z.j.
Bourke, John Gregory 1891 Scatalogic rites of all nations. Washington. Duitse bewerking Der Unrat in Sitte. Brauch, Glauben und Gewohnheitsrecht der Völker. Leipzig, Ethnologischer Ver- lag, 1913. Franse vertaling Les rites scatologiques. Paris: PUF, 1981.
Brouwers, L. 1973 Het juiste woord. Standaard Betekeniswoordenboek der Nederlandse Taal. Antwer- pen/Utrecht5. Eerste druk 1928.
Dale, van 1992 Groot Woordenboek der Nederlandse Taal. Den Haag: Nijhoff. 
Daniëls, Wim 1991 ’n Schon boks. Hapert: De Kempen Pers.
Dekker, Ton, Jurjen van der Kooi & Theo Meder 1997 Van Alladin tot Zwaan kleef aan. Lexicon van sprookjes: ontstaan, ontwikkeling, va- riaties. Nijmegen: SUN.
Dit es van den scijtstoel Dit es van den scijtstoel. Uitgegeven met een nawoord en verantwoording door Kees Akkerman en E.K. Konijn. Kaap de Goede Hoop: Bibliotheca Stercorea, 1996.
Dundes, Alan 1975 Here I sit – A study of American Latrinalia. In: Alan Dundes, Analytic essays in folk- lore. Den Haag: Mouton, pp. 177-91. Overgenomen uit The Kroeber Anthropolo- gical Society Papers 34 (1966): 91-105.
Eijk, Inez van 1978 Ik zeg maar zo, ik zeg maar niks. Amsterdam/Antwerpen: Spectrum. 1980 Zo lust ik er nog wel een. Amsterdam/Antwerpen: Spectrum.
1998 Eigenwijs. Een verfrissende, vrolijke kijk op gedrag. Amsterdam/Antwerpen: Pira- mide.
Elias, Michael 1992 Taboe in taal. Utrecht: Kosmos.
1998 Rechterraadsels of De twee gezichten van de zondebok. Dissertatie Universiteit Utrecht. Maastricht: Shaker Publishing, 1998.
Endt, Enno 1969 Een taal van horen zeggen. Bargoens en andere ongeschreven taal. Amsterdam: Scheltema & Holkema.
Endt, Enno & Lieneke Frerichs 1972 Bargoens Woordenboek. Amsterdam: Thomas Rap. Enzyklopädie des Märchens
1977 Enzyklopädie des Märchens (EM). Kurt Ranke (Hrsg.). Berlin/New York: Walter de Gruyter. 
Fischer, Helmut 1988 Rätsel, Scherzfrage, Witz. Epische Kleinformen im Gebrauch sechs- bis zehnjähriger Kinder. Fabula 29(1/2): 73-95.
Fishman, Joshua (ed.) 1971 Advances in the sociology of language. Den Haag: Mouton.
Fokkelman, Jan 1986 Narrative art and poetry in the books of Samuel. Volume II The crossing fates. Assen: Van Gorcum.
Freud, Sigmund 1908 Charakter und Analerotik. In: Studienausgabe VII. Frankfurt a/M: Fischer, 1982, pp. 25-30.
Geest, Sjaak van der 1998 Poep en omstreken: over scatologie, cultuur en welbevinden. Medische Antropologie 10(1): 139-57.
Heestermans, Hans 1989 Luilebol. Het Nederlands Scheldwoordenboek. Amsterdam: Thomas Rap. 
Hieronymus. 1958 Homilia de nativitate Domini. In: CCL 78. Ed. G. Morin. Turnhout: Brepols.
Huisman, J.A. e.a. 1962 Nette en onnette woorden. Hilversum/Antwerpen: Paul Brand. 
Hymes, Dell 1974 Foundations in sociolinguistics. An ethnographic approach. London: Tavistock.
Kluge, Friedrich 1989 Etymologisches Wörterbuch der deutschen Sprache. Berlin: De Gruyter.
Koehler, Ludwig & W. Baumgartner 1985 Lexicon in veteris Testamenti Libros. Leiden: Brill.
Labov, William 1972 Language in the inner city. Studies in the black English vernacular. Philadelphia: University of Pennsylvania Press.
Linden, Renaat van der 1981 Grootmoeders raadselboek. Antwerpen: Beckers. 
Lust, Dick-Jan 1986 Anale folklore in laat-middeleeuwse literatuur. Literatuur. Tijdschrift over Nederlandse Letterkunde 3(5): 273-80.
The Code of Maimonides 1961 The code of Maimonides. Book three. The book of seasons. Translated from the Hebrew by Salomon Gandz and Hyman Klein. New Haven: Yale UP.
Ndonko, Flavien Tiokou 1993 Représentations culturelles des excréments. Étude comparative des déchets du corps chez les polulations de la savane et de la côte du Cameroun. Münster: LIT.
Nederlands Etymologisch Woordenboek 1971 Nederlands Etymologisch Woordenboek. Door Jan de Vries, m.m.v. F. de Tollenaere. Leiden: Brill.
Pleij, Herman 1979 Het gilde van de Blauwe Schuit. Literatuur, volksfeest en burgermoraal in de late middeleeuwen. Amsterdam: Meulenhoff.
1993 1512: Antwerpse maagd wint aanmoedigingsprijs op Brussels rederijkersfeest – De grootste rederijker is een vrouw, Anna Bijns. In: M.A. Schenkeveld-van der Dussen, Nederlandse Literatuur, een geschiedenis. Groningen: Martinus Nijhoff, pp. 126-30.
Rabelais, François 1542 Gargantua en Pantagruel. Amsterdam: Bert Bakker, 1995. Vertaling door Théo Buc- kinx van Gargantua en Pantagruel.
Reenen, Pieter van en Michael Elias 1998 Taalverschillen. Een werkboek over variatie en verandering in taal. Muiderberg: Coutinho.
Sterkenburg, P.G.J. van 1997 Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie. Den Haag/ Antwerpen: Sdu/Standaard.
Tyberg, Son 1995 Raadselpret op het toilet. Aartselaar: Deltas. 
Ulenspieghel, Het volksboek van 1986 Het volksboek van Ulenspieghel. Ed. Loek Geeraedts. Amsterdam/Kapellen: DNB/Wereldbibliotheek.
Veen, Wytze van der en P. Schrijnders 1979 God is dood en ik voel me zelf ook niet lekker. Amsterdam: Arbeiderspers, 19802. 
Warren, Hans en Mario Molegraaf 1996 Het evangelie volgens Markus, Mattheus, Lukas en Johannes. Amsterdam: Prometheus. 
Werkman, Evert 1992 Juffer hep je een emmertje poep. Een eeuw Amsterdams rioolwater. Amsterdam: RWA/Stadsdrukkerij. 
Winkler Prins Grote Encyclopedie R.C. van Caenegem e.a. (red.). Amsterdam/Brussel: Elsevier, 1979-84.
Witte, A.J.J. de [1948] De betekeniswereld van het lichaam. Utrecht: Spectrum, Antwerpen: Standaard. Woordenboek der Nederlandsche Taal Woordenboek der Nederlandsche Taal (= WNT). ’s-Gravenhage en Leiden: Nijhoff, Sijthoff en Stemberg; Sdu 1882-1999.